De Commissie ontving van den heer K. Uilkema het volgende verslag:
Mijne Heeren,
Gestadig vorderde sedert 1923 de arbeid, verricht bij het onderzoek naar de kenmerken, de geschiedenis en het verspreidingsgebied der boerenhuistypen in Nederland.
Dat er voor het verwerken van het in de jaren 1920/'23 verzamelde materiaal veel tijd zou worden vereischt, was te voorzien. Reeds het gereed maken der teekeningen voor reproductie met het oog op de teboekstelling der resultaten, kostte in totaal een vol jaar arbeid. Tevens bleek bij het verwerken van het materiaal, dat in sommige streken, als Gelderland, Friesland en Zuidholland, voortzetting van het onderzoek dringend geboden was. Het teekenen der plattegronden nl., waarbij elk object gedurende langen tijd aan een nauwkeurige beschouwing onderworpen is, bracht daar bijzonderheden aan het licht, die den tot dat oogenblik niet gevonden draad voor het volgen der evolutie in handen gaven. In het laatste verslag, dat van 31 December 1923, werd er reeds op gewezen, dat het onderzoek niet overal positieve resultaten had opgeleverd. Daarin werd o.a. gezegd, ‘dat de middelmoot van ons land bij het vaststellen der type-grenzen moeilijkheden zal (zou) opleveren.’ Toen echter naderhand in sommige duistere gebieden eenig licht rees, was het ondenkbaar, dit niet te benutten voor het volgen van den evolutieweg, die in betrekking tot den tijd in teruggaande, voor het onderzoek naar de typen in voorwaartsche richting voert! Hoewel dus met het einde van het jaar 1923 Uw fonds, waaruit tot dien tijd de onderzoek-kosten bestreden waren, nagenoeg uitgeput was, zette ondergeteekende in de zomermaanden van '24 en '25 de studietochten voort, - daartoe door een gelukkige omstandigheid in staat gesteld; en niet zonder resultaat.
Hoe men bij het zoeken naar het evolutieproces, dat een bepaalde huisvorm heeft doorgemaakt, den vermoedelijken draad in handen kan krijgen, moge hier door een voorbeeld worden verduidelijkt. Bij het teekenen der plattegronden van een paar vertegenwoordigers van het zoogenaamde ‘krukhuis’, op de Veluwe, waarbij het grondplan den T-vorm vertoont, bleek mij, dat dit een andere geschiedenis moest hebben, dan het uit- en inwendig bijna volmaakt gelijke huis in onbetwist saksische gebieden. De bijzonderheid, die dit vermoeden wettigde, was de aanwezigheid van twee toegangsdeuren in den frontgevel, een bijzonderheid, welke herhaaldelijk voorkomt bij gebouwen in het noordelijk deel der Veluwe, doch die men niet aantreft bij den ‘krukhuis’-vorm van het saksische huis. Deze laatste vorm is niet zeldzaam en eenvoudig het gevolg van het zich naar twee zijden uitbreiden van het woninggedeelte van het oorspronkelijk langwerpige huis.
Nu komt in het noordelijk deel der Veluwe een huis voor, en wel uitsluitend op de kleine bedrijven, dat hier in navolging van prof. Gallée aangeduid zal worden als behoorende tot het friesche type. Men zie daartoe de kaart der nederlandsche huistypen in zijn bekend standaardwerk. Dit huis bezit slechts drie deuren, die zich alle bevinden aan den langen gevel: de deur, welke toegang geeft tot de woning, de deur voor den dorschvloer en ten slotte die, welke toegang geeft tot den veestal. Twee van deze deuren zijn dus feitelijk bestemd voor de menschelijke bewoners en hebben dus kans te blijven, wanneer de veestal uit het huis wordt verwijderd, om in een nieuw aangebouwd deel te worden ondergebracht. Het huis herinnert zoowel aan het langgeveltype in Noordbrabant, als aan het huis, waarvan de oude friesche wetten gewagen: het ‘njoggen-fekkehuus’. Dit laatste is nog heden ten dage aan te wijzen!
Maar of Gallée het veluwsche langgevelhuis met recht friesch noemt, of wel ten onrechte, dat is een punt, dat hier niet ter zake doet. Wat ik wenschte te vermelden is de omstandigheid, dat men niet kan ontkomen aan het leggen van verband tusschen de beide deuren in den frontgevel van het veluwsche krukhuis en de meerdere deuren in de lange zijde, - ook frontgevel, - van het kleine langgevelhuis in zijn buurt. De vraag rijst: ‘Is hier een Saksische deel achter een langgevelhuis aangebouwd?’
Kan een dergelijke evolutie als feit worden geconstateerd, dan zijn de huizen op een groot deel der Veluwe tot het nog sporadisch voorkomende kleine huis in die streek terug te brengen. De definitie van het veluwsche huis is daarmee nog niet gegeven, doch het vraagstuk is in elk geval minder gecompliceerd geworden.
Uit het gegeven voorbeeld blijkt, dat voor het onderzoek tijd noodig is; die zich onmogelijk vooraf laat berekenen, wijl de rol, die het toeval speelt, betrekkelijk groot is, zoowel bij het vinden van den draad, als bij het volgen daarvan.
Van overeenkomstigen aard was het verloop van het onder-
zoek naar den evolutie-gang, dien het Zuiderzee-type, het huis in Zuidholland en dat in het zuidoosten van Friesland heeft doorgemaakt. Evenwel met dit onderscheid, dat in deze gevallen de oplossing reeds is gevonden. Zoo bleek bijv. het Zuiderzee-type van Gallée een nevenvorm van het saksische huis te zijn, en in den grond der zaak daarmee identiek. Echter moet hierbij uitdrukkelijk worden opgemerkt, dat Gallée ten onrechte een deel van de provincie Friesland inlijft bij het gebied van zijn Zuiderzee-type, dat hij op de kaart nader aanduidt als ‘gemengd friesch en halle-type’. Een kleine fout trouwens, die een logisch gevolg is van zijn onbekendheid met de ontwikkelingsgeschiedenis van het friesche huis.
Wat dit laatste betreft, was het misschien beter, voorloopig nog te spreken van het ‘huis in Friesland’. Sedert ik tot het inzicht kwam, dat het huis in zuidoost-Friesland identiek is met de oud-friesche greidboerderij, ondanks het taalverschil der bevolking, is deze kwestie niet eenvoudiger, doch veeleer meer gecompliceerd geworden. Want het rijpen van dit inzicht ging gepaard met een sterk vermoeden, dat het huis in Friesland, hetwelk den koestal niet aanduidt als ‘boesjes’ of ‘boethuus’, maar dien integendeel ‘achterhuus’ noemt, niet dezelfde afstamming heeft als dat, waarbij deze termen wel behooren. Wat dient men dus te verstaan onder het begrip: het friesche huis? Bovendien vertoont de ‘boe’, een bedrijfsgebouw, dat gevonden wordt in een zuiver saksisch terrein, in elk opzicht groote overeenkomst met het oude greidboershuis in Friesland.
De vraag, of de termen boethuus, boesjes, boosdwarren, booders, behooren bij het huis van den stam, die het friesche dialect spreekt, riep alzoo om beantwoording.
Het voorafgaande zal voldoende zijn, om te doen uitkomen, dat een antwoord op deze vraag van groot belang moest zijn voor een juiste bepaling van het begrip: friesche huis.
De omstandigheid, dat Uwe commissie nog de beschikking verkreeg over een klein reserve-fonds maakte het mogelijk onder meer een reis te ondernemen naar het eiland Sylt, waar een Friesch sprekende volksgroep woont, welke door hare geïsoleerde woonplaats minder onderhevig moet zijn geweest aan invloeden van buiten, die op het boerenbedrijf konden inwerken, dan hare stamgenooten in deze gewesten. Het resultaat van deze excursie was zeer bevredigend: het antwoord op de vraag was positief en tevens bevestigend. De inrichting van den Sylter koestal is dezelfde als die van den frieschen en ook de benamingen van de kenmerkende deelen zijn geheel gelijk of overeenkomstig. Zoo worden de geheele stal, de groep, de koestaldeur, de scheidswanden tusschen de standplaatsen, die evenals hier ingericht zijn voor twee koeien, respectievelijk aangeduid met de namen buusem, grop, bööster, skod. De spelling dezer woorden is van Nann Mungard in zijn ‘Sammlung von Sylter Wörtern,....’ De uitspraak laat zich gevoeglijk als volgt weergeven: Boesom,
grop, peuster of beuster, en skod. De Fries in onze provincie spreekt van boethuus of boesjes, van groppe, van boethuusdoor of boesjesdoor of boosdwarren of booders, en van skot of sket of sked.
De dit jaar, dank zij het bestaan van het reeds genoemde reservefonds mogelijk gemaakte hervatting van de archievenstudie zal uit den aard der zaak nog al eenigen tijd kosten. Het reproduceeren van daarbij gevonden meer of minder waardevol materiaal brengt dit mee, doch het zal niet van zeer grooten invloed zijn op het definitieve einde van den arbeid.
Leeuwarden, 22 September 1926.