De uitnoodiging te ontvangen voor de ‘Levensberichten der afgestorven medeleden’ onzer Maatschappij een beknopt levensbericht van D.J. De Villiers, Gezant van de Unie van Zuid-Afrika te 's-Gravenhage, te schrijven zou ongetwijfeld door allen, die het voorrecht hadden hem te kennen, gewaardeerd worden.
Deze waardeering is nog grooter wanneer men - hetgeen in ons land in zeer ruimen kring het geval is - bijzondere belangstelling heeft voor de ontwikkeling der Hollandsche kolonie aan de Kaap en de handhaving en versterking van het Hollandsche element in de Unie van Zuid-Afrika, die wel den Koning van Engeland als haar Souverein erkent, maar overigens thans volkomen zelfstandig is.
Nederland heeft de Kaap niet verkocht, zooals nog altijd velen meenen, maar werd gedwongen deze kolonie aan Engeland af te staan. Dat dit ten slotte onvermijdelijk was, voelen wij Nederlanders nog altijd als een onrecht. Het verlies van de Kaap beteekende het prijsgeven van een bij uitstek Nederlandsche kolonie.
Onze voorouders vestigden zich aan de Kaap niet, zooals in Indië, om handel te drijven, maar zochten en vonden daar, halverwege tusschen Nederland en Indië, een geschikte plaats om als ververschingsstation dienst te doen. De opdracht van de Oost-Indische Compagnie aan Jan van Riebeeck was dan ook om daar landbouwproducten te kweeken en vee te telen.
Daarvoor moesten de Hollanders zelf zich in de wildernis van Zuid-Afrika vestigen. Jan van Riebeeck kwam er in 1652 aan met 200 landgenooten. Deze pioniers werden door velen gevolgd.
Ontelbaar waren de gevaren en moeilijkheden die zij te doorworstelen hadden. Zij waren echter geen Hollanders geweest, wanneer zij niet met taai geduld volgehouden hadden. En zij slaagden. Nog altijd zijn landbouw en veeteelt de voornaamste bronnen van bestaan in Zuid-Afrika en het zijn voornamelijk de afstammelingen der Hollandsche voortrekkers, die er zich aan wijden.
Voornamelijk, want in 1677 en 1689 kwamen aan de Kaap ongeveer 180 Franschen aan, die als Hugenoten uit hun land
weggetrokken waren, zooals er zoovelen ook naar ons land uitweken om er een bestaan te vinden.
Evenals hier vonden zij aan de Kaap veiligheid en de kans in hun levensonderhoud te voorzien.
De Oost-Indische Compagnie gaf hun vrijen overtocht en gronden in Stellenbosch, Drakenstein en een landstreek daar in de buurt, die den naam Fransch-Hoek ontving. De Compagnie gaf hun verder gedurende eenigen tijd kosteloos levensmiddelen en hetgeen zij verder behoefden, op crediet. De Hollandsche kolonisten hielpen ook mee, verstrekten vee, graan en geld en de Diakenen van Batavia zonden voor hun ondersteuning f 15000.
De Franschen waren dus wel zeer welkom. Zij beloonden de goede verwachtingen door hun onvermoeide medewerking om de jonge kolonie tot ontwikkeling te brengen, waarbij hun voortreffelijke geestesgaven van groot nut waren.
Evenals hun lotgenooten in Nederland gingen zij geheel op in de Hollandsche nationaliteit. Zij werden Boeren als de Hollanders en streden met hen met dezelfde taaiheid voor vrijheid en voor recht.
Eén van die Fransche vluchtelingen was een De Villiers.
De afstammeling van dezen pionier, die ten slotte zulk een hoogen verantwoordelijken post in zijn vaderland bekleeden zou, had geen onbezorgde jeugd. Hij werd 3 November 1873 te Ficksburg in den Oranje-Vrijstaat geboren. Reeds op zijn 14de jaar moest hij de school aldaar vaarwel zeggen om zoo spoedig mogelijk voor zijn toen reeds weduwe geworden moeder te kunnen zorgen. Hij werd opgeleid tot wetsagent en kon zich, reeds op jeugdigen leeftijd, als procureur en notaris vestigen. Daarmede waren de geldzorgen ten einde. Hij werd eigenaar van verschillende ‘plaatsen’. Eén daarvan koos hij tot woonplaats. Hij doopte haar ‘La Rochelle’, naar de bakermat van zijn geslacht, een der brandpunten van het Fransche Protestantisme.
In 1914 trad hij in het openbare leven op den voorgrond. Hij behoorde toen tot de stichters van de nationale partij, waarvan hij later ook hoofdbestuurslid werd. In hetzelfde jaar werd hij lid van den Provincialen Raad van den Vrijstaat en in 1917 lid van het Uitvoerend Comité.
De Villiers had een groote vereering voor Generaal Hertzog; meermalen getuigde hij daarvan; maar het is wel zeker, dat deze Eerste Minister der Unie van Zuid-Afrika, die zoo goed zijn medewerkers kiezen kan, op zijn beurt de voortreffelijke eigenschappen van De Villiers ten volle kende, met name zijn onkreukbaarheid, algemeene kennis en helder inzicht in zaken, zijn hoffelijkheid en tact om met allerlei menschen om te gaan, maar niet minder zijn groote toewijding aan de belangen van zijn vaderland.
Zoo is het te verklaren dat hij in 1928 gekozen werd om als handels-commissaris de Unie in Milaan te vertegenwoordigen. In deze functie bezocht hij ons land in den herfst van hetzelfde jaar.
Een jaar later, October 1929, vestigde hij zich in Den Haag als eerste Gezant van de Unie van Zuid-Afrika bij het Nederlandsche Hof.
Als Gezant zijn land te mogen vertegenwoordigen, is altijd een onderscheiding, vooral wanneer, zooals in dit geval, de benoemde niet uit het diplomatieke corps voorkomt. Maar de benoeming van De Villiers was voor hem nog eervoller, omdat de Unie toen slechts drie gezantschappen had en nog heeft: Washington, Rome en Den Haag. Thans is ook van Berlijn ernstig sprake.
De vestiging van een gezantschap der Unie van Zuid-Afrika in Nederland was een feit van meer dan gewone beteekenis, zoowel voor Zuid-Afrika als voor Nederland.
Het recht van uitzending van gezanten is slechts uitvloeisel van volstrekte onafhankelijkheid. Het is derhalve verklaarbaar dat de Regeering der Unie er prijs op stelde ook een gezantschap in het moederland te vestigen, om daar duidelijk en voortdurend te doen blijken, dat Nederland gerust kan zijn: de Hollandsche kolonie in Zuid-Afrika, tot een natie uitgegroeid, zal niet ondergaan. Zij zal er voor waken dat de Hollandsche naam ook in het Zuiden van Afrika altijd met eerbied zal genoemd worden.
De instelling van het gezantschap beteekende ook dat de Regeering der Unie begeerig is de vriendschappelijke betrekkingen met Nederland te onderhouden en den handel tusschen beide landen uit te breiden.
Nederland begreep dat alles en drukte krachtig de uitgestoken hand. De consul-generaal, Mr H.A. Lorentz te Pretoria, werd buitengewoon gezant en gevolmachtigd Minister, alzoo in gelijken rang als de heer De Villiers hier, en door instelling der Commissie voor den Nederlandsch Zuid-Afrikaanschen handel en in verschillende andere vormen bevordert de Nederlandsche Regeering zooveel mogelijk de uitbreiding der handelsbetrekkingen.
Zoo wappert dan nu ook de oude Prinsenvlag, als de vlag van Zuid-Afrika, van het gebouw van het Gezantschap en van de woning van den Gezant in Den Haag. Die oude vertrouwde vlag kwam als een stem uit het ver verleden, toen onze ondernemende voorouders onder leiding van Jan van Riebeeck haar in Zuid-Afrika plantten, maar ook als een stem van het heden, getuigend van de verrijzing eener nieuwe Hollandsche natie, haar 17de eeuwsche voorgangers tot eer.
De heer De Villiers vond hier een uitgebreiden werkkring. Wel was hij alleen in Nederland geaccrediteerd, maar hij moest ook zijn zorgen wijden aan de economische belangen van zijn land in België, Duitschland, de Scandinavische landen, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Polen.
Veelomvattend was dus zijn taak, maar dank zij zijn rustigen aard en uitgebreide economische kennis beheerschte hij haar vol-
komen, en zij werd aanmerkelijk verlicht door de groote toewijding, waarmee de ambtenaren van het Gezantschap zich van hun taak kwijten en den steun van handelscommissarissen te Rotterdam, Oslo, Göteborg en Hamburg.
De representatieve plichten zijn voor een gezant, die zijn taak juist opvat, evenzeer van groote beteekenis.
Hij vindt in de goede vervulling daarvan een middel om de belangen van zijn land in de kringen waarin hij zich bewegen moet, te dienen en er een sympathieke sfeer voor aan te kweeken.
De Villiers verstond deze kunst voortreffelijk, en wij mogen deze gelegenheid aangrijpen om ook Mevrouw De Villiers onze hulde te brengen voor de wijze waarop zij haar echtgenoot hierbij ter zijde stond. Zij was bij elke ontvangst eigenlijk het middelpunt.
De positie van den Gezant der Zuid-Afrikaansche Unie is uit den aard der zaak anders, eenerzijds gemakkelijker maar anderzijds moeilijker dan die van de hoofden der andere gezantschappen. Hij wordt hier tot zekere hoogte beschouwd als een der onzen, hetgeen, vooral in de kringen die zich met Zuid-Afrika bezig houden, gemakkelijk leidt tot een zekere vertrouwelijkheid. Maar daaruit volgt ook dat hij bloot staat aan het verwijt zijn zelfstandige positie als vertegenwoordiger van een onafhankelijk land niet zuiver in acht te nemen.
De gedragslijn van den heer De Villiers heeft tot dit verwijt nooit aanleiding gegeven. En toch liet hij geen gelegenheid voorbijgaan om te wijzen op het groote belang, zoowel voor Nederland als voor Zuid-Afrika om het cultureel en het economisch verkeer tusschen beide zooveel mogelijk te bevorderen.
Hij kwam ook onomwonden uit voor zijn meening dat de Zuid-Afrikaners zich behooren vertrouwd te maken met de oude Nederlandsche beschaving, willen zij in hun taal en cultuur hun zelfstandigheid kunnen bewaren.
Het vroegtijdig sterven van dezen voortreffelijken Afrikaner wordt ook in Nederland diep betreurd.
P.J. de Kanter.