De welwillendheid van H.M. de Koningin stelde mij in staat om ook van tal van stukken in het archief van prins Willem V kennis te nemen. Ten vervolge op wat ik ten vorigen jare omtrent het archief van prins Willem IV kon mededeelen wensch ik nu hetzelfde te doen wat betreft dat van zijn opvolger.
Dit archief is nog veel omvangrijker dan het vroeger vermelde. Honderden portefeuilles bevatten de zeer uitgebreide correspondentie van den erfstadhouder, erfkapitein-generaal en admiraal-generaal zoowel met de hoofdambtenaren der Republiek als met de premiers en andere op den voorgrond tredende personen in steden en gewesten en met de vertegenwoordigers der Republiek in het buitenland, zoowel eigenlijk diplomatieke als consulaire. Nog sterker dan in den tijd van Willem IV is het stadhouderlijk archief voor de tweede helft der 18de eeuw kabinetsarchief en dus voortdurend te gebruiken in verband met het archief der Staten-Generaal, der gewestelijke Staten, van den Raad van State en andere officieele lichamen in de Republiek, ook met de archieven der regeeringspersonen zelve, die zooals bekend is hunne persoonlijke niet streng van hunne ambtelijke archieven plachten te scheiden, zoodat het belang van deze verzameling voor onze geschiedenis in de tweede helft der 18de eeuw in het oog springt. Wat de buiten-
landsche betrekkingen aangaat, dient ook te worden gelet op de briefwisseling van den Prins en van prinses Wilhelmina met vorstelijke personen en met hooggeplaatste buitenlandsche staatslieden, met name met Frederik den Groote en Frederik Wilhelm II en hunne ministers, onder wie Hertzberg in dit opzicht moet genoemd worden.
Het gaat natuurlijk niet aan hier melding te maken van alle briefwisselingen van eenig belang, in deze reusachtige en dikwijls slechts zeer summier gecatalogiseerde verzameling vervat. Slechts op enkele stukken moet nader de aandacht worden gevestigd, ten einde te doen zien wat de aard dezer verzameling is.
No. 206 bevat de correspondentie met consuls in de Levant en de Middellandscbe zee (1766-1794), waarin menige bijzonderheid voor den handel en de werkzaamheid der zeemacht in die streken is te vinden.
No. 208 vormt een aantal deelen correspondentie met den griffier Fagel (1764-1801). Het groote vertrouwen, dat de ervaren griffier bij den Prins genoot, doet hier belangrijke stukken verwachten en die verwachting wordt ook niet teleurgesteld: over alle belangrijke zaken staan hier intieme bijzonderheden en uitingen te lezen. De kalme opvatting van den griffier, die ‘altoos naar den sagten kant overhelde’, zijn aandringen op ‘eendragt en toegeevendheid’ reeds omstreeks 1770, zijn helder inzicht in de gevaren omstreeks 1780 geven aan deze correspondentie buitengemeene aantrekkelijkheid. Te midden van een overweldigende reeks officieele stukken vinden wij hier menige uiting, die bewijst, dat vóór het uitbreken van den oorlog met Engeland zoowel de Prins als Fagel zelf werkelijk engelschgezind waren. De vrees van beiden voor een ‘rupture’ met Engeland
was vooral gegrond op de overweging (27 Aug. 1778), dat de Republiek geen bondgenooten, geen voldoende oorlogsmacht en geen inwendige harmonie bezat. Zeer belangrijk zijn de overwegingen vóór het uitbreken van den krijg. Niet minder die uit de kritieke jaren 1785 tot 1787, toen Fagel den Prins geregeld op de hoogte hield van wat er tijdens diens afwezigheid in Den Haag in de hoogste staatscolleges gebeurde en deze berichten ijverig commentariëerde. ‘Temporiseeren’, ‘rekken’, gebruik maken van de toenemende verwarring om dan ten slotte in te grijpen, is Fagel's gewone raad in zijne minstens eens in de week gezonden brieven.
No. 209 tot 212 bevat de correspondentiën met de secretarissen van den Raad van State Van Hees (1771-1786) en Mollerus (1786-1794), en die met Van Bleiswijk en Steyn, van welke de laatste enkele merkwaardige brieven oplevert.
No. 213 bevat de veel belangrijker correspondentie met den raadpensionaris Van de Spiegel (1788-1799). Ofschoon evenals met Fagel ook met Van de Spiegel veel mondeling behandeld is, correspondeerden toch de stadhouder en de raadpensionaris vrij geregeld, ook wanneer beiden zich in Den Haag bevonden, over de dagelijks over en weder gezonden regeeringsbescheiden. Vooral de zaak betreffende de nieuwe regeling der quoten wordt door tal van brieven nader toegelicht, een enkele maal de loop der dingen in het revolutionnaire Frankrijk en de houding der Republiek daartegenover, ook de patriotsche woelingen na 1790, verder de hervorming van het zeewezen en de koloniale zaken, ten slotte de oorlog van 1793 en het einde van het stadhouderschap, waarover zeer merkwaardige stukken hier bewaard zijn. Uit deze laatste blijkt o.a. dat het besluit van den Prins om
heen te gaan buiten weten en zeer tegen het gevoelen van den raadpensionaris is genomen.
No. 214 tot 216 bevat correspondentiën met de Gecommitteerde Raden Mossel en Van Stralen (1763-1771) en met de secretarissen Groot (1774-1784) en Royer (1771-1794), alle meer van officieelen aard.
No. 217 en 218 bevatten de correspondentiën met steden en leden der Republiek, een onafzienbare reeks van dokumenten, waaronder zich telkens vele van groot plaatselijk belang bevinden. Onder deze stukken zijn ook korte notulen van het verhandelde in de Statenvergaderingen (1779 -1794), eene groote memorie over het eerste lid van Utrecht (1772), memoriën over de financiën van Friesland vóór 1785, stukken over de zaak Van Haren, enz.
No. 226 tot 227 bevat de briefwisseling met Brunswijk, die intusschen na de publicatie van Nijhoff niet veel bijzonders meer oplevert.
No. 263. Stukken over de verhouding der Republiek tot de oorlogvoerende mogendheden (1778-1780).
No. 291. Marinestukken, van belang vooral voor de hervormingsplannen (1790-1792).
No. 302. Correspondentie met den kolonel d'Angely, die in 1793 als emigrant zijne diensten aanbood tegen de Fransche troepen der Conventie en allerlei berichten gaf over de woelingen der Patriotten in dat jaar, waarbij hij als spion der Regeering optrad. Op het einde van het jaar vertrok hij met eene geheime zending naar Londen en later naar de Vendée, van waar hij zeer merkwaardige rapporten over den toestand aldaar inzond; een deel dezer briefwisseling ligt in die van Van de Spiegel, die hem ook als spion gebruikte.
No. 335. Gemengde brieven van partikulieren, zeer
rijke verzameling, dikwijls ook van groot belang, zoowel over de zaken hier te lande als over die van de beide groote compagnieën, alles alphabetisch geordend.
No. 336 bevat allerlei stukken over de hervormingen in het staatsbestuur, omstreeks 1789 voorgenomen.
No. 337 vormt eene heterogene verzameling van voor een deel belangrijke dokumenten o.a. over de houding van den Overijselschen adel in 1759, over den titel van den Prins en de plannen om hem dien van Koninklijke Hoogheid toe te kennen (1768), over den toestand van Indië omstreeks 1773 (‘Redekundig berigt’ van een oudambtenaar), over de ‘geheime plannen’ der hollandsche pensionarissen in 1782. Zeer belangrijk zijn de notulen der geheime hofconferentiën uit 1782 en 1783, wegens de pogingen om leiding te geven aan den Prins; aanteekeningen der Prinses over hare conferentiën met Thulemeyer; belangrijke correspondentie tusschen den Prins en de Prinses over hunne verhouding in 1782 en 1784, ook over de tegen de Patriotten aan te nemen houding; notulen der hofconferentiën van 1785 over de mogelijkheid van in te stellen departementen van bestuur, over de intrigues van Salm enz.; door Van de Spiegel opgestelde stukken over den toestand des lands in 1782 en de hervorming der admiraliteiten, zeer belangrijk in verband met de door zijn kleinzoon later uitgegeven geschriften van den raadpensionaris.
No. 338. Varia betreffende den handel, de zeevaart en de buitenlandsche staatkunde, met name die tegenover Engeland.
De honderden, ja duizenden dokumenten betreffende dezen tijd verdienen alleszins een nauwkeurige inventarisatie, waarmede evenwel jaren zullen gemoeid zijn. Ook betreffende de jaren na 1795 is het archief van
Willem V buitengemeen rijk aan belangrijke stukken, waaruit o.a. de heeren De Bas en Koolemans Beijnen reeds veel hebben geput betreffende de krijgsgeschiedenis en dr. Colenbrander veel materiaal heeft verzameld voor zijne groote uitgave betreffende onze geschiedenis na den val der Republiek, die eerlang in het licht zal worden gegeven. De vrijgevigheid, waarmede Hare Majesteit de Koningin het gebruik dezer stukken veroorlooft, zal ongetwijfeld der beoefening onzer geschiedenis tot groot voordeel verstrekken; de medewerking van den Directeur van het Huisarchief, prof. dr. Krämer, en de vriendelijke hulp van zijn assistent, den heer Levoir, maakten mij in het bijzonder den arbeid gemakkelijk. Een aantal dezer dokumenten werd door mij gebruikt bij de bewerking van het zesde thans verschenen deel mijner Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, waarin vele aanhalingen uit de gebruikte stukken voorkomen.
P.J. Blok.