Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1913


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1912-1913. E.J. Brill, Leiden 1913  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 97]

Uit het Amsterdamsche tooneelleven op het einde der XVIIe eeuw.

De verminderende invloed van Vondel op het Amsterdamsche tooneel, in de laatste 20 jaren van zijn leven, is vooral te wijten aan het optreden van Jan Vos.

In 1647 schouwburgregent geworden, toen het college uit minder krachtige elementen was samengesteld, trad de glazenmaker-dichter weldra als aanvoerder op, als hoofd van den schouwburg, zooals hij het zelf noemt, in een vers aan den commissaris Mr. Joan Six:

 
Vraagt gy, o Six! wat ik kan maaken,
 
Nu ik voor Hooft ter Schouwburg tree?
 
Hier bouw ik hemelhooge daaken.
 
Daar breng ik vlooten in de zee.
 
 
 
Oudt Roomen hadt in zeven jaaren,
 
Tot dartigh kaizers na elkaâr
 
Ik kies, dit zyn nocht vremder maaren,
 
Meer kaizers in een enkel jaar1.

Na de streng dramatische kunst van Vondel, die stipt de wetten van Aristoteles en Horatius opvolgde, trad Jan Vos in zijn tooneelstukken op als een ‘futurist’ in de schilderkunst van onze dagen. Veel toekomst hebben zijn spektakelstukken niet gehad en wij beschouwen ze nu hoogstens nog als curiositeiten. Maar sedert Aran en Titus, Medea, en de pompeuse ‘vertooningen’ bij ver-

[p. 98]

schillende feesten, deed Vos de menschen verbaasd staan door al wat ze te zien kregen. Door zijn brutalen durf wist hij het publiek voor zich in te nemen, en, evenals in onze dagen de futuristische, cubistische en neo-impressionistische schilders, de proef te wagen, hoeveel het publiek wel aan dwaasheden en ongerijmheid slikken kan, voordat het voelt bij den neus genomen te zijn.

De spektakelstukken met ‘kunst- en vliegwerk’, zooals de aankondigingen uitdrukkelijk ter aanbeveling vermeldden, waren voortaan onmisbaar. Zonder nu juist onwelwillendheid bij Vos te veronderstellen tegenover Vondels drama's, of geringschatting van zijn kunst, moeten wij toch bedenken, dat het werk van Vos te lijnrecht stond tegenover de opvattingen van den ouden treurspeldichter, dan dat hunne werken op hetzelfde tooneel, voor dezelfde toeschouwers geduld konden worden, en gelijke belangstelling blijven opwekken. De bewijzen zijn zelfs voorhanden, dat Vos ernstige pogingen heeft gedaan om enkele drama's van Vondel meer in overeenstemming te brengen met de moderne beginselen, hoe onuitvoerbaar dit ook schijnen moge.

Dansen van allerlei fantastische personen en gepersonifieerde gruwelen, als Nijd, Oorlog, Roof en Moord; van elementen, Aarde, Water, Lucht en Vuur, van de hemellichamen, enz., behoorden tot de onmisbare bestanddeelen van het toenmalige drama. Waarom, zoo dacht Jan Vos, zou men de bedrijven van de treurspelen, die den ouden Vondel zooveel roem gebracht hadden, daarmede ook niet afwisselen? Ze behielden toch nog een goeden naam en waren lang ‘kasstukken’ geweest; enkele dansjes zouden aan Lucifer, Jephtha, en andere drama's weer een duurzaam tooneelleven kunnen verzekeren.

Aan dergelijke overwegingen van Jan Vos moet onge-

[p. 99]

twijfeld de volgende brief worden toegeschreven, die zorgvuldig in 's mans nagelaten Werken is afgedrukt, en van 1654 kan dagteekenen:

‘Aan J.V. Vondel.
Myn Heer,
De dans van Engelen, daar gy met my van gesprooken hebt, zal, myns bedunkens, niet raadtzaam zijn, dewijl gy de Engelen, om de val van Lucifer, een wettige reeden, met een treurigh gelaat op het tooneel laat koomen: ik heb er een gemaakt, die zich wonderlyker, geloof ik, voor d'oogen der aanschouwers zal vertoonen: want in deeze wordt het vervolg van 't spel, de goude en zilvere eeuw, uitgebeeldt.
Beschrijving van de Dans achter het spel van Lucifer.’ Enz.

Het zal voldoende zijn een enkele van de door Vos verzonnen dansen hier mede te deelen; de andere zijn o.a. te vinden in Unger's Vondel, 1654-55, b. 266-268.

‘Terwijl Adam en Eva, die zich naakt bevinden, bezich zijn met een hut te bouwen, vertoont zich een Engel, die de gramschap afgrijselijk ten oogen uitkomt blaaken: hy drijft het verleide paar door het brandende slagzwaardt, dat hy in zijn vuist heeft, uit het lusthof. Honger, Armoedt, Arbeidt, Ouderdom en Doodt voegen zich bij d'eerste ballingen. De Goude eeuw wordt door d'Yzere verjaagt: de Tijdt komt vaardig voor den dagh springen: hy heeft Staatzucht, Nijdigheidt, Oorlog, Roof en Moordt aan zijn zijde; na dat deze gruwelen een poos 't zaamen gedanst hebben, verspreiden zy hen over de werreldt. Liefde, Onnoozelheidt, Trouw en Eer worden in een wolk vol starren ten hemel gevoerd.’

‘Myn Heer,
De wijzen, om op te danssen, heb ik nu droef, dan blijdt, naar d'eigen schap der gemelde persoonen gevoegt.
Uw E.
genegenste dienaar,
Jan Vos.’

Blijkbaar had Vondel met Vos het denkbeeld besproken om de Engelen in het stuk te laten dansen; maar vond Vos dit minder passend voor treurende Engelen.

Met zulke dwaasheden moesten dus Vondels geniale drama's worden opgesierd, om in de laatste helft der 17e eeuw nog in den smaak van het publiek te blijven

[p. 100]

vallen. Zelf schijnt Vondel onder den invloed van Jan Vos' theoriën geraakt te zijn, want, toen in 1659 Jephtha zou worden opgevoerd, zorgde Vos voor een ‘Vertooning, die hij, op het aanmanen van Joost van den Vondel, in zijn spel van Jephtha toestelde.’1 Blijkt bij de dansen in de Lucifer slechts van overleg tusschen beide dichters en van een zekeren aandrang door Vos, voor Jephtha was het van Vóndel dat de aanmaning uitging.

Jephtha is van 24 Nov. tot 11 December 1659 zesmaal vertoond, vermoedelijk met de aanvullingen volgens de fantaisie van Vos. Ik acht het niet mogelijk, dat de dansen bij het spel van Lucifer ooit zijn uitgevoerd, of het moet bij de twee eenige opvoeringen op 2 en 5 Februari 1654 zijn geweest; doch het blijkt niet, dat toen ook het aanhangsel van Vos ten tooneele is gebracht, anders toch zouden de predikanten van den Amsterdamschen kerkeraad in hun klacht bij Burgemeesteren, om het opvoeren verboden te krijgen, zeker van deze ergerlijke dansen wel melding hebben gemaakt.

Nog tien jaren na Lucifer heeft Vondel bewezen, dat goede dansen in zijn treurspelen volstrekt niet misplaatst waren door achter het derde bedrijf van Adam in Ballingschap den heerlijken dans van Adam en Eva in te voegen, zoo geniaal door Royaards en zijn echtgenoote weêrgegeven. Maar welk verschil met het ‘kunst- en vliegwerk’ van Vos! - Indien Vondel door het voorstellen van dezen dans aan den tijdgeest heeft willen offeren in navolging van Vos en anderen, dan is hij niet geslaagd, de schouwburgregenten voor zijn werk in te nemen, want tijdens zijn leven is Adam in Ballingschap nooit opgevoerd. Zelfs de opdracht ‘Aen de Kunstbeminnende Heeren

[p. 101]

vaders van het Oudemannenhuis en Weeshuis, voorstanders van het recht gebruick der tooneelspeelen,’ heeft het treurspel geen genade doen vinden in de oogen van Jan Vos en zijn medebestuurders.

De vraag, of Jan Vos het opvoeren van Vondels spelen heeft tegengewerkt, kan naar mijn meening op deze wijze worden opgelost. Niet opzettelijk heeft hij de opvoering verhinderd; maar door gruweldrama's in de mode te brengen wist hij de grove hartstochten van het publiek te boeien, dat daardoor vanzelf van Vondels ernstige spelen afkeerig werd.

Het verdient opmerking, dat deze vraag door de heeren Dr. J. Worp1 en Dr. J. te Winkel2 op grond van gelijke statistische gegevens, door den eerste ontkennend, door den tweede bevestigend is beantwoord.

Het bericht van Geraard Brandt in Vondels Leven, ontleend aan een brief van Antonides, dat Vondel ‘dikmaels klaeghde over de groote nydicheit van Jan Vos, die dat pas hooft van de Schouburgh was en de rollen van zyne treurspelen al willens qualyck verdeelde aan onbequame personadiën, en die nog meer mismaeckte met dezelve in ongerymde en oude versleten klederen te tooneele te voeren;’ dit bericht, uit hoe betrouwbare bron dan ook, moet toch wel op een misverstand berusten. Het moet toch volkomen onaannemelijk geacht worden, dat Vos zóó weinig de belangen van zijn tooneel wist te bevorderen, dat hij het succes, dus ook de financieele voordeelen van zijn onderneming zou hebben gewaagd door slechte akteurs in verwaarloosde en versleten kleederen te laten optreden!

Neen, de moeilijkheden ontstonden alleen uit den aard

[p. 102]

der tooneelstukken. Vondels drama's waren ouderwetsch geworden in vergelijking met Vos' spektakelstukken. In hunne geschriften geven zij blijk, natuurlijk, niet ingenomen te zijn met elkanders dramatische beginselen1; maar voor een opzettelijke tegenwerking van Vondel door Vos zijn tot nog toe geen afdoende bewijzen gevonden.

Het voorafgaande acht ik niet zonder beteekenis als inleiding tot eenige karakteristieke feiten uit het tooneelleven op het einde van Vondels eeuw.

Het opvoeren van treurspelen van Vondel, met de zonderlingste bij- en toevoegsels van anderen, door Jan Vos in de mode gebracht, werd weldra door enkelen nagevolgd en zou spoedig de aanleiding worden tot een fellen strijd, die op en buiten het tooneel gevoerd is door de schouwburgregenten met de dichters en tooneelliefhebbers. Een strijd, dien men in de letterkunde van een ander volk niet licht zal weêrvinden, tenzij misschien, doch onder andere omstandigheden, op het Grieksche theater, in de dagen van Aristophanes. Maar het zou een groote literarische heiligschennis zijn, om de van geest tintelende parodie, waarmede Aristophanes vooral Euripides bespot, ook maar in de verte te willen vergelijken met de dikwijls plompe grappen waardoor een laat 17de eeuwsch poëet de treurspelschrijvers aan de kaak stelt.

Jan Vos was in Juli 1667 door een aantal poëten ter aarde besteld. Twee jaren vroeger was Dr. Lodewijk Meijer tot Regent van den Schouwburg gekozen en zwaaide daar, na het overlijden van Vos, den scepter, tot 1669, toen hij uit het College werd gestooten, en, om zich te wreken op de richting door het schouwburg-

[p. 103]

bestuur voorgestaan, de stichter werd van het genootschap: ‘Nil Volentibus Arduum.’

Ziedaar de eerste aanleiding tot den strijd: ‘prima malorum causa’. Toch streefde Meijer naar een goed en lofwaardig doel. Hij wilde den tempel van Thalia, door de vreeselijke spektakelstukken van Vos ontheiligd, weêr zuiveren en haar eeredienst door een waardige kunst herstellen. Het klassieke drama trachtte hij, naast goede kluchten, weer in zwang te brengen. Maar, bij gebrek aan eigen krachten, moesten Meijer en zijn volgelingen zich in de keuze der stukken grootendeels bepalen tot vertalingen naar de groote Fransche tooneeldichters van hun tijd, en navolgingen, die maar al te zeer de onbedrevenheid van de bewerkers deden uitkomen.

Het was echter niet uit beginsel, dat Meijer deze richting voorstond. Toen hij nog Regent was van den Schouwburg, dweepte hij met de stukken van Jan Vos, en toonde hij zich zijn volgeling in het spektakelstuk het ‘Ghulde Vlies’.

Voorloopig werd, reeds drie jaar na de oprichting van N.V.A., door een onverwachte oorzaak plotseling een einde gemaakt aan den tooneelstrijd, omdat wegens den oorlog die de Republiek in 1672 had te doorstaan, de sluiting van den Schouwburg tot 1677 noodig werd. Op aandringen van de Regenten der Godshuizen, die door het niet spelen in die jaren, belangrijke inkomsten moesten derven, opende de stedelijke regeering in dit jaar weder den Schouwburg, en werd ook Dr. Lodewijk Meijer opnieuw onder hare Regenten benoemd, doch met hem ook tevens aan twee leden van N.V.A., namelijk Pels en Bouwmeester toegang tot het bestuur verleend. Slechts vluchtig gaan wij heen over deze jaren, waarin het wel niet volkomen rustig bleef in de schouwburg-

[p. 104]

wereld, maar de strijd toch in hoofdzaak liep tusschen de Regenten der Godshuizen en die van den Schouwburg over geldelijke moeilijkheden wegens de verminderende opbrengst. De stukken van N.V.A. vielen niet meer in den smaak bij het publiek. Men werd ontevreden over het schouwburgbestuur; de stadsregeering zorgde meer invloed te krijgen op hun benoeming, en maakte dat de Godshuisregenten de beslissing zouden hebben over alle uitgaven en ook bij het aanschaffen van decoraties, costumes en dergelijke hun invloed zouden doen gelden.

Dit bleek een verkeerde maatregel. Door de zuinigheid van de Godshuisregenten konden de stukken niet tot hun recht komen. Toen Bajazet zou worden opgevoerd, waarvoor turksche costumes noodig waren, oordeelden de Regenten, dat men daarvoor wel de aanwezige romeinsche kon gebruiken, enz.; met dit gevolg, dat de Schouwburgregenten in 1681 hun ontslag namen, en het Weeshuisbestuur voor groote moeilijkheden lieten zitten.

Gelukkig waren er onder de afgetreden Regenten twee ondernemende mannen, Lodewijk Meijer en Jan Pluimer, die aanboden, om in vereeniging met Pieter de la Croix den Schouwburg van de Godshuizen te pachten. Hiervoor werd een overeenkomst gemaakt, eindigende in 1684. De ondernemende Dr. Meijer, stellig de aanvoerder van de pachters, overleed reeds in November van het eerste jaar, en toen de beide overlevende pachters een nieuw 3-jarig contract waren aangegaan, moesten zij reeds na afloop van het tweede aan de Weeshuisregenten berichten, dat zij wegens de groote verliezen de exploitatie niet konden voortzetten. In hun bericht geven zij als voornaamste oorzaak op, dat hunne acteurs onderhuurd werden door ‘Amia en deszelfs complicen.’

Met dezen bedoelden zij Mr. Harmannus Amya, advocaat

[p. 105]

te Amsterdam, een naam, die in de tooneelwereld van die dagen van veel beteekenis geweest moet zijn, doch wiens invloed bij gebrek aan gegevens nog nooit is aangewezen kunnen worden.

Maar om dezen tooneelliefhebber in 't juiste licht te stellen, moeten wij hem plaatsen naast een anderen man van veel invloed: Dr. Goverd Bidloo. Het is niet te bewijzen dat deze ooit tot de Regenten, of zelfs tot de pachters van den Schouwburg heeft behoord, en toch wordt Bidloo herhaaldelijk met den naam van Regent aangeduid, wel een bewijs van den grooten invloed, dien deze doctor, in later jaren Hoogleeraar in de ontleedkunde te Leiden, op het tooneel heeft uitgeoefend.

Als fel tegenstander van N.V.A., was het zijn vaste overtuiging, dat het publiek meer verlangde naar de oude spektakelstukken uit den tijd van Jan Vos, dan naar de vertaalde drama's van N.V.A. Zijn voornaamste streven was, de pachters Pluimer en de la Croix te bewegen wederom stukken op te voeren, waaraan veel te zien zou zijn.

Het valt niet te verwonderen, dat Bidloo, evenals indertijd Jan Vos, ook dacht aan de treurspelen van Vondel, onder wiens grooten naam, een vertooning nog steeds veel kans had om opgang te maken. Zijn oog viel op Phaëton.

In Februari 1685 gaf hij bij Jacob Lescaille uit de ‘Beschrijving der spreekende perzoonen, zangen, danssen, konstwerken en vertoogen gevoegd bij J.v. Vondel's Faëton,’ met een voorrede ‘Aan den Leezer of aanschouwer,’ die 's dichters bedoeling zeer aardig doet kennen. ‘Om uwe nieuwbegierige oogen, en ooren, zoo veel wy vermoogen, te vergenoegen, hebben wy goedgevonden, het groote Treurspel van Faëton, door wijlen

[p. 106]

de Heer J.v. Vondel gemaakt, ten Tooneele te brengen; maar alzoo de Dichter gewoonlijk zijne Speelen, op de Oude Grieksche en Latijnsche wijze geschikt heeft, en derhalven aan de hedendaagsche smaak, die op der Franschen geschiktheid, of der Italianen veranderingen van vertoogen (= vertooningen) gestelt is, niet allom voldeed, neemen wy de vryheid, onvermindert des grooten Mans waardye, wien wy zoo veel achting als iemand toedragen, om zyn schoone stuk, 't welk wy in 't geheel laaten, nog eenige sieraden by te voegen.’

Bidloo was dus niet weinig ingenomen met de lappen en het klatergoud, waarmede hij Vondels meesterwerk omhangen had. Behalve de personen die Vondel laat optreden, had hij er nog maar even aan toegevoegd: De Nacht, Zorg, Arbeid, Hemelraad (in drie personen), Uuren, Ganimedes, Vesta, Iris, De Lucht, Tijd, Mercurius; benevens de volgende zingende personages: Wakkerheid, Slaap(!), De vier getijden des jaars, Hemelingen, Brongodinnen, Boschnimfen, Eeuwigheid; en de volgende dansende: De Morgenstond en zyn Gespeele, Ganimedes en twee Hemelgeesten, De vier winden, Eölus, Gebrande Volkeren, en eindelijk de zeven planeten.

De curieuste verrassing bij al dezen onzin was zeker wel, dat de Gebrande Volkeren, d.i. de volken, die door het nederstorten van de zonnewagen met Phaëton, gebrand waren, ten slotte een dansje uitvoeren ter eere van Jupiter!

Met zijn ‘Voorspel op Vondel's Salmoneus’ maakte Bidloo het niet beter, ofschoon hier minder dwaze personen aan toegevoegd werden. Behalve heel veel donder en bliksem, moeten vooral de dansen van Altaarknechten en van Worstelende Slaven een diepen indruk op 't publiek gemaakt hebben.

[p. 107]

Toch bleek de smaak van de meer ontwikkelden niet zóo bedorven te zijn, dat zij deze vertooningen, die herhaaldelijk werden opgevoerd, zonder protest lieten voorbijgaan.

Wat men in onzen tijd als ‘Ingezonden stuk’ aan de krant zou toevertrouwen, de oogenblikkelijke kritiek op het tooneel en andere uitingen van kunst, werd in die gelukkige dagen den volke bekend gemaakt in vliegende blaadjes en schotschriften, die, meestal anoniem, ruim verspreid werden.

In tal van pamfletten werden de vertooningen van Bidloo scherp aangevallen en gehekeld. Verschillende van deze versjes kwamen van Nil V. Ard.; maar ook de akteur, Herman Brinkhuizen, liet zijn kritiek hooren en mengde zijn stem met die van de Vondelvereerders, voor welke Bidloo's vertooningen een heiligschennis waren.

Van Lennep drukt het vers van Brinkhuizen geheel af. Eenige regels mogen hier den toon weêrgeven, waarin deze kritiek geuit werd. Het is nog al welwillend en tamelijk waardeerend:

 
Kom, groote letterheld, kom Vondel, zie terug,
 
Zie wie uw godlyk rym en edele gedachten
 
Hier omvroet en versmeed, uw vaerzen durft verkrachten
 
Door áf en toè te doen, naar vinding zijner geest.
 
Hoe groote Dichter, hoe! hebt gy niet eens gevreesd
 
Dat zonder dans en zang, uw styl en Redeneering
 
Het volk mishagen zou? min strekken zou tot leering,
 
Indien de danser zich niet tusschen 't deel in stak,
 
En met grimassen zoo de deftige aandacht brak
 
Des volks, dat door 't vermaak van dansen, zingen, raasen,
 
Na 't einde van uw spel van tuyten wist noch blazen.
 
Gij liet op Bidloo dan dien zwaren arbeid staan?

Het is echter onzeker of dit vers van Brinkhuizen is. In den oorspronkelijken druk is het slechts met H.B. gemerkt. Andere hekelaars waren feller in hun toorn.

[p. 108]

Maar Bidloo was een wraakzuchtig man. Hij duldde geen kritiek op zijn werk en nam een geweldig middel te baat om zijn tegenstanders, die, zooals straks zal blijken, tot de zeer gefortuneerde Amsterdammers behoorden, te vernietigen, n.l. door ze belachelijk te maken in de oogen van datzelfde publiek, dat zijn voorstellingen zoo luide kwam toejuichen.

Op oudejaarsavond 1685 werden de vroolijkgestemde schouwburgbezoekers verrast door een ‘zinnespel’ van een onbekenden schrijver, dat heel wat rumor teweeg bracht. Vóor en na de Medea van Jan Vos werd in twee bedrijven ten tooneele gebracht ‘De muiterij en nederlaag van Midas, Koning Onverstand of comma, punct, parenthesis.’1

Waarschijnlijk zal de naam van dit tooneelspel u niet geheel onbekend zijn, nadat prof. te Winkel, in zijn ‘Ontwikkelingsgang der Nederl. Letterkunde’ (III, 92-95), uitvoerig er over heeft geschreven. Toch is die bekendheid onvolkomen, doordat de ware sleutel op het stuk niet kon worden medegedeeld. Voor de kennis van deze tooneelsatire is het noodig de namen van de personen te weten, die er in belachelijk worden gemaakt. Met deze wetenschap staat men verbaasd, dat de tooneelstrijd aan ernstige mannen en geleerde doctoren zooveel venijn in de pen heeft kunnen geven. Wanneer dilettantisme heerscht en iedereen zich dichter of tooneelschrijver waant, is groote afgunst en jaloerschheid een noodzakelijk verschijnsel, want elke

[p. 109]

schrijver meent dat hij een genie is, en wil door de anderen erkend en gehuldigd worden. Bereikt hij zijn doel niet, dan is er geen middel, waartegen hij opziet om zijn tegenstanders ten onder te brengen. Het groote doel, in casu de bevordering van het tooneel, geraakt dan op den achtergrond en grootelijks in verval, waarvan het laatste kwartaal der 17de en het begin der 18de eeuw overvloedige bewijzen opleveren.

Een kort overzicht van ‘De Muiterij en nederlaag van Midas’ moge uw herinnering aan dit stuk weder levendig maken. Het moet een dolgeestige vertooning zijn geweest. Voordat het scherm wordt opgehaald klimmen de twee zinnebeelden Belachal en Nieuwsgierigheid uit den bak (d.i. het parterre) op het tooneel. De eerste wordt voorgesteld als ‘een Jongeling met een bochel, gekleed met grijnzen en speeltuig’; de ander ‘met een kleed vol oogen met vleugels aan handen en voeten’. Zij praten over het nieuwe scherm, dat Apollo en de negen Muzen voorstelt en door Belachal bespot wordt. Nadat ook dit gordijn is opgehaald, ziet men op het tooneel de Nijd, (die zulk een grooten rol speelde in dezen theatertwist!) en genoemd wordt ‘den heraut en legerraad van Koning Onverstand’, dat is Midas. Verder Bedilal, in 't blauw gekleed, vol slangen en drekvliegen; deze draagt ook den naam van ‘Verbeterlust’. Met hem verschijnen Twist, in een veelverwig kleed met een adder op de borst, en Achterklap, ‘in een rood mannelijk gewaad, vol zwarte vlammen, hebbende een dubbel aangezicht’. Deze allen zetten tegen Apollo een samenzwering op touw.

De god van den Parnas heeft koning Midas ezelsooren gegeven, en hem met al zijn vrienden en aanhangers uit het zangperk gesmeten. Allen die hem niet eeren dreigt Apollo ‘met dood en ban en keeten’. Hij heeft

[p. 110]

strenge wetten uitgevaardigd, die door Nijd worden besproken en een geestige kritiek geven op de schrijverij van die dagen: Bedilal zal zich Verbeterlust heeten, ook van kleed veranderen en zich Criticus noemen. Het is Twist die al dezen raad geeft.

 
Bedilal, nu van naam, moet ook van opperkleed
 
Veranderd, gaade slaan, alwaar men tijd besteed
 
In letteroeffening, om 't zyne daar te zeggen,
 
En als Verbeterlust, verachten wederleggen,
 
En hekelen al wat hy hoord, of leezen ziet.
 
.................. ondertusschen
 
Moet gy u uiterlyk bekleeden met al 't geen
 
Maar na geleerdheid lijkt. Haal titelen te leen
 
Van groote schrijvers, en doe aan de wereld blijken,
 
Dat ook de wysheid zelf had willen u verrijken
 
Met diepe kennis, onnasporelyk begrip,
 
En 't zuiverste oordeel: sta op lettergreep en stip
 
Als of er al aan hing; om 't met een titel te uiten,
 
Noem u een Criticus, daar kunt gy in besluiten
 
Al wat u nodig is, om nu ter tijd, als wijs
 
Ook met den gaauwsten geest te twisten om den prijs.

Aan Apollo moet de oorlog worden verklaard. In het 5e Tooneel komt Bedilal dan op: ‘bekleed met bladen van Boeken, Titelnamen van befaamde en groote schrijvers, konstwoorden en wetenschappen in veelerly Taalen’:

 
Twist zegt:
 
Met die ciersels en gewaaden
 
Zult gy Geleerdheid zelf ('k zwijg 't botte grauw) verraden.
 
Heer Criticus, 't staat wel, en 't is een ligte dragt,
 
Onkostelyk, en naar den nieuwen zwier bedacht.
 
 
 
Nijd:
 
Wat leest, wat ziet m' er al Latynsche en Griekse naamen,
 
Wie maakte toch dit kleed?
 
 
 
Bedilal:
 
Dit had gy moeten raamen,
 
Pedantmachinicus.
 
Hy gaf my ook een lijst van ouwe Schrijvers. Vrinden,
 
Waar zal ik nu mijn eerst' en moeilijkst' arbeid vinden?

Eerst moet nu IJver, d.i.: de Schouwburg, waardoor Apollo leeft, van kant worden gemaakt.

[p. 111]
 
Twist:
 
Men help eerst IJver, daar Apol door leeft, van kant,
 
Want deze geeft zijn' magt te grooten onderstand.
 
...................
 
Aldus krijgt Onverstand, ons aller Vorst en Heer,
 
Het wettige bezit, van deez' tijds lett'ren weêr.

Intusschen deelt Bedilal de lessen mede die Pedant hem gaf:

 
'k zal zeggen, wat ik wel het meest
 
Onthouden moet; wat iemand leest,
 
Of schrijft, stout tegenspreeken,
 
Geduurig roepen, 't zyn gebreeken!
 
.............
 
'Tis veel dan, ja schier al te veel,
 
Zoo wy te met uit Frans een deel
 
Van een vertoonstuk overzetten,
 
Dus blijft men vry van regels, wetten, enz.

Bedilal geeft de volgende vermakelijke beschrijving van zich zelf:

 
Zie mij aan,
 
Zo zult gy, wien ik meen, gemakkelijk verstaan.
 
Wilt gy iets weeten? vraag, 'k zal zwygende antwoord geeven.
 
Zie op myn rug, zo gy tot pleitrecht werd gedreeven.
 
Behaagd Genees-kunde u? zie op myn rechter zy.
 
Zo letterweetenschap of grond van rymery?
 
De Mathematica, Rethorika, of 't schrijven,
 
Van Aristoteles, of Kartes u kan drijven
 
Tot oeffening? kom hier, 'k ben een Catalogus,
 
Communis locus, of bevat gy 't best aldus,
 
Een Concordantie van al 's waereld weetenschappen,
 
Die strijdig schynen.
 
IJver vraagt:
 
Zoo weetje ook, hoe men moet, en Treur- en Blyspel maaken?
 
Bedilal:
 
Dat is my geen' kunst, dat zyn myn' minste zaaken.
 
Hier aan bestee ik maar de snippers van myn tyd,
 
Wanneer geen werk my lust van naarstigheid en vlijt.
 
Puntdichten is myn werk, als ik myn pruik moet kemmen.
 
Ha! 't rymen is geen' zaak, die kan by Wijzen klemmen.
 
'k Vertaal uit Fransch byna ook zonder Woordenboek.

IJver en Onzijdigheid ontnemen Bedilal zijn kleed, en jagen hem van 't tooneel.

[p. 112]

Dat hier bepaalde personen gekritiseerd worden, is duidelijk, evenals dat de verzen vol zitten met toespelingen op allerlei eigenaardigheden van de dichters en critici van dien tijd.

Het tweede deel loopt ook daarvan over. Na het beloop hiervan in 't kort te hebben aangegeven, hoop ik eenige van deze toespelingen te kunnen ophelderen.

Het eerste tooneel begint met het optreden van Apollo en de Muzen, aan wie deze zich beklaagt, ‘dat in spijt van zijne wetten, een schuim van menschen hem den voet zoekt dwars te zetten;’ zij zijn opgestookt door Koning Onverstand, den ruwen Midas. Apollo verhaalt, dat hij zijn Veldheer Reden tegen Midas met een leger heeft doen oprukken en verwacht nu zijn terugkomst. Zegekreten verkondigen weldra den terugkeer van Reden, die een troep krijgsgevangenen met wapens en standaarden medevoert. In al deze gevangenen werden bepaalde personen getypeerd en belachelijk gemaakt.

Onwetendheid, Sprinkhaan, Blaaskaak, Speldezoeker, enz. worden achtereenvolgens voor Apollo gebracht en door hem ondervraagd.

De drie veroverde vaandels worden aan Apollo overgereikt. Het zijn: een rood vaandel, waarin kannen, en glazen en toebakspijpen geschilderd zijn; een half groen en geel vaandel, waarin een narrekap geteekend staat, met het opschrift Cubiculum locandum, op een Uylenhoofd met bellen; en ten derde een groote blauwe standaardvaan, waarin een kakstoel met rinkels is weergegeven.

Belachal, die voor spion heeft gediend, is nu ook onder de gevangenen. Als oorlogsbuit wordt aan Apollo getoond:

[p. 113]
 
Dit vond men in des Maarschalks tent:
 
Wat zyn 't? - kritieken niet volend.
 
Waarop? - Ik zie naamplaats open, 't is geschreven,
 
Op al dat iemand uit zal geven.
 
Ap. vraagt:
 
Verwerpt men iet, eer 't ziet het licht?
 
De veldheer antw.:
 
Dat valt die groote helden licht.

Het slot is, dat een hoop pasquillen, bij den vijand gevonden, verbrand worden, dat vrouw IJver (= het tooneel) in haar eer wordt hersteld en dat Apollo Midas (die in 't stuk niet op de planken komt) dreigt af te zullen straffen op zijne hofstede ‘Konstverdriet’.

 

Welke sensatie dit hekelspel nog op dienzelfden oudejaarsavond 1685 gemaakt heeft, in de vroolijk gestemde stad, leeren enkele akten uit de notarisprotocollen, waarvan er reeds, terstond na den Nieuwjaarsdag op 2 Januari zijn opgemaakt.

Iedereen had er den mond vol van; in de koffiehuizen werden de hatelijke toespelingen in de verzen uitgelegd en toegepast op de voorgestelde personen, die maar al te duidelijk door de akteurs waren weergegeven, zoodat men ze met den vinger kon aanwijzen.

Wie, naar 't schijnt, zich het meest gekrenkt gevoelde was Mr. Harmannus Amya, advocaat en schatrijk ijzerhandelaar, van Zweedsche afkomst. (Zie: Wrangel, De Betrekkingen tusschen Zweden en de Nederlanden, bl. 25. Leiden, Brill. 1901.) En toch is 't mij niet gelukt eenig ander verband tusschen hem en de letterkundige beweging in die dagen te vinden, dan dat hij de akteurs van de schouwburgregenten onderhuurde, en dus vermoedelijk in een andere tooneelonderneming betrokken was; en dat hij stukken uit het Fransch vertaalde. Men kan ook wel aannemen, dat hij tot den kring van Nil Vol. Ar. behoord heeft.

[p. 114]

Ik stel me voor, dat hij in 1685 nog tot het jongere geslacht behoorde, want in October 1683 was hij gehuwd met Catharina de Vogelaar en bij die gelegenheid door een massa poëten uit zijn kring bezongen.

In hetzelfde jaar trouwde Anna Rebecca Amya, wellicht zijn zuster, met den vermogenden Carel Hartsinck, en Michiel Amya, die wel een broeder van Mr. Harmannus zal zijn, komt omstreeks 1682 in de notarisprotocollen voor als echtgenoot van Vrouwe Johanna de Geer, een naam uit de eerste families van Amsterdam. Nu heb ik in een notarisakte gevonden, dat deze voorname heer zich haastte om, zooals men 't nu zou noemen, proces-verbaal te laten opmaken van hetgeen op den schouwburg vertoond was, en kwam hij op Woensdag 2 Januari, met twee getuigen, bij den heer Andreas du Moulin, notaris bij den Hove van Justitie te Amsterdam. Deze getuigen waarvan de een, Jasper Lemmers, in die dagen ook onder de akteurs genoemd wordt, verklaarden als volgt:

2 Jan. 1686. Compareerden voor Andreas du Moulin, openbaar Notaris bij den Hove van Justitie, in presentie van de na te noemen getuigen, Srs Jasper Lemmers, makelaar, ende Dirck de Wilde, beyde van genoegsamen ouderdom, woonachtig binnen dese stadt, dewelcke ten versoecke van d' Heer Mr. Harmanus Amia, advocaat, verklaarden en deposeerden: dat sy getuygen op Maandagh den 31 December 1685 op de schouburg alhier zyn geweest, ende aldaer op het toneel hooren en sien spelen hebben een soogenaamd zinnespel: Stryd tusschen Appollo en Midas, off Koning onverstand, verdeeldt in twee bedrijffen, en daer tussen het treurspel Medea; dat zij getuygen in het selve spel van Appollo en Midas, en bisonder in het tweede bedryff, alwaer de gevangen
[p. 115]
poeten voor Appollo in zegepraal gebragt worden, ook hebben gehoort en gesien, dat onder die verscheyde personen haer getuygen off speciael, off van aensien bekent (als de heeren Philip de Flines, den Advocaat de Hooge, Tomas Arans en meer andere) en daeronder mede den requirant, (d.i. Amya) zyn te voorschijn gebragt, ende op een schandelyke wyse voor alle den toezienderen ten toon gestelt en gehekelt, gebruyckende de Regenten van den schouwburg, omme den requirant ende die andere lieden klaer te verbeelden, de kleding, gesten, 't weesen, en dagelyksche manieren van spreeken van de voornoemde lieden, en dat soo openbaer, dat de meeste toe hoorders den requirant ende andre persoonen zoo ziende verbeeld, de selve (soo de eerste getuyge op de schouburg en de tweede in de publicque Coffy huysen gehoort heeft) noemde en tegen malkandre zyde: dat is Amia, (die zy verbeelden met dat root aansicht) en diergelycke, dat is Lingelbag, dat is de Flines, dat is Tomas Arans, en zoo voort; twelk zy getuygen als sulx gehoort en gesien hebbende, nader presenteeren te stercken.
Actum den 2 January 1686, present Jannes Bondroit, en Dirk van Linnick als getuigen.

Jasper Lemmers. Dirck de Wilde.

Het verwondert mij, dat van de vijf personen, die in het zinnespel werden opgevoerd, volgens deze akte, slechts twee eenigen naam hadden in de toenmalige letterwereld, n.l. Thomas Arendsz., de vertaler van Racine's Bajazet (1682) en Lingelbach. Philip de Flines, Advocaat de Hooge en Harman Amya mogen rijke en veelvermogende leden van Nil Volentibus Arduum geweest zijn, als schrijvers komen hunne namen niet voor. Maar in tal van andere personen van het stuk en in een groot aantal figuranten

[p. 116]

had de auteur nog overvloedige gelegenheid om zijn vijanden op het tooneel te brengen en belachelijk te maken.

Ik vestigde er reeds de aandacht op, dat een der twee deposanten, Jasper Lemmers, akteur was, en, zooals later blijken zal, tot de partij van Amya behoorde. Hij had in 1680 de klucht ‘De jaloersche Lammert’ gemaakt.

Een akte, een jaar later opgemaakt, weder op verzoek van Amya, leert ons nog tal van nieuwe bijzonderheden kennen over den maker van 't stuk en de voorgestelde personen. De naam van den auteur was aanvankelijk niet bekend, maar Amya gaf zich alle moeite om er achter te komen.

In April 1687 komt de bekende bentgenoot van Nil V.A., Dr. Ludolph Smits met zijn vrouw, op verzoek van Amya voor denzelfden notaris Andr. du Moulin verklaren, dat doctor Goverd Bidloo, tegenwoordig regent van den schouburg, in den jare 1685, zoo in de maand van November als December, aan hem deposant ten zyne huyse verscheyden malen heeft voorgelesen seeker pasquil onder de naam van Stryd tusschen Apollo en Midas, Konink Onverstant, welk pasquil hy Bidloo seyde, daartoe gemaakt te hebben, om door hetselve verscheyde heeren, in specie d' heer Philip de Flines, den heer advocaat Romein de Hooge, neffens den requirant, op het schouburg ten tooneele wakker door te strijken .....

Dat hy deposant daarop den 31 Dec. 1685 synde Maandag en den volgenden Donderdag (3 Jan.) dat pasquil op den schouburg heeft sien vertoonen, en dat hy alvorens is present geweest, toen dit pasquil door de speelders is geprobeert, en aldaar gezien en gehoort heeft, hoe Bidloo de speelders dresseerde om hierboven genoemde heeren en verscheydene anderen, door haare actien op hen, schimpelykst af te laaten beelden, opdat sy hierdoor nog

[p. 117]

te beter aan de aanschouwers souden bekent worden. Dat vorders om de heer Philip de Flines te verbeelden men hem had beteekent door zyn liefhebbery voor herbariseeren, alsmede door seekere fraude, die Bidloo seyde dat hy, de Flines, zoude gepleegt hebben omtrent eenige vaatjes koopere munt. [Zie bl. 122.] Dat ook om d' heer advocaat de Hooge te decerneeren men hem had ingevoerd als een mathematicus en een pedant criticus, alsmede dat men had aangeweesen zyn liefhebbery omtrent het teekenen van blomperken, en omdat men hem toch wél zou kennen, zyn voornaam laten influeeren in het volgende vers, 't welk luyde omtrent in deser voege:

 
‘en die by grieken en romeinen
 
geen vers spreekt als in drie termynen.’

Dat vorders de requirant (d.i. Amya) verbeelt werd door de persoon van den veltheer van koning Midas; verklaart hy deposant verder, dat na die tyd Govaard Bidloo, had voorgelesen een ander pasquil, twelk mede met syn eigen hand geschreven was en waardoor hy, Bidloo seyde de bovengenoemde heeren op 't nieu te willen afschilderen, en zulx ter occasie van het spelen van de opera te Buycksloot te sullen laten vertoonen, in welk tweede spel hy dan voornemens was, om in een oproer en bataille koninck Midas en zyn veltheer te doen vangen en dan Midas, beteekenende de heer Philips de Flines, seer haatelyk toegemaakt op een levende ezel te laaten op 't tooneel komen, zullende averechts zitten met de staart in de hand; gelyk ook de heer advocaat de Hooge daar in 't begin van 't pasquil soude ingevoert worden als de gecommitteerde fabriek tot het bestek van de Opera. Dr. Smits en zijn vrouw gaven voor redenen van wetenschap, dat zij voor en na het spelen van 't stuk, ten huize van Bidloo familiaar hebben omgegaan.

[p. 118]

Uit een verklaring van 23 April in 't zelfde jaar blijkt nog, dat Goverd Bidloo, naar aanleiding van de opvoering van zijn zinnespel voor Burgemeesteren is ontboden, die hem er over onderhouden hebben.

Aan de hand van al deze gegevens is het mogelijk meer licht te brengen in de toespelingen op allerlei feiten en personen, waarvan Bidloo's zinnespel overloopt en die het juist interessant maken.

Belachal, volgens de lijst van vertooners, een jongeling met een bochel, is zeker Thomas Arendsz, die als spion wordt voorgesteld en in de schimpdichten van die dagen dan ook wordt bespot als een overlooper, nu eens met Nil Vol. Ard., dan weêr met de schouwburgregenten heulende. Eén daarvan ‘Op het licht-geloovige Thomasje’, begint als volgt:

 
‘Is dan 't kleen mannetje, dat syn Verweende geest
 
Wel tienmaal grooter waant als syn bekrompen leest,
 
Mede een Verradertje geworden buyten reden,
 
Die Govard volgt op 't spoor van syn meineedicheeden,
 
Hoe kan dat mooglyk syn? hy die het hart zo hoog
 
Gelyk syn buchel heeft, en met een Arends-oog
 
Al lang de dievery van snyers hand beloerden’,1 enz.

Als Philip de Flines gehekeld wordt, komt ook de aard van Belachal weer aan den dag. De Flines, een rijk zijdehandelaar en lakenfabrikant, had in 1676 de nog bestaande hofstede Spaar en Hout, tusschen het Spaarne en Den Hout te Haarlem gekocht,2 en schijnt ook een der ijverige leden van N.V. Ard. geweest te zijn. In het zinnespel is de Flines Midas, doch hij treedt er niet in op. Daar hij als hoofdpersoon wordt voorgesteld, moet men dus aannemen, dat hij in N.V. Ard. een voorname plaats bekleedde, al is 't mij niet gelukt eenig letterkundig

[p. 119]

product van den man te ontdekken. De reeds vermelde zinspeling op zijn liefhebberij voor herbariseeren, waartoe zijn hofstede hem veel gelegenheid gaf, wordt hier ook gevonden.

Onder den veroverden ‘hoofdstandaard van 't muitend heir’ wordt Belachal voor Apollo gebracht, en de volgende dialoog gehouden, waarin de Flines wordt gehekeld:

 
Apollo tot Onweetendheid:
 
Waar houd zich uwe Heer?
 
Onw.
 
Op Konst-verdriet zijn hof.
 
Ap.
 
Is Nyd nog als wel eer
 
By hem in aanzien?
 
Onw.
 
Ja.
 
Ap.
 
En Haat?
 
Onw.
 
Meêr als voor deezen,
 
Ap.
 
En Achterklap?
 
Onw.
 
Die kan daar leeven zonder vreezen.
 
Ap.
 
Wie werft hy?
 
Onw.
 
Die hy ken, ook ken ik ze allen niet ....
 
Ap. tot Belachal:
 
Wel nu, vang uw' vertelling aan;
 
Hoe leeft Vorst Midas, met wat vrinden?
 
Belach.
 
Meest zal m' er Haat en Nijd wel vinden.
 
Hy spild veel geld, veel tyd, en eer,
 
(Maar 't laatste heeft hy nu niet meêr)
 
Om zyn' verwaantheid uit te voeren,
 
Uw hof en landen om te roeren.
 
Maar daar hy ook met u om twist,
 
Is, dat gy grooter Botanist
 
Wilt weezen, als hy zich laat maaken; enz.

Nu komt Amya aan de beurt, die als Veldheer van Koning Midas werd opgevoerd:

 
Dat groot beladen aangezicht,
 
Dat zich wil bergen voor uw licht,
 
Dat twiste in 't eerste van ons krijgen,
 
Ja wou voor Midas zelf niet zwijgen;
 
Bezie zyn tronie z' is heel fier,
 
Gelyk een opper grenadier;
 
Hy is des Veldheers Commissaris
 
Der Amonitie, Secretaris
 
Des loozen handels, kort en dom,
 
De roervink van den heelen drom,
 
Een dicht-vertaler van de speelen,
 
Die me ons uit Vrankrijk meê komt deelen.
[p. 120]

Uit dit portret herkent men Amya, dien zij, volgens de akte, ‘verbeelden met dat root aansicht’, en wiens letterwerk dus bestond uit fransche vertalingen.

Vervolgens wordt de advocaat Romeyn de Hooge voor Apollo geleid. Noch omtrent zijn persoon, noch van zijn letterverdiensten is mij iets bekend. Hij is het, die als mathematicus en pedant-criticus wordt voorgesteld, en in zijn liefhebberij voor bloemperken wordt bespot. Wellicht slaat hierop de naam Sprinkhaan, dien hij in 't spel draagt. In het opvoeren van opera's te Buiksloot, toen de stadsregeering het vertoonen van stukken buiten den schouwburg verboden had, schijnt de Hooge ook de hand gehad te hebben.

Of de gelijknamige graveur aan hem verwant was, kan ik niet met zekerheid bevestigen. Wel heeft de graveur een paar scherpe satirieke prenten tegen de schouwburgregenten geteekend.

Volgens de notarieele verklaring slaan twee verzen op de Hooge. In 't stuk, gelijk het is uitgegeven, is daarin een kleine verandering gebracht, waardoor de toespeling op den naam vervalt. Zij luiden daar:

 
Nieuwsgierigheid vraagt:
 
Nu zeg eens op, wie is die man,
 
Die zo verheven spreken kan,
 
Gelyk by poozen en by nooten?
 
Die Sprinkhaan, op zyn' mugge pooten?
 
Een Critico Pedanticus,
 
Poëtico Politicus,
 
Mechanico Mechinicus,
 
Een Archi-archi Musicus;
 
Die, spyt de Grieken en Latynen,
 
Geen vaars spreekt, als in drie termynen.

In de akte staat: ‘En die bij Grieken en Romeinen’. Wellicht een verandering van den lateren uitgever, om het al te persoonlijke weg te nemen.

[p. 121]

Een ander, niet minder ijverig lid van Nil V.A. was David Lingelbach, ofschoon hij zich noemt ‘een van de geringste Leden’. Hij was een zoon van den gelijknamigen herbergier, die op de Rozengracht het Nieuwe Doolhof heeft gesticht, en is bekend door een aantal vertaalde en oorspronkelijke tooneelstukken. Ofschoon ook hij in 't zinnespel wordt voorgesteld, is het bij gebrek aan kennis van 's mans eigenaardigheden, niet mogelijk te ontdekken onder welken naam David Lingelbach geparodieerd wordt.

De verzen die Belachal uitspreekt over de leesteekens slaan op de door N.V. Ard. ingevoerde accenten, volgens het eerst later gedrukte boekje ‘Verhandeling van der Letteren affinitas of Verwantschap; van het gebruik der accentus’, enz. waarvan als auteurs worden genoemd: Dr. Meijer, Pels en W. Blaeu. Meijer en Pels waren echter al overleden toen het zinnespel gemaakt werd, zoodat de volgende verzen misschien alleen op Blaeu slaan, die dus dan als Speldezoeker is opgevoerd:

 
Dat's comma, punt, parenthesis,
 
Ook noemt men hem N tuttel ende,
 
Een oorzaak van zyn eige ellende.
 
Die meent te sterven van verdriet,
 
Als hy verkeerde accenten ziet.
 
Hy heeft by O, en E gezwooren,
 
De letterkonst door 't hart te booren,
 
Omdat K dubbele U wykt voor Q; enz.
 
Apollo vraagt:
 
Hoe is zyn eige naam?
 
Belachal:
 
Hy heet,
 
Heer, Speldezoeker.

Vrij duidelijk is de toespeling op Dr. Johannes Bouwmeester, een voornaam lid van N.V. Ard. en vriend van Spinoza. Hij kende veel talen, o.a. Arabisch en andere Oostersche spraken en verbleef lang in Italië. Hem meen ik te herkennen in de volgende verzen:

[p. 122]
 
Nieuwsgierigh.
 
Wie staa daar zoo gevoerd en glad,
 
Gelyk een kaarzemaakers kat?
 
Belachal.
 
Die speeld den fynen dichtgeleerde;
 
Dat's hy, wiens raad Vorst Midas eerde,
 
Toen hy te zeer op goud gesteld,
 
Zyn hart vond van berouw gekweld.
 
Die wouw een gauwen geest weêrleggen.
 
Die weet van Grieks gedicht te zeggen.
 
Die spreekt van Aristofanes,
 
Van Eschilus, en Sofocles,
 
Van Sirische, en Hebreeuwsche schriften,
 
Op zyn Rabyns in zin te schiften.

Doch stappen wij af van dit zinnespel, waarvan de tallooze toespelingen toch met geen mogelijkheid volkomen te verklaren zijn.

Eéns wordt de advocaat Amya nog met name genoemd; de eenige maal dat een lid van Midas' gevolg persoonlijk wordt aangeduid. Het is als de krijgsbuit wordt onderzocht en Apollo vraagt:

 
Wat boeken zyn dat?
 
Reden.
 
'Tzyn twee Fransche woordenboeken.
 
Belachal.
 
Heet dat vertalen, dat men ieder woord moet zoeken?
 
Nieuwsgierigh.
 
Wat is dat kleene pak?
 
'Tzyn brieven, dit adviezen
 
Van Raadsliên, die om eer en achting te verliezen,
 
Alleen bekend zyn, met den naam van votre Ami, enz.

Amya blijkt zich dan ook deze Satire het meest van allen te hebben aangetrokken. Dat hij zich heeft trachten te wreken door allerlei misbruiken, die in het bestuur van den schouwburg waren ingeslopen, te doen constateeren, valt op te maken uit eenige notaris-akten, die ik straks in 't kort zal weergeven.

Goverd Bidloo, de maker van dit pasquil, werd kort na de opvoering het mikpunt van een menigte schimpdichten, waarvan er ook vele tegen Jan Pluimer, zijn mederegent in den schouwburg, gericht waren, welke laatste natuurlijk een groot deel in de verantwoordelijkheid toekwam.

[p. 123]

Lambert Bidloo, de broeder van den doctor, werd daarbij ook niet vergeten. Blijkbaar had hij een rol vervuld in 't zinnespel, en was daarin als zanger opgetreden. IJver (de schouwburg) heet hem als volgt toe te spreken in een pamflet:

IJver aan Lambert Smuijger, Broer van Midas Bidlo.

 
't Is tyd, dat ik U trek het masker van 't gezigt,
 
Om u te zetten op den voorgrond in het ligt ....
 
Wat waard gy ràzend van een valsche Godheid vol
 
Toen gy de zotte stryd van Midas en Apol
 
Hielp zingen! schor van toon, wat mogt gy toch beginnen?
 
Want gy verloor de stryd, wen gy die dacht te winnen.
 
Och, gloeyde uw neus zoo zeer van schaamte als kracht van wyn,
 
Licht zou myn dicht dan nog tot uw verbeetring zyn.

Nog een andere medespeler valt aan te wijzen door een puntdicht, verschenen op Midas' spel; namelijk Anthony Bogaard, die een bewerking van de klucht ‘Nieuwsgierig Aagje’ op zijn rekening heeft. Hij trad op in het naspel als briefdrager en zegt de zooeven genoemde verzen op Amya in den rol van Reden, Apollo's veldheer.

Het puntdicht zegt van hem:

 
Die in het naspel speelt van Havik Koppelaar1
 
En Lammerd Smuyger, voor briefdrager makelaar,
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 
Dat is het plompste beest, die lompe Bogaard Uyl, enz.

Het geestigst was evenwel de onbekende, die Bidloo en de zijnen met gelijke munt betaalde en op zijn manier een uitlegging gaf van de geparodieerde personen, door daarvoor den auteur met zijn mederegenten van den schouwburg in de plaats te zetten. Kort na de voorstelling verscheen een vliegend blaadje, als volgt betiteld:

[p. 124]

De sleutel of uitlegginge over de Perzoonagien over het Zinnespel: Stryd tusschen Apollo en Midas, Koning Onverstand.

Apollo: het konstgenootschap Nil Vol. Ard.

Zyne Aanhangelingen - In magnis voluisse sat est.

IJver: Philippe de la Grue.

Vrolykheid: Jaspar Lemmers.

Midas (Koning Onverstand): Goverd Bidloo.

De Veldheer: Jan Pluymer.

Geheimschrijver: Doctr Bernagie.

Spinnekop: Pieter de la Croix.

Horzel: Thomas Asselyn.

De man met het rood aangezicht: Lambert Bidloo.

Bedrog: Bogaert, de Poëet van nieuwsgierige Aagje.

Nyt, Gunsteling van Koning Onverstand: H. Amya.

Blaaskaak: Webber Poëet van Antonius en Cleopatra.

Archicriticus: Doctr Petrus van den Bosch.

Belachal, Momus: Frans Rijk.

 

[Alles is onderteekend met de spreuk van Bernagie:]

Latet quoque utilitas.

 

De ongelukkige Harmannus Amya komt er weder het slechtst af: hij wordt zoowel door voor- als tegenstanders in het gevolg van Midas geplaatst, maar nu als ‘gunsteling van Goverd Bidloo’, die zijn felste vijand is! En toch had Bidloo in 1683 nog het huwelijk van Amya met Catharina de Vogelaar in hartelijke verzen bezongen, waarin hij hem prijst als een trouw vriend!! - 't Kan verkeeren.

Tot de spotblaadjes, die van de zijde der leden van Nil Vol. Ard. tegen de schouwburgregenten gericht zijn, als gevolg van Bidloo's zinnespel, moet m.i. ook gerekend worden een allergeestigst prentje, geteekend door Romein

[p. 125]

de Hooge, en vermeld bij Muller, Historieprenten onder No. 3523, op het jaar 1716. Alles in de voorstelling slaat evenwel op de dagen der Muiterij van Midas. Tot toelichting van den verkleinden afdruk van dit prentje diene het volgende:

Voor de ruïne van de poort des schouwburgs, met den bijenkorf, zitten twee kunstrechters (Aristarchus en Zoïlus?)



illustratie

De Amsterdamsche Schouwburg in 1680-85. Naar de prent van Romeyn de Hooge. Uit de verzameling - R.W.P. de Vries te Amsterdam.


op verhoogde zetels. Zij laten allerlei poëten, met ezelsooren, ossekoppen, een zotskap en een uil getooid, door de poort binnentreden. Ook Jan Pluimer, kenbaar aan een hoofddeksel met een reusachtige pluim, en een roemer wijn in de hand, wordt door de rechters binnengelaten,

[p. 126]

met een volgeling, (wellicht de la Croix) die een schotel met een taart of pastei draagt, en de sleutels van den schouwburg aan zijn gordel heeft hangen. Pluimer kijkt om naar zijn mederegent Govert Bidloo, met doctorale toga en baret, die bezig is, met de geldkist van het wees- en oudemannenhuis er van door te gaan, terwijl zijn handlanger reeds met een ander geldkistje op weg is. De weezen en de arme ouden en zieken, door Bidloo geplunderd, smeeken om ontferming. Een oude man slaat er met zijn kruk op los.

Twee vrouwen, de Amsterd. Schouwburg en Thalia voorstellende, staan treurende aan de andere zijde van de poort, waarheen een andere man met een stok de gehoornde poëten drijft. Binnen deze staat Apollo in een nis, versierd met de borstbeelden van Vondel, Hooft en Brederode, met het opschrift: Procul este profani. Hij laat de binnengekomen poëten met geeselslagen verdrijven; dezen vluchten naar den anderen kant binnen den muur en loopen naar een deur, waarboven de jonge Bacchus met een glas in de hand op een wijnvat zit, en druiven uithangen, terwijl vroolijke vrouwen de dichters noodigen om binnen te komen. Den berg Parnassus met Pegasus, die zich op den achtergrond vertoont, gaan slechts weinig dichters op. Mercurius is met hen. De gevilde satyr Marsyas hangt aan den opgang van den berg als een afschrikkend voorbeeld aan een boom gebonden.

Zoo wreekten zich de mannen van Nil Vol. Ard.

Maar Harmannus Amya zocht nog op eigen gelegenheid voldoening voor den smaad hem aangedaan op het tooneel. Het is opmerkelijk, hoe de notarieele verklaringen, die hij deed afleggen, in vele opzichten de voorstelling van de hoofdondeugden der schouwburgmannen op het prentje bevestigen.

[p. 127]

Op 10 April 1687 deed Amya voor notaris du Moulin, door Anna Santvoort, [zie bl. 131,] wed. van Isaac du Cour, casteleine van den schouwburg, getuigen, dat in Augustus 1680 de regenten, inzonderheid Jan Pluimer, aan haar hebben geordonneert en belast de boeken en rekeningen van de inkomsten en uitgaven door regenten gehouden, en dewelke gewoonlijk in den schouwburg werden opgesloten, vandaar te transporteeren en te brengen ten huize van Dr. Lod. Meijer. Zij heeft ze daar gebracht. En dit was na den tijd, toen de magistraat aan de regenten de behandeling van het geld had benomen, en zij genoodzaakt waren rekening te geven van hun administratie. Deze order was aan de casteleines gegeven door Pluimer, buiten tegenwoordigheid van zijn mederegent Pieter de la Croix, omdat die hun suspect was, en al te zeer genegen voor het interest van de godshuizen. Ook verklaarde Anna du Cour, dat sedert aan Regenten de administratie was ontnomen, veel buitengewone onkosten waren gemaakt, dat alles op de bestuurskamer was vernieuwd; dat Pels en zijn mederegenten verschillende poeeten hebben opgestookt dat zij geld voor hun spelen moesten verlangen.

Goverd Bidloo had regenten toen geholpen, om de rekening van den schouwburg goed te maken. Verder verklaarde zij, dat de behandeling van 't geld sedert aan de regenten was ontnomen, en deze ‘hun seer nydig en misnoeght’ tegen regenten van de Godshuizen hebben getoond.

Dit alles was dus geschied lang voor de Midas-vertooning, want in '84 stierf Meijer. Doch 't was Amya te doen om een authentieke verklaring te hebben van het ergerlijke wanbeheer, waaraan Pluimer en de zijnen zich hadden schuldig gemaakt.

Op 28 Mei 1687 verklaren, op verzoek van Amya, twee personen voor den notaris David Stafmaker Varlet,

[p. 128]

hoe waar is, dat Jan Franco, eertijds in dienst geweest zijnde van den schouwburg, heeft geconfesseerd, dat de boeken van de inkomsten van den schouwburg waren op 't vuur gesmeten en verbrand.

Maar een paar weken vroeger had Amya eenige getuigen gevonden, die hem voor den notaris nog merkwaardiger verklaringen konden geven omtrent het leven door Pluimer, Meijer en Pels in den schouwburg en op rekening van deze instelling geleid. Op 14 Mei 1687 nam notaris du Moulin in zijn protocol een acte op, die in hoofdzaak het volgende bevat:

De getuigen waren door wijlen Andries Pels verzocht om te komen in zekere tuin en huizinge, gelegen op de Keizersgracht, die Pels voorgaf tot zijn particulier vermaak en commoditeit gehuurd te hebben. Toen zij er, met goedvinden van Pels, eenigen tijd zijn gaan wonen om er te dienen, bevonden zij dat die tuin en huis hem in 't particulier niet aangingen en zijn naam alleen als pretext was gebruikt, en zij eigenlijk voor rekening van den schouwburg gehuurd waren, opdat de gezamenlijke regenten aldaar met hun vrouwen hun vermaak en lust zouden oefenen, tot welk einde Pluimer, Meijer en Pels niet manqueerden om aldaar, meestendeels met een groot geselschap te verschijnen. Zij hadden de gewoonte van niet weg te gaan, voordat zij eerst gecollationeerd, ofwel gegeten en godronken hadden. Er waren in dien tuin ook ‘zeer kostelijke maaltijden gehouden, alwaar Regenten dan collegialiter bij den anderen waren met de vrouwtjes, dewelke dan nog ieder met een welgestoffeerde schotel banquet tot een toegift wierden geregaleert.’ Somtijds had de een, dan de andere regent den sleutel van den tuin, en sloot de deur op en kwam met zijn geselschap daarin en disponeerde over alles, ordonneerde en

[p. 129]

commandeerde als eigen. Jan Pluimer en Dr. Meijer hadden het meeste genot van allen. Deze manier van leven kwam aan de getuigen vreemd voor, waarom zij aan Pels vroegen, waarvan hij zooveel onkosten maakte, waarop hij lachende tot antwoord gaf: ‘gij verstaat u die rekening niet; gij moet die verdere regenten van den schouwburg ten dienst staan evenals mij.’ Steeds stond er een vat wijn of twee gereed, waarvan iedere regent, als hij kwam met zijn gezelschap, zijn gebruik nam, wordende de onkosten, die gemaakt werden niet door Pels, maar op den schouwburg door den regent, die dan aan de kas zat, betaald.

Het valt, na het vernemen van deze vermakelijke bijzonderheden, niet te verwonderen, dat de pachters slechte zaken maakten en de weeshuiskinderen weinig profiteerden van de opbrengst van den schouwburg. Na den dood van Meijer verklaarden Pluimer en de la Croix, dat zij ruim ƒ 13.627 verloren hadden.

Nu is het duidelijk, waarom op het spotprentje Pluimer, met een wijnroemer en een pastei bij zich, wordt voorgesteld en Bidloo, die reeds toen veel invloed op den schouwburg had, staat afgebeeld met de geldkist onder den arm, die de arme weezen en zieken zich met smart zien ontnemen.

Amya kon zich, met deze notariëele akten gewapend, verschrikkelijk wreken over de bespotting, die Pluimer en Bidloo hem en zijn vrienden op het tooneel hadden aangedaan door het ‘Zinnespel.’

Al moet men het afkeuren, dat een man van groote geleerdheid en ontwikkeling, als Bidloo, die ver verheven was boven de minderwaardigheden, die hem omringden, tot zulk een hatelijke en persoonlijke satire zijn toevlucht heeft genomen om zijn wraak te koelen, zijn zinnespel tintelt toch van geest en fijne ironie.

[p. 130]

Hij alleen, die zoo juist de gebreken van die beunhazen in de tooneelkunst inzag, vermocht hen zóo op hunne fouten te wijzen. Hij kón het niet nalaten een satire te maken. ‘Difficile est satyram non scribere’. De letterkunde moest gezuiverd worden van die ziekte van dilettantisme en betweterij.

 

Enkele karakteristieke voorvallen in de notarisprotocollen vermeld, gunnen ons nog aardige kijkjes op het verdere Amsterdamsche tooneelleven, zoowel van het publiek, als van de akteurs en aktrices.

Betrekkelijk weinig in aantal en beteekenis zijn de gegevens, die wij tot nu toe op dit gebied bezitten.

Op 26 Juni 1679, Vondels sterfjaar, was er een voorstelling van fransche spelers, waarbij iets voorviel, dat in onze dagen ondenkbaar is, een gevecht met blooten degen onder de toeschouwers. Het kón niet beter geschilderd worden als in de akte, direct na het feit opgemaakt.

Uit het onderzoek door den Hoofd-Officier, Hendrick Roeters ingesteld, blijkt dat de portier, Jan Fransen, verklaarde, dat op 't einde van den avond, toen het spel van de fransche acteurs bijna was afgeloopen, door hem binnen in de Comedie een groot geweld en commotie gehoord werd toen hij voor aan de deur in functie stond. Een groot gedrang van menschen kwam naar buiten, waaronder de heeren Velters en Bontemantel, hebbende ieder een blooten degen in de hand ‘wesende seer perplext en gealtereert.’ De portier vernam dat Velters iemand gekwetst had. Zij zijn met den stroom op straat geraakt.

Uit een ander verhoor den volgenden dag blijkt, dat Velters zich toegang had willen verschaffen zonder biljet. Toen de portier dit weigerde kregen zij woorden en trok Velters zijn degen, waardoor de portier aan de hand ge-

[p. 131]

wond werd. Dus een gewoon standje, vermoedelijk van een brooddronken jongmensch met een vriend.

In het begin van Juli van hetzelfde jaar was er weer rumor in den schouwburg, doch in 't voorportaal bij de spelers. De akte is weer zoo levendig van schildering dat men meent er bij te zijn.

Wederom een verhoor voor den Hoofdofficier, 25 Aug. 1679. Adriana Eeckhout, huisvrouw van Nicolaas Rigo, en deze, gewoon akteur op den schouwburg, verklaren, dat zij in het voorhuis van den schouwburg samen present waren, en gezien hebben, dat de dochter van den kastelein, Anna du Court, zich, komende van het tooneel, zeer onbehoorlijk heeft gedragen tegen Adriana Eeckhout. Zonder eenige aanleiding riep zij haar toe: ‘Daar komt dat Venusie aan’, waarop deze antwoordde: ‘dat zij, moetende wat van haar hebben, het van haar afhalen zoude.’ Anna du Court gaf haar hierop, ‘in vuyle boosheit ontsteeken, een seer forcelijke slag in het aangezicht en trok haar de kap aan stukken van 't hoofd.’ Adriana Eeckhout werd door haar bij de hand gegrepen, zoodat de tweede vinger van de linkerhand gebroken werd, en op het buitenste van de hand bleef liggen. Zij werd door een barbier verbonden. Juffr. Susanna van Leen, die de moeder van Adriana was, kreeg ook verscheidene slagen. Door een van de regenten werden de vechtende vrouwen gescheiden.

Welken prijs de schouwburgregenten betaalden voor de levering van tooneelstukken, wordt in de volgende akte duidelijk, die een insinuatie bevat van het kunstgenootschap ‘In magnis voluisse sat est’, aan de schouwburgregenten wegens niet betaling van geleverde stukken. Dit valt op 17 Sept. 1685.

De notaris I. Commelin heeft zich vervoegd bij Jan Pluimer en Pieter de la Croix, ‘als Regenten van 't Schou-

[p. 132]

burg dezer stad, en deselven uit den naam van de heer Jan de Witt, medicinae doctor, zoo voor hem zelve als instaande en hem sterk makende voor de verdere leden van het Konstgenootschap tot een zinspreuk voerende: ‘In magnis voluisse sat est’, geïnsinueert 't geene volgt: De Insinuant, in zyn voorsz. qualiteit zegt dat eenige der leden van 't voorn. Konstgenootschap, zoo voor haar zelve als in den name van haar verdere geïnsinueerde nu omtrent vier jaer geleden, ten tyde dat gy den voorn. schouburg eerst hadde gehuurt, en in allerhoogdringendste nood waart, in de herberge de Munt ten overstaan en in 't bywezen van Abraham van den Bogaerd, handelende en contracteerende nopende de leverantie van eenige treurspelen door het voornoemde Konstgenootschap toen gemaakt en naderhand nog te maken, gy geïnsinueerde, nadat gy de eisch van de voorn. Konstgenooten had gehoord ter somme van 100 silvere ducatons voor ieder treurspel, met deselve zo verre eens geworden zyt, haar niet alleen de vorengenoemde penningen te accordeeren, maar daarenboven te beloven op peene van voor geen eerlycke lieden te zullen werden erkent, in gevalle gy niet meer, als der voornoemde konstgenooten eisch was, aan haar zoudt komen te geven; zeggende daar nevens dat gy geïnsinueerdens daarvan wel een contract zoude teekenen, ingevalle gy u aan den anderen niet met eede hadde verbonden van diergelyke contracten, door u met Poeeten aangegaan werdende, niet te teekenen; waarop dan is gevolgt dat de voorsz. konstgenooten ingevolge van hare plicht aan u geïnsinueerdens zedert de voornoemde tyd hebben gelevert de quantiteyt van vier treurspellen als Bajazet, Berenice, Phedra en Hypolitus, en Agamemnon, die ook alle door u van tyd tot tyd ten tonele zyn gevoert en door u geïnsinueerdens het effect

[p. 133]

daarvan genoten, zulks dat de voornoemde konstgenooten aan haar kant in alle gevallen hebben volbracht dat geene waartoe zy by de voorn. overeenkomst waren verbonden, daar gy geïnsinueerden in tegendeel de onbeschaamtheid hebt gehad, niet het allerminst van 't voornoemd geconvenieerde te presteeren, maar de voorn. konstgenooten met complimenten en eindelyk met onverdiende impertinentie, en injurien af te wyzen, waaromme hy Insinuant, in zyne voorsz. qualiteit u geïnsinueerde by deze door ons Notaris en getuigen doet aanzeggen, dat gy u niet zult hebben te verstouten, of imant van uwentwegen een van de hier boven genoemde treurspellen te doen spelen, voor en aleer gy 't voorn. gecontracteerde aan u kant zult hebben gepresteert, en de vierhondert dukatons, die gy geïnsinueerde schuldig zyt, aan hem Insinuant, in zyn voorzegde qualiteit ofwel aan 't voorsz. konstgenootschap zult hebben voldaan,’ enz.

Waarop de geïnsinueerden antwoordden, dat zy verzochten copie van de insinuatie, enz.

Slechts met veel moeite vermochten de regenten hun monopolie omtrent het geven van tooneelvertooningen te handhaven. Telkens trachtten andere gezelschappen in of bij Amsterdam voorstellingen te doen geven, nu eens in Buiksloot, dus buiten de jurisdictie van Amsterdam, dan weer voor de Haarlemmerpoort, welk gebied nog wél onder de stad behoorde. Dit laatste was in October 1685 het geval. Twee mannen waren als verspieders naar een tent gezonden, buiten de poort, en constateerden een verboden voorstelling, zooals zij voor den notaris Commelin verklaarden:

3 October 1685, protocol v. Notaris Commelin. Hendrick Graal 39 jaar en Johannes Verbiest 30 jaar, verklaren ten versoeke van Regenten van den Schouburg, dat zy

[p. 134]

op sekere avond hebben bezocht op verzoek van deselve Regenten in zekere Tent, staande op het plein voor de Haarlemmer poort aan de zuidzyde, alwaar zy getuigen hebben zien vertoonen, eerstelyk vier of vyf vertooningen verbeeldende de dood of lykstaatsie van den Koning van Engeland, daarna het spel van Jupiter en Semele en voor het laatst de klucht van de 3 kwade Grieten, (Worp, Drama en Tooneel, I, 221, 448) durende in alles omtrent den tyd van 2 uren, zonder dat aldaar eenige marionetten of iets dat daarna geleek vertoond wierd, maar zynde hetselve niet anders als tooneel spel en klucht, en werdende uitgevoert met sprekende personagien gelyk als dagelyx op de voornoemde schouburg geschiet. Willende dit te alle tyde onder eede bevestigen.

In 1687 waren David Lingelbach en Jan Koenerding pachters van den schouwburg. Zij hadden dien gehuurd voor ƒ 17.000.- doch hielden het niet lang uit en dienden reeds het volgende jaar aan burgemeesteren een verzoekschrift in om van de huur ontslagen te worden. In verband met dit verzoek kunnen de beide akten beschouwd worden, waarbij regenten aan de akteurs het contract opzeggen en de akteurs bij regenten laten insinueeren om betaling van hun toelage. Voor de kennis van de toen spelende akteurs is dit stuk van belang.

Reeds op 15 Mei 1687 gaat de notaris L. Meijer, op verzoek van Regenten, tot de navolgende spelers, die dus in één huis schijnen te wonen: Hermanus Brinkhuyzen en vrouw, Harmanus Benjamin en zijn vrouw, en bij de vrouw van Willem v.d. Hoeve, die afwezig was; bij Nicol. Wagtendorp en zijn twee dochters Agneta en Aletta; bij Harmanus Koning, Willem v. Heyningen en Steffeny Koning. Eveneens bij Isabella Petit, en de vrouw van Gerrit van den Kamp, die zelf absent was.

[p. 135]

Zij worden aangezegd, dat zij uit den dienst ontslagen worden, en worden betaald tot den dag van heden. Een vreemde toestand, dat de akteurs op staanden voet ontslagen kunnen worden.

Maar op 31 Juli 1688 had H. Brinkhuyzen nog niet zijn geheele toelage ontvangen, nadat hij blijkbaar een nieuwe overeenkomst had gemaakt, en insinueert hij aan Regenten daarover door notaris Commelin.

Insinuatie uit naam van Harmanus Benjamin aan David Lingelbach. De Notaris heeft zich op verzoek van Benjamin vervoegd op den Schouwburg. ‘Vermits hy David Lingelbach niet te spreken kon krygen en Mr. Jan Coenerding het exploit voor hem aannemen wilde, heeft hij gedaan de volgende protestatie: H. Benjamin zegt, dat hy met Lingelbach op 9 Aug. 1687 ten overstaan en door tusschenspreken van den makelaar Pieter Steenhuisen is geconvenieert en overeengekomen, dat hy en zyn huysvrouw in dienst van den schouwburg den tyd van een jaar, ingaande 22 Sept. 1687, als acteur en actrice op dezelve schouwburg zouden ageeren voor ƒ 1300.-. Zy zyn tot Juni ll. betaald. Benjamin vordert nog een maand betaling.’ Coenerding zal de boodschap aan Lingelbach overbrengen en verzoekt copie.

 

Aan den desolaten toestand van den schouwburg zal het wel te wijten zijn, dat verschillende akteurs zich onderling verbinden om voor eigen rekening te gaan spelen. Twee van hunne contracten zijn hoogst belangrijk voor de kennis van de namen der spelers en voor het loon dat hun werd toegekend:

Het zijn Pieter Ploegh, Johannes Redeman, Willem v. Heyningen, en Michiel Breydel, allen commedianten, die, 30 September 1688, voor notaris Molensteen, overeenge-

[p. 136]

komen zijn, dezen winter te gaan reizen naar plaatsen waar zij permissie kunnen verkrijgen om commedien te mogen spelen. Elk van hen en de vrouwen zullen hun eigen costumes moeten medebrengen. Pieter Ploegh, vermoedelijk de directeur, zal de rest van het volk van klederen moeten voorzien. Het contract begint een maand na de Amsterdamsche kermis 1688 en eindigt ultimo April 1689. Ploegh trekt voor zijn klederen en tooneelen (= stukken) een part, en voor hem en zijn vrouw twee parten; W.v. Heyningen éen part en Johannes Redeman met zijn vrouw 1 3/4 part; Michiel Breydel met zijn vrouw 1 1/2 part. Bij niet nakoming ƒ 100.- boete, hun goederen zijn onderpand.

Later, 1 October, sluiten zich bij hen aan: Joost de Bruyn, Johannes Noseman, Johannis Disseldorp en Daniël Croon met zijn vrouw, om in compagnie te reizen en commedie te spelen.

Joost de Bruyn zal ontvangen voor elke week ƒ 8.- en niet spelende ƒ 4.-; hetzelfde Joh. Disseldorp; Daniël Croon en zijn vrouw ƒ 10.- p. week, en niet spelende ƒ 4.- Mochten deze laatstbijgekomenen na afloop van het contract, ultimo Maart 1689, willen terugkeeren, dan zullen zij zooveel reisgeld ontvangen als noodig is tot Amsterdam. Er staat ƒ 50.- boete ten behoeve van den eersten comparant bij niet nakomen.

De opera te Buiksloot waarvan wij reeds hoorden spreken bij koning Midas, was het gevolg van het verbod door de Amsterd. regeering om elders in de stad dan op den schouwburg vertooningen te houden. Omtrent deze opera, die omstreeks 1686 gesticht schijnt, zijn weinige gegevens voorhanden. Zij blijkt vooral beschermd te zijn geweest door Nil Vol. Ard., want een zangspel van David Lingelbach, met het vignet van dit Genootschap op den

[p. 137]

titel, vermeldt daar tevens Buiksloot als de plaats van opvoering. Lingelbach, van ouds ondernemer van publieke vermakelijkheden, is ook de exploitant van de opera aan de overkant van 't IJ geweest. Een kwestie, die hij met een der dansers gehad heeft, was de aanleiding tot het opstellen van een notarisakte, 15 Aug. 1686, waaruit verschillende interessante bijzonderheden over de opera te putten zijn.

De questie liep hierover, dat Monsieur Thomas Sablonnière, dansmeester, met David Lingelbach, meester van de opera te Buiksloot, was overeengekomen, dat hij op 3 dagen per week Dinsdag, Woensdag, Vrijdag, 2 maanden lang zou dansen, maar dat hij niet gehouden zou zijn op Zaterdag te dansen. Hij zou twee ducatons 3 x p.w. ontvangen. Later wilde Lingelbach hem niet meer toestaan te dansen, ook al wilde hij op Zaterdag. Sablonnière eischt, dat het contract worde nagekomen.

Nog twee andere dansers, Louis Nivellon en Elisabeth Dekins zijn vrouw, waren door Lingelbach niet toegelaten ondanks hun contract en protesteeren deswegen. (Zie de bijlagen).

De opera te Buiksloot werd vermoedelijk gegeven in een verplaatsbare kermistent, hoedanige meermalen vermeld worden in contracten. Den 7den Febr. 1684 b.v. hebben twee bekende akteurs, Herman Koninck en Daniël Admiraal een tent, genaamd de Roode Tent, gekocht van Floris Groen, om die op de Haarlemsche en Rotterdamsche kermis te gebruiken. (Notaris Flor. v. Eltene.) Wanneer in de stad, of binnen hare jurisdictie in zulk een tent gespeeld werd, moesten de schouwburgregenten daartoe hun goedkeuring geven. Dit blijkt uit een verklaring in 1689 gedaan door Jasper Lemmers, makelaar, 48 jaar, den akteur en tooneelschrijver, en Nicolaas Molensteen,

[p. 138]

meester chirurgijn, 34 jaar, ten verzoeke van Jan Coenerding en David Lingelbach, die toen den schouwburg gepacht hadden en exploiteerden, dat zij in Sept. 1688 bij de requiranten geweest zijn in den schouwburg op de regentenkamer en toen gehoord hebben, dat zij regenten aan Floris Groen, comedie-speelder, hebben toegestaan en geaccordeert, dat hij met zijn gezelschap in een tent bij de Leidschepoort gedurende de kermis laatstleden zoude mogen spelen, mits vergoedende aan de requiranten daarvoor ƒ 100.-.

Het leven van de actrices in de 17e eeuw ten onzent, is nog een gesloten boek. Pas in de tweede helft is het aan de vrouwen veroorloofd geworden om op de planken te verschijnen. In den regel zijn het de dochters en vrouwen van de tooneelspelers, die de vrouwenrollen vervullen. Vreemde dames komen zelden in den troep voor.

De regenten van den schouwburg moeten in 1680 wel verbaasd hebben gestaan toen twee notarissen zich bij hen vervoegden, waarvan de een zich kwam beklagen, dat zijn vrouw tooneelspeelster geworden was. Maar hooren we den notaris zelf, die 't best ons alle bijzonderheden kan mededeelen1.

‘My mette nabeschreven getuygen, ten versoecke van Benjamin Venkel, insgelyx notaris en procureur in Amstellant, mitsgaders deurwaerder van Haer. Eed. Mog., vervoeght op de Schouburg ter vergaderinge van de Heeren Regenten, ende haer Ed. genotificeert 't naervolgende.

Alsoo den insinuant, tot syn over groote droefheijt en hartseer, bevint dat sijn huysvrouw Agatha van Hartogvelt haer door vremde lieden van een verkeert oordeel soodanigh laet oproeyen, dat sy syn trouw en goeden

[p. 139]

raet, gelyck oock die van hare naeste bloet-vrinden, verwerpt en in tegendeel luystert nae vremden, die haer soo verde hebben weten te misleyden, dat sy, soo den insinuant van verscheyde personen sekerlijk bericht wert, aangenomen heeft op de Schouburgh alhier opentlyck te ageren ende alberyts met eenige comedianten uyt dese stadt, buyten des insinuants weeten, nae die Wormer vertrocken is, daer sij opentlijck geageert heeft, ende sulx den insinuant t'eenenmael tegen de borst stoot, aengesien het niet betamelyk is, dat de huysvrouw van een notaris en procureur op de Schouburgh soude ageren ende de naem van een comediante te voeren; Soo vint den insinuant plichtshalven sigh genoodsaekt U.E. bekent te maken, dat hy daertoe noyt sal consent dragen, oversulx vrindelyk ende serieuselyck versoekende de goetheijt te willen hebben, van syn huijsvrouwe niet aen te neemen, wanneer sy haer dienst mocht komen aen te bieden, maer haer wederom terugge te senden, ende oock de comedianten hier ter steede, onder Uwer E. gebiet ende gehoorzaamheijt staende, te interdiceren des insinuants huijsvrouw in haer geselschap niet mede te nemen ofte vervoeren, te meer dewyl sy is van goede extractie ende niet van soo veel jaren dat sy albereijts kan sien wat de weerelt inheeft ende in wat gevaar sy haar selfs begeeft. Alle het welcke de Heeren Regenten collegialiter voorgelesen synde antwoorde: de Heeren Regenten geven tot antwoordt, dat sy het vreemt vinden dat den insinuant haer door notaris en getuygen laat insinueeren. Aldus gedaan te Amsterdam, present de Heeren Joan Fernes en Wijnant de Geus.’

Benjamin Venkel had wel gelijk, dat het tooneelleven vele gevaren medebracht; en, al bezitten wij geen galante memoires van hollandsche aktrices uit die dagen, die ons

[p. 140]

van de zeden in die kringen op de hoogte kunnen brengen, een relaas, dat men zeker in geen notarisprotocol zou zoeken, heeft ons, uit het intieme leven van eene tooneelspeelster met een bekenden naam, Johanna Brinkhuyzen, eenige tafereeltjes bewaard, die wel tegen memoires opwegen. Het verhaal daalt echter in zulke bijzonderheden af, dat ik het bezwaarlijk volledig kan mededeelen. Toch is het te aardig en te merkwaardig voor de zeden en gebruiken om het geheel achterwege te laten.

De aanleiding dat een notaris (Leonard Noblet, 22 Jan. 1708) er in betrokken was geworden, is deze. Johanna Brinkhuyzen blijkt gevaar opgeleverd te hebben voor de gemoedsrust van zeker minderjarig jonkman Jan ten Cate, die daarom door zijn voogd Cornelis Boekelman naar Indië geëxpedieerd was. 't Zij dat de voogd zich over die daad moest verantwoorden, of tot afschrikwekkend voorbeeld voor anderen, maar Boekelman riep verschillende getuigen op, die Johanna van nabij kenden, om voor den notaris verklaringen af te leggen omtrent haar gedrag en haar intiem leven.

Vooreerst komt een bejaarde dochter Maria Hummelius, ziek te bedde liggende in het Gasthuis, getuigen, dat Johanna Brinkhuyzen, tooneelspeelster op 't schouburg alhier, van omtrent de maand Dec. 1706 tot omtrent de maand Dec. 1708 dagelijx familiare omgang heeft gehouden met Benjamin Lambroso, portugeesche Jode, zoo ten huize van haar ouders, op de hoek van de Keizersgracht en de Beerenstraat, als op andere plaatsen. Dat in of omtrent de maanden Januari of Februari 1708, zij Joh. Br. en gemelde Jode ten gemelde huize, toen haar ouders uit eten waren op een middag te samen een visje en een glaasje wijn consumeerende [heeft gezien,] terwijl zij getuige zat te borduren op de voorzolder recht boven de

[p. 141]

kamer alwaar de gemelde jonge lieden te samen aten en dronken en zij toen duidelijk heeft gehoord dat Johanna met den Jode te samen op de rustbank lagen..... Dat Joh. Brinkhuyzen beschonken wesende vande gemelde maaltijd, na 't vertrek vande voorsz. Jode, de getuige bij haar roepende, aan haar een glaasje wijn geschonken en daarnevens verscheidene stukken goud vertoond heeft, met verbod dat zij zulks aan haar ouders zoude zeggen. Waarna Joh. Brinkhuyzen, nadat zij haar had aangekleed, uit den huize gegaan en voorsz. Jode, volgens afspraak naar Haarlem gevolgd is. Dat omtrent vier of vijf weken daarna (zonder den precisen dag onthouden te hebben) de voorszegde Johanna Brinkhuyzen aan haar getuige een zeker teeken openbaarde, dat zij zwanger zoude wezen, zeggende, dat zij van meeninge was, om medicynen daartegen te gebruiken, vragende te dien einde aan getuige om raad; gelyk zij getuige ook verscheiden malen gezien heeft, dat zy Johanna medicynen innam, en ook wel op haar voet adergelaten is geworden om haar zwangerheid te verdrijven.

Voor redenen van wetenschap gevende, dat zij getuige de voorsz. Joh. Brinkhuyzen van omtrent in 't midden van den zomer 1706 tot omtrent Maart 1707 glasschilderen en borduren geleerd heeft, zoo ten huize van gets moeder in de Kerkstraat, als op de hoek van de Beerenstraat voornoemd, alwaar zij dan ook dagelijks kwam te verkeeren.

Twee andere, Dorothea Jurriens van den Schilde, huisvrouw van Jan Baptist Petiet, en Dirkje Claesz. Wittepaart getuigen, (30 Oct. 1708) dat zij (Dorothea) voor Johanna en de Jode, toes zij te samen in haar huis waren in de S. Lucienstege, een geconfijte koek en een half pintje kaneelwater heeft gehaald, en terugkomende, hen in zeer intieme

[p. 142]

houding vond en hun toevoegde: ‘Wel zoo jongens?’ en Johanna antwoordde: ‘Wel wat steekt er op?’ Een ander maal wordt getuige door Joh. belast om tegen de voorsz. Jode te zeggen ‘van de zeven’. Dit blijkt een herinnering te zijn aan een geschenk, dat zij van hem verwachtte. De Jode kwam terug en liet aan get. zien 7 losse diamantsteenen in een papiertje. En toen get. vroeg, voor wie die steenen waren, antwoordde hij ‘voor juffrouw goedagen’, denoteerende daarmede voorsz. Joha Brinkhuyzen. Vier à 5 dagen later liet Joha aan get. zien een gouden ring, waarin 7 diamantsteenen gezet waren. Een andere getuige verhaalt dat zij drie sneden zalm en vier boteljes rooden wijn gebruikt hadden met een vriendin en allen dronken werden. Zij hadden toen in de Kalverstraat, waar 't wapen van Venetië uithangt, een schotel laten halen, gevuld met een piramide confituren, waarmede zij dezen Jode tracteerde. Een tweede getuige, Catharina, huisvrouw van Govert de Zegen, verklaart, dat zij verkeerd heeft ten huize van Eldert van Ossenhuis, op den hoek van de Keizersgracht en Beerenstraat, en zeer wel is kennende Johanna Brinkhuyzen de behuwddochter van Ossenhuis; ook dat Johanna omging met B. Lambrose, welke Jode haar, Johanna, wel uit haar huisje heeft laten halen; en zijnde voorgevallen dat wanneer de Oost Indische schepen repatrieerden, deze Jode aan Johanna mededeelde, dat de gemelde J. ten Cate thuisgekomen was, waarop zij samen een botelje met Spaanschen wijn dronken, door dezelve Jode te voren doen halen. Eindelijk verkl. deze getuige, dat kort na Amsterdamsche kermis Joh. Brinkhuyzen aan Lambroso gevraagd had om een kermis; waarop de Jode vraagde wat zij begeerde, zij eischte een koperen ketel met dexel. (Zij blijkt dus praktisch aangelegd te zijn). Maar de moeder van Joha, aldaar

[p. 143]

komende, heeft Joha haar verhaald wat zij gevraagd had, waarop de moeder antwoordde, dat zulks niet de peine waard was om dankje te zeggen, maar zij daarenboven moest eischen een koperen taartpan en een vijzel, die zij later gekregen heeft.

Hiermede houdt het leesbare gedeelte van de verklaringen op. Jammer dat zij ook niet wat vertellen over Johanna's optreden als tooneelspeelster1.

Na al deze verklaringen is men wel verbaasd, kort daarop eenige akten aan te treffen bij Notaris Blom, waarin op 22 Maart 1708, ten verzoeke van Johanna Brinkhuyzen, door de huisvrouw van Jan Petiet en Dirkje Wittepaart getuigd wordt, dat zij voor de verklaringen afgelegd voor Jan Boekelman, betaald zijn. Zij zeiden: ‘wel ja, en wij hebben uit haat en nijd gedaan, zeggende Dirkje Wittepaart, indien jij alleen was, zou ik je zeggen wat wij daarvoor getrokken hebben, want je zou mij daarvoor op 't schavot kunnen helpen.’

Ook op 30 September 1709 komen Cornelia de Cour, meerderjarige dochter en Jannetje Jacobs, wed. Hendrik Jansz., voor Mr. Gerard Burghoud nog verklaren, op verzoek van Johanna Brinkhuyzen, dat de oprechte waarheid is, dat de eerste getuige Styntje Andries ontmoette en verhaald heeft wat zij, Styntje, tegen de requirante en voor Cornelis Boekelman verklaard heeft, en daarvoor van hem genoten te hebben een ducaton; zij wilde verder door getuigen doen verklaren, tegen vergoeding, dat requirante een h..r is.

Naar alle waarschijnlijkheid kan men echter wel aannemen, dat de eerste verklaringen de juiste zijn geweest

[p. 144]

en dat de herroeping wel heeft moeten dienen om Johanna's naam weer wat te rehabiliteeren.

Doch met Joha Brinkhuyzen zijn wij reeds in de 18e eeuw aangeland, en wordt het tijd, deze losse gegevens uit het 17e eeuwsche tooneelleven te Amsterdam te besluiten.

Ik meen, geachte medeleden, met de mededeeling van deze bijzonderheden, op sommige punten van het oude tooneelleven eenig nieuw licht te hebben laten schijnen; vooral omdat, zooals prof. Kalff in zijn voortreffelijke Geschiedenis der Nederl. Letterkunde1 opmerkt, er ‘voor dit deel onzer tooneelgeschiedenis nog veel te doen is; er zijn tal van belangrijke vragen te stellen, waarop wij tot dusver het antwoord moeten schuldig blijven. In sommige gevallen wordt het antwoord belemmerd door gemis aan gegevens.....

In de stedelijke archieven liggen zeker nog tal van gegevens te wachten op de hand, die deze bouwstoffen tot gemeengoed zal maken. Doch toekomstige onderzoekers dienen deze gegevens zelf bijeen te brengen; hoe dankbaar wij de archivarissen ook moeten zijn voor hunne hulp, in menig geval zal het moeilijk of ondoenlijk voor hen zijn uit te maken, of eenig feit belangrijk is voor de tooneelgeschiedenis. Dat niet éen man dat alles kan doen, spreekt van zelf; ook hier komen wij handen te kort.’

 

Indien ik er in geslaagd ben, hierbij een handje te helpen door mijn onderzoek in de notarisarchieven te Amst., is het mij een groote voldoening en dank ik U zeer voor uw aandachtig gehoor.

Ik heb gezegd!

 

6 Dec. 1912.

J.F.M. Sterck.

[p. 145]

Bij bl. 118. Philips de Flines, die voorkomt in de Muiterij van Midas, was een kleinzoon van Vondels zuster Clementia. (Elias, Vroedschap v. Amsterd. II, 1005). Zekere G. de Flines bewerkte naar Lesage's Diable boiteux zijn Ontrouwe voedster (1719). (Worp, Geschied. v. Drama en Tooneel, II, 196).

Zie over Thomas Arents het artikel van J. te Winkel in Tijdschrift v. Ned. Taal- en Letterk. Dl IX, 1890, bl. 90.

Naschrift.

Het cliché voor het prentje op bl. 125 is mij welwillend afgestaan door den heer Warendorf uit het ‘Weekblad de Amsterdammer’; het is, veel verkleind, genomen naar de origineele prent in den Atlas van Amsterdam van den heer R.W.P. de Vries, en door dezen met groote bereidvaardigheid ten gebruike gegeven. Op verschillende van de bovengenoemde notarisakten is mijn aandacht gevestigd door den heer Dr. Abr. Bredius. Hen allen zeg ik mijn besten dank voor hun welwillende hulp.

[p. 146]

Bijlagen.

Het is hier de plaats om enkele der aangehaalde akten aangevuld mede te deelen, en eenige nieuwe, die alleen doordat zij op het tooneel betrekking hebben, met deze voordracht verband houden, verkort weer te geven.

Van veel belang voor de kennis der hier geschetste tooneeltoestanden is het, de personen en gebeurtenissen te vergelijken met het nauwkeurige en uitgebreide werk Dr. J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Gron. Wolters, 1908. 2 deelen.

Het was niet doenlijk telkens naar dit belangrijke geschrift te verwîjzen, wanneer hier aanvullingen of uitbreidingen van het daar behandelde gegeven werden.

Bij bl. 134. Zeer curieus is de motiveering van dit ontslag: ‘Nademaal de insinuanten niet van voornemens zyn, u geinsinueerdens dienst, waaraan gy ten Karen opzichte zyt verbonden, langer te gebruiken, zoo doen zy u geinsinueerdens aanzeggen, dat zy u mits dezen van de voornoemde dienst ontslaan, verklarende wel te mogen lyden, dat gy daarvan disponeert naar uw welgevallen; tevreden zynde, desniettemin aan U te betalen hetgene gy tot dato dezes te hare laste zoude hebben verdiend, en dit alles om suffisante redenen. Ende voorzooverre aanbelangt de persoon van Herman van Brinkhuyzen, verklaarden Insinuanten aan hem mits desen in 't geheel te discontinueeren zyn dienst, waarvan dat hy nu bereyts zedert den 25 Maart ll. (1687) door haar Insinuanten gesuspendeert is geworden, mede om redenen alsvoren’.

Bij bl. 137. Notaris J. Commelin, Amsterdam. 15 Aug. 1686 compareerden monsieur Louis Nivellon en juffr. Elisabet Dekins echteluiden dewelke ten versoecke van monsieur Thomas Sablonyerre dansmeester getuigden dat den requirant op 30 July in presentie van haar getuygen op het Stadhuis voor burgemeesteren David Lingelbach meester van de opera jegenwoordich tot Buiksloot gespeelt wesende, onder andere tegemoet voerde dat den requirant wel genegen was om in de opera van Lingelbach op drie dagen in de week n.l. Dinsdag, Woensdag en Vrijdag,
[p. 147]
2 maanden achter elkaar te dansen, maar dat hij niet gehouden zou zijn gedurende deze 2 maanden op Zaterdag te dansen, hetgeen Lingelbach geaccordeert heeft. Verder verklaarden zij dat zij Lingelbach meermalen hebben hooren zeggen, dat hij den requirant 3 maal per week betalen zou twee dukatons. Compareerden mede Johannes Herry 23 jaar en Andries Leenders, 26 jaar verklaren dat zy present zyn geweest dat de requirant Lingelbach minlijk vroeg dat hy den requirant in de opera tot Buiksloot des Dinsdags, Woensdags en Vrijdags geliefde te laten dansen volgens het contract tusschen haar gemaakt, daarop dezelve Lingelbach antwoordde, neen, ik heb U niet van doen ja, al woud gij nu des Saturdags dansen wil ik U niet hebben.

geteekend.
Louis Nivellon
+ merk van Elisa Dekins
Johannes Herry
Andries Leenders.
P.D.L. Croix de Jonge getuygen
J.v.d. Boogaard getuygen
Quod attestor.
J. Commelin
Nots.

Bij bl. 137. Not. J. Commelin, Amsterdam. 15 Augustus 1686.
Explooit aan David Lingelbach uitgebracht op verzoek van Mons. Thomas Sablonjerre dansmeester geinsinueerde.
De insinuant zegt dat hij door U geinsinueerde is aangenomen om in de opera te Buiksloot gedurende 2 maanden des Dinsdags, Woensdags en Vrijdags te dansen tegen 2 ducatons iedere reis. Verder zegt de insinuant dat hij eenige speeldagen te Buiksloot gedanst heeft tot genoegen van het publiek, maar is op laatstleden Dinsdag niet meer toegelaten. Hij eischt verder toegelaten te worden om zijn contract te kunnen volgen en dreigt anders met gerechtelijke vervolging.
De huysvrouw van Lingelbach die het explooit aannam, zegt het haar man te zullen zeggen.

Not. Commelin, 2 Sept. 1686.
Explooit aan David Lingelbach uitgebracht op verzoek van mons. Louis Nivellon en juff. Elisabeth Dekins echteluyden. De insinuanten zeggen dat zij volgens contract zijn aangenomen om in de opera te Buiksloot te spelen, en dat zij op j.l. Zaterdag niet zijn toegelaten om hun contract te volgen.
Zij dreigen met vervolging in rechten. Lingelbach niet thuis zijnde, zegt zijn vrouw haar man de boodschap te zullen overgeven.

Engelsche tooneelspelers.

Protocol van Notaris J. Bruyningh, 14 Mei 1637. Aan Heeren Burgemeesteren en Regeerders van Amsterdam, vertoonen reverentelyck de oude compagnie vande Engelsche Commedianten, hoe dat sy supplianten in den tyt van een of twee jaren door de sware contagieuse sieckten,
[p. 148]
het verlies van Schenckenschans, ende andere voorgevallen swarigheden hier te lande nieutwers en hebben mogen ageeren, daerdoor syluyden haer van hier naer Duytslant ende andere plaetsen hebben moeten vertrecken tot haerluyden expresse groote costen en schaden, ende dat de voorzegde swaerigheden nu, Godt loff, wederom nu genoechsaem syn cesseerende, soo hebben sy supplianten henluyden alhier ter stede wederom vervoecht op hoope van een stuyver te mogen verdienen, om haerluyder vrouwen en kinderen, dewelcke syluyden hier te lande meest getrout ende geprocreert hebben, met een voor te staen. Enne alsoo 't selve niet en kan geschieden sonder Ued. consent, so hebben sy supplianten henluyden demoedelycke tot U, Myne Edele heeren voornoemt, [gewent?] versoeckende hen supplianten toe te staen ende te gunnen binne deser stadt ter plaatse by U.M. te ordonneeren, ofte ten minste op de naeste plaetse daerbuyten gelegen haerluyder exercitie te mogen doen, ende veele schoone, heerlycke ende leerrycke ende vermaeckelyke Commedien, Tragedien ende andere vuyt te beelden ende speelen, voor al sulcke civiele loon voor haer ende de armen, als syluyden voor dese alhier ter stede hebben genooten. En indien UE. hen supplianten 't voorsz. versoeck voor dees tyt niet en souden believen toe te staen (als syluyden verhoopen, jae!) soo en versoecken syluyden ootmoedelyck dat UE believe te willen haerlieden voorsz. versoeck te consenteeren te mogen geschieden inde aenstaende kermisse deser stadt. 't Welck doende, enz. (De namen ontbreken).
Burgemeesteren staan toe, dat de speelers drie weken, en niet langer, zullen mogen spelen, doch niet eerder te beginnen als op Pinkster-Dinsdag, den 2n Juni e.k.

Protocol v. Not. Jacob de Vlieger, 25 Maart 1674; Mr. Andries Pels, advocaat, wonende in de Bergstraat, stelt zich vrijwillig borg voor Johannes Rigo, en dat ten behoeve van Bartholomaeus van de Burgh, en Isaac Hartman, marktmeesters van de ossenmarkt, ter betaling van ƒ 1000.- kapitaal.

Protocol v. Not. Dumoulin, 21 Sept. 1679, akte betreffende Claes Dominee, commediant, die in een herberg in de Geelvinksteeg ruw was was binnengedrongen.

Protocol v. Not. Stafmaker Varlet, 15 Januari 1685, verklaring van twee getuigen, dat zij op den Schouwburg alhier hebben zien spelen zeker spel van Agrippa, en hebben zien medespelen Hermanus Brinckhuysen en Harmanus Benjamin, benevens hunne respective huisvrouwen, brengende ieder als speelders hun rol te voren.

Protocol v. Not. Wilh. Sylvius, op 30 October 1695, verklaring van zekeren v. der Laan, dat hij op de commedie het Spul van de wanhebbelijke liefde gezien had, en dat hij meende dat er een kerel in voorkwam, maar 't was een wijf, zoo groot als d'Olyne (of d'Olyve?).