terug  begin  verder
[p. 112]

Levensbericht van Richard P.A. van Rees

Op den 26sten Juli 1925 overleed te 's-Gravenhage Richard P.A. van Rees.

Geboren te Nieuwediep op den 14 April 1850, waar zijn vader, de latere Vice-Admiraal, destijds als subaltern zeeofficier diende, werd hij opgeleid tot officier der Mariniers, in welke betrekking hij, als commandant van een detachement, in 1873 naar Oost-Indië vertrok aan boord van Z.M. Schroefstoomschip 1e klasse, ‘Het Metalen Kruis’ en, zoo te land als te water, een actief aandeel nam aan de Tweede Expeditie tegen het Rijk van Atjeh. In een feuilleton van de hand van Van Rees, hetwelk voorkomt in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 24 Januari 1924, werden verschillende épisoden uit dien expeditietijd gememoreerd, o.m. de, door misleidende gidsen-informaties, mislukte expeditie met gewapende sloepen op de Pedir-rivier, welke op een ramp zou uitgeloopen zijn zonder het krachtig vuur van het scheepsgeschut, maar ook zonder de flinke en kalme houding der 300 gedebarkeerde mariniers, waarbij Van Rees als luitenant was ingedeeld en die den aftocht dekten der sloepen, welke, vastgeraakt, door de matrozen over de banken als het ware gedragen moesten worden.

Het feuilleton vond zijn aanleiding in het feit, dat het in Januari 1924 vijftig jaar geleden was sedert ‘Het Metalen Kruis’ met twee andere groote schepen aan deze affaire deelnam, en dat van den toenmaligen état major nog slechts 3 officieren in leven waren: Van Rees, gep. Schout-bij-Nacht C. de Jong en ondergeteekende; en nu, twee jaar later is Van Rees niet meer, evenals de tweede in den bond! Met weemoed herdenk ik ons aangenaam samenzijn op het reeds sedert lang gesloopte schip, waar aan boord Van Rees gewaardeerd werd als goed officier en joviaal kameraad. - Ja, Van Rees behoorde tot mijne oudste en beste vrienden en wij hebben samen heel wat doorgemaakt. Nadat hij wegens ziekte, te Atjeh opgedaan, den militairen dienst moest verlaten, was hij gedurende eenige jaren burgemeester, achtereenvolgens te Hellevoet en te Maassluis. - Uit het openbare leven terug-

[p. 113]

getrokken, ging hij zich wijden aan litteratuur en schilderkunst, meest van zeetafreelen, en bleef tot zijn einde toe vol belangstelling en interesse voor allerlei onderwerpen van publiek belang.

Na het schrijven van eenige boeken, o.a. ‘Eb en Vloed’, ‘Japan-Holland’, werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Zijn bijzonder opmerkingsvermogen en de drang zoowel als de gave, om verkregen indrukken weer te geven, deden telkens grijpen naar pen en penseel, en dat hij elke gelegenheid wilde benutten om zich in het zee-schilderen te oefenen blijkt wel uit het feit dat hij, met vergunning van hoogerhand, als kajuits-passagier de reis mede maakte aan boord van het, onder mijn bevel staande, pantserschip Evertsen, dat in 1898 naar Lissabon vertrok om ons land te vertegenwoordigen bij de Vasco de Gama-feesten, en wel met de bedoeling om eenn studie van Oceaangolven te maken. Ter belooning van genoten gastvrijheid schonk hij ondergeteekende o.a. een wèlgeslaagd schilderstuk, de Evertsen in bewogen zee voorstellende.

Een betrekkelijk korte ziekte maakte op 26 Juli 1925 een einde aan het veel bewogen en bedrijvig leven van Richard van Rees. - Hij verwierf te Atjeh het eerekruis voor belangrijke krijgsverrichtingen en de Kraton-medaille. Voorts was hij ridder in de orde van Villaviciosa van Portugal.

Zijne assche moge rusten in vrede.

 

B. de Groot.

's-Gravenhage, April 1926.

terug  begin  verder