terug  begin  verder
[p. 58]

Levensbericht van G.D.A. Jonckbloet.

Den 5en April 1926 overleed in het St. Canisiuscollege te Nijmegen, Pater Godfried Daniël Augustinus Jonckbloet, sinds 1890 lid der Maatschappij. Hij was geboren te Eindhoven den 28en Augustus 1848 uit het huwelijk van Egidius Jonckbloet en Henrica van Dijck. Na in zijne geboortestad het lager onderwijs te hebben genoten, kwam hij in het Jezuïetencollege te Sittard met het doel zijn voorbereidende studie te beginnen om eens zijn vader in het notarisambt te kunnen opvolgen. Van de eerste klas af aan behoorde hij tot de beste leerlingen en bracht met de jaarlijksche vacantie telkens meer prijzen thuis als bewijs van naarstigen toeleg en gestadige vordering. In den laatsten tijd van zijn verblijf te Sittard zag hij af van zijne aanvankelijke studieplannen voor de toekomst daar hij zich steeds duidelijker geroepen voelde tot den geestelijken stand en trad den 26en September 1868 in de Orde der Jezuïeten. In het klooster Marïendaal bij Grave zette hij nu zijn geestelijke en wetenschappelijke vorming voort, volgde een philosophiecursus te Laval in Frankrijk, deed zijn theologische studies te Maastricht en werd daar in September 1881 priester gewijd. Het jaar daarop volgde zijn aanstelling tot leeraar der klassieke letteren in het college te Sittard, waar hij weldra een model-docent bleek te zijn, die in zijn jongens een heerlijk enthousiasme wist te wekken voor alles wat schoon was en goed.

Intusschen had aanleg en liefde voor de letterkunde zich rijp in hem ontwikkeld en begon hij in 1876 zijn gedichten te publiceeren in de ‘Katholieke Illustratie’ en in den ‘Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken.’ Alberdingk Thijm had hem daartoe uitgenoodigd en zette hem ook aan deze en anderen te bundelen, hetgeen in 1881 gebeurde door de uitgave der ‘Vlindertjes, verspreide en nieuwe gedichten.’

Jonckbloet's poëtische voortbrengselen waren - zooals hij het zelf als motto boven een lateren dichtbundel uitdrukte - ‘non coquis sed convivis’, niet voor de koks maar voor de gasten bestemd. Hij voorziet de tafel ruimschoots van gerechten, echt

[p. 59]

hollandsche en uitheemsche in hollandsche keuken bereid, geen uitgezochte spijzen voor extra-fijnproevers, maar smakelijken kost voor niet verwende magen. Het zijn gedichtjes voor huis en haard, die het lief en leed van den dagelijkschen dag tot onderwerp hebben en op ongekunstelde wijze zacht-blije en teer-droeve ontroering wekken. Dit soort poëzie was trouwens geheel overeenkomstig het karakter van den dichter, zoo kinderlijk en goedig, zoo zacht en fijngevoelig.

Hij was echter ook tot breedere en hoogere vlucht in staat. Thijm had er al in zijn inleiding tot de ‘Vlindertjes’ op gewezen: ‘Maar ik wil den lezer iets zeggen, wat hij uit dezen vaersjens niet zoo licht zal opmaken. Het talent van den Heer Jonckbloet is een harp van veel meer snaren voorzien, dan die hier zijn aangeslagen. De menestreel, die zich hier meestal in de waereld van het huisgezin en het zeer jonge leven beweegt, kan ook stoute lierzangen op zijn speeltuig aanstemmen; en ik twijfel niet of wij mogen ons van hem op nog andere bundels verwachten, waar de veelzijdigheid zijner gave overtuigend in uit zal komen.’

In 1884 plaatste hij in het tijdschrift ‘de Katholiek’ zijn eerste ‘proeve eener dichterlijke vertolking van Isaïas’ die weldra werd voortgezet met fragmenten uit Habacuc en Job, en eenige Oden van Horatius. Alleen met de vertaling van Isaïas is hij verder doorgegaan. In 1888 was ze voltooid en moest reeds in 't volgend jaar worden herdrukt. Ook de tweede editie was binnen enkele jaren uitverkocht. Jonckbloet wenschte een geheel herzienen druk in 't licht te geven, maar omstandigheden van allerlei aard hebben hem tóen verhinderd dat plan uit te voeren. Eerst in zijn laatste levensjaren nam hij dat werk weer ter hand. Hij deed het op aandrang van velen, en niet het minst op aansporing van Ds. de Moor, die als voorzitter eener Deputatenvergadering te Utrecht had voorgesteld een paar hoofdstukken uit Jonckbloet's vertaling in het Protestantsch Gezangboek te doen opnemen. De Moor kwam persoonlijk die zaak te Nijmegen bespreken en tevens zijn hulp aanbieden bij de nieuwe bewerking. Kort vóór beider dood was het boek gereed.

Nadat hij een paar jaar met veel succes te Sittard gedoceerd en daar stellig te veel van zijn krachten gevorderd had, openbaarde zich in 1886 een ernstige kwaal waarvoor hij genezing ging zoeken, eerst te Neuenahr, daarna te Badenweiler in het Schwarzwald. Maar de ziekte verergerde en volgens het oordeel van den geneesheer kon alleen een verblijf in het Zwitsersche hooggebergte hem nog redden. Zóó kwam hij in October 1887 te Davos waar hij zeven maanden vertoefde en zijne gezondheid terugkreeg. De indrukken daar opgedaan beschreef hij in een keurig boekje: ‘Een winter te Davos.’ Het is geen weekelijke, romantische beschrijving van het Kurhaus-leven als het veel gelezen ‘Ships that pass in the night’ van Beatrice Harraden,

[p. 60]

maar een frissche, opwekkende causerie waarin hoofdzakelijk het psychologische van Davos uitgebeeld wordt.

‘Zeer voorzichtig blijven’ was de boodschap die hij van zijn dokter meekreeg. De zwakheid zijner longen maakte hem dus voor het leeraarsambt ongeschikt en hij werd van Sittard overgeplaatst naar Maastricht. Daar was destijds de redactie gevestigd der ‘Studiën’ aan welk tijdschrift hij sinds 1883 als medewerker verbonden was en voornamelijk de letterkundige rubriek verzorgde. Een reeks artikelen over vaderlandsche en uitheemsche literatuur verscheen nu in de eerstvolgende jaargangen.

In 1890 kreeg zijn levensweg een geheel andere richting toen hij door zijn geestelijke overheid als missionaris naar Indië werd uitgezonden. Hoewel de veertig reeds gepasseerd nam hij bereidvaardig de opgelegde taak aan. Naast zijn priesterlijken arbeid als pastoor te Batavia wist zijn ijver toch tijd te vinden om zich aan letterkundige studie te blijven wijden. Met het doel een eigen orgaan te hebben ter verspreiding en verdediging van Katholieke beginselen in Indië werd een tweemaal per week verschijnend blad ‘de Express’ opgekocht en verder door pastoor Jonckbloet geredigeerd. Allerlei moeilijkheden echter waren oorzaak dat die courant slechts twee jaren kon bestaan, maar de redacteur werd als vast medewerker opgenomen in het Bataviaasch Handelsblad. Een groot aantal artikelen, door hem in beide bladen geschreven, werden in 1893 in twee deeltjes verzameld onder den titel: ‘Uit Nederland en Insulinde. Letterkundige Causeriën.’ Vooral de lange reeks opstellen over Multatuli in ‘de Express’ hadden de aandacht getrokken en toen in 1894 een afzonderlijke studie verscheen, die, in aansluiting met de publicaties van van Sandick, Kielstra en Swart Abrahamsz, een vernietigend vonnis over Multatuli's karakter velde, was Jonckbloet een tijdlang het middenpunt van veler belangstelling in Indië en in Nederland. Lof en blaam - blaam het meest - werden hem kwistig toebedeeld. Het is hem op hoogen leeftijd nog een troost geweest dat de kritiek van lateren tijd zijn scherp vonnis over Multatuli als waarheid heeft bevestigd. Toen in 1903 het Katholiek weekblad ‘de Javapost’ was opgericht, kreeg pastoor Jonckbloet natuurlijk een plaats op het redactiebureau en schreef menig artikel, meestal onder den voor Indische lezers zeer doorzichtigen schuilnaam Darah Moeda.

Na een achttienjarige rustelooze werkzaamheid, beurtelings te Batavia, Magelang, Soerabaja en Malang, werd bij in Juni 1908 plotseling gedwongen het hem zoo dierbaar geworden Indië te verlaten. Een kwaadaardige keelkwaal maakte operatief ingrijpen noodzakelijk, maar geen geneesheer op Java durfde het aan. Pastoor Jonckbloet ging nu per eerst mogelijke gelegenheid scheep om zich onder behandeling te stellen van den specialist Dr. Kocher te Bern. Een uur van zware beproeving was het toen de dokter hem mededeelde dat een blijvend verlies der stem het gevolg

[p. 61]

van de operatie wezen kon. Grootmoedig bracht hij dat offer. Den aard der kwaal in aanmerking genomen, slaagde de operatie uitstekend; de kiem der ziekte werd weggesneden maar tevens had hij het gebruik der stem verloren, wat op den duur gelukkig nog in zoover herstelde dat hij zich, hoewel met inspanning, in gewoon gesprek verstaanbaar kon maken. Welk zwaar kruis hierdoor te dragen gegeven was aan een man die zooveel talent had voor conversatie, zoo gaarne praatte en zooveel te vertellen had, weten alleen zij aan wien hij zijn intiemste gevoelens openbaarde.

Het doorstane lijden zijner pijnlijke kwaal en de weemoed over het zoo onverwacht losgerukt worden van zijn arbeid in Indië, hadden zijn gestel geheel van streek gebracht; daarbij kwam nog een hernieuwde aandoening der longen, die hem dwong tot een tweede kuur te Davos. Hij vond daar heel veel veranderd en zoodra zijn krachten het eenigszins toelieten nam hij weer de pen op tot het schrijven van een steeds gaarne gelezen boek: ‘Davos, voorheen en thans.’

Naar het vaderland teruggekeerd in September 1909, vestigde hij zich in den Haag in de pastorie der Da Costastraat. Aanvankelijk scheen het dat zijn werkkracht voor goed gebroken zou zijn, maar langzamerhand leefde hij weer op en zocht bezigheid in lezen en schrijven, daar de toestand zijner stem hem voor dienst in de parochiekerk ongeschikt maakte. In die dagen heeft Toorop, met wien hij zeer bevriend was, zijn portret geteekend, een schitterende weergave van den prachtkop die ieders oogen trok. ‘Ik heb, zegt Toorop daarover in een ‘in memoriam’ bij Jonckbloet's dood geschreven, psychologisch in lijnen neergezet, zooals ik 't niet in woorden kan doen, de uitstraling van zijn gezicht. Hij stond toen niet meer midden in het leven, maar hetgeen hij doorleefd had en zijn lichamelijk lijden, de hoogere verlangens die zich later niet meer in groote daden mochten uiten, waardoor hij dikwijls melancholisch werd gestemd, zag ik sterk in zijne trekken.’

Ja, in groote daden heeft hij zijn verlangens niet meer kunnen omzetten. Hij had zijn tijd overleefd. Met de nieuwe richting, die intusschen ook in den kring der Katholieke letterkundigen overheerschend was geworden, kon hij zich nooit geheel verzoenen. Voor de ‘Studiën’ schreef hij nog een reeks artikelen waarvan die over Henriette Roland Holst en Noto Soeroto het belangrijkst zijn, en gaf eene moraliseerende literatuurstudie uit over de werken van Anna de Savornin Lohman.

Zijn laatste levensjaren bracht hij door in het St. Canisiuscollege te Nijmegen, waar hij in 1921 zijn intrek nam. Een overmooien levensavond heeft hij daar mogen genieten in rustige bezigheid. Nog eenmaal kwam een donkere wolk over hem neer toen het gevaar dreigde dat hij ook het gezicht zou verliezen. Door een goedgeslaagde operatie bleef hem die ramp bespaard,

[p. 62]

want een ramp zou het voor den nog steeds weetgierige geweest zijn, als het lezen hem onmogelijk ware geworden. Tot den avond vóór zijn dood toe heeft hij zich bezig gehouden met gebed en studieboeken, en sluimerde haast ongemerkt den doodslaap in.

De honderden in Nederland en Indië die het een geluk noemden hem als vriend en raadsman te hebben mogen kennen, zullen de gedachtenis aan dien waarlijk nobelen man in dankbare herinnering bewaren, evenals de duizenden die de vruchten van zijn letterkundig talent hebben gesmaakt, hem een plaats in de rij der Nederlandsche literatoren niet zullen ontzeggen.

 

F. van Hoeck.

Nijmegen, Mei 1926.

[p. 63]

Lijst van geschriften.

Gedichten.

In ‘de Katholieke Illustratie’. 1876-1890.

In ‘Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken’. 1877-1886.

In ‘de Katholiek’. 1884-1890.

Vlindertjes. Verspreide en nieuwe gedichten. 1881.

Uit eigen en vreemde gaarde. 1884.

De profetieën van Amos' zoon Isaïas, in Nederlandsche verzen vertolkt, met ophelderende aanteekeningen. 1888. Herdrukt in 1889 en 1926.

Lief en Leed. Verzamelde kleine gedichten. 1891. Herdrukt in 1920.

Bij het Allerheiligste. Metrische bewerking der treffendste hoofdstukken van Mother Loyola's ‘Coram Sanctissimo’. 1911. Herdrukt in 1912, 1913, 1916 en 1925.

Refloruit cor meum. Een bundeltje gedichten 1915.

Proza.

De Katholieke Kerkmuziek. Hare bestemming en haar tegenwoordige toestand. (Vertaald uit het Duitsch). 1878.

Mr. Eugène van Oppen Jr. In memoriam, opgedragen aan bloedverwanten en vrienden. 1885.

Een winter te Davos. Waarnemingen en indrukken van een genezen longzuchtige. 1889.

Uit Nederland en Insulinde. Letterkundige causerieën. 1893.

Multatuli. 1894.

Davos voorheen en thans. 1910.

Het religieuze leven. (Uit het Fransch van Bourdaloue). 1911.

Jonkvrouwe Anna de Savornin Lohman, in en uit hare werken. 1912.

De lendenen omgord en brandende de lampen. (Vrij naar het Fransch van P. Crasset. 1922.

Nicolaas Beets. Nederl. Letterkunde. Deel VI. 1888.

In de ‘Studiën’:

P.A. de Génestet. Een welmeenend woord aan eenige jeugdige beoefenaars der letterkunde. (geteekend G.D.A.). Deel 21.

Dreizehnlinden. Deel 23 en 33.

A propos van Doris en Doortje. (geteekend F.A.). Deel 23.

Fransche gedichten van een Nederlander. (Charles Beltjens). Deel 24.

Na vijftig jaar. Noodige en overbodige opheldering van de Camera Obscura door Hildebrand. Deel 30.

François Coppée: Contes rapides. L. Veuillot: Historiettes et fantaisies. Deel 32.

V. Delaporte: Récits et légendes. Deel 32.

Knoppen en bloemen verzameld door M. Ternooy-Apel. Deel 32.

Jos. Alb. Thijm. Deel 32.

[p. 64]

Twee dichterlijke vertolkers der Imitatio Christi, een Franschman en een Nederlander, Pierre Corneille en Jan Bouckart. Deel 33.

B. van Meurs. Rijm en Zang. Deel 33.

Lelietjes der dalen van Dr. D. Dorbeck. Deel 33.

Het boek der Psalmen. Eerste en tweede Psalm. Deel 34.

De Gids over Hilarion Thans. Deel 84.

De jongste literarische kroniek van Willem Kloos. Deel 84.

Een Javaansch-Nederlandsch dichter. Deel 85.

De socialistische dichteres Herriette Roland Holst. Deel 85, 86.

Keuvelpraatje over Maria Koenen's ‘De Wegen’. Deel 85.

Naar aanleiding van den tachtigsten verjaardag der Vlaamsche schrijfster Virginie Loveling. Deel 86.

Noto Soeroto. De geur van moeders haarwrong. Deel 86.

Over inlandsche bedienden. Deel 87.

Noto Soeroto. Fluisteringen van den avondwind. Deel 90.

Keurlezing uit de werken eener mystieke dichteres. Deel 90.

Uit de nalatenschap eener te vroeg gestorven dichteres. Deel 90.

Decadentie eener socialistische dichteres. Deel 90.

terug  begin  verder