|
|
|
| |
| | | |
| |
[VIII.] Verslag der commissie voor schoone letteren
VIII. Hierna volgt voorlezing, door den heer Asselbergs, van het verslag der Commissie voor Schoone Letteren:
De werkzaamheden van de Commissie voor Schoone Letteren, die hoofdzakelijk bestaan in het aanwijzen van een candidaat voor den C.W. Van der Hoogt-prijs, werden gedurende het afgeloopen jaar eenigermate bemoeilijkt door een welwillende beschikking van het bestuur op een ter vorige jaarvergadering uitgebracht voorstel, voortaan in plaats van een enkelen een tweetal candidaten voor den jaarlijkschen aanmoedigingsprijs te stellen. Na lange discussie over de gewenschtheid van dezen maatregel werd besloten, aan de jaarvergadering een nieuw voorstel te doen, hetgeen in overeenstemming met het bestuur zal geschieden. In een viertal vergaderingen van de Commissie bleek, dat het niet licht viel, uit de groote hoeveelheid Nederlandsche bellettristische geschriften, gedurende de laatste periode in het licht gegeven, een beslissende keuze te doen. Zeer vele boekwerken werden besproken, negen uitgaven werden aan een nader onderzoek onderworpen en slechts na lange aarzeling kwam men tot de samenstelling van het advies, dat zoowel voor wat den eerstgenoemden als voor wat den tweeden candidaat betreft op een uitspraak van de meerderheid der leden berust. Het secretariaat van de Commissie voor Schoone Letteren zal met ingang van het nieuwe vereenigingsjaar worden waargenomen door dr W.A.P. Smit te Deventer. De Commissie, die weinig spontane medewerking van de Nederlandsche uitgevers mocht ondervinden gedurende den laatsten tijd, dringt er op aan, dat werken, waarvan men redelijk vermoeden kan, dat ze voor den C.W. Van der Hoogt-prijs in aanmerking komen, door de uitgevers of de auteurs zullen toegezonden worden aan haren secretaris. Zonder deze hulp is het moeilijk, een volledig overzicht te krijgen van het voorradige materiaal.
De klacht over onvoldoende medewerking van de uitgevers doet mevrouw Mees-Verwey opmerken dat het toch niet redelijk is te verwachten dat de uitgevers alles wat bij hen verschijnt naar de commissie zenden in de hoop op een bekroning; de regelmatig uitkomende lijsten der nieuwste uitgaven kunnen de commissie dienen om op de hoogte te blijven.
Over die medewerking valt niet te klagen, meent de heer Enno Van
| | | |
Gelder, die het prijst dat daardoor de toekenning van den dr Wynaendts-Francken-prijs zeer werd vergemakkelijkt.
| |
De C.W. van der Hoogt-prijs
De adviezen over de toekenning van den prijs voor het jaar 1938 zijn als vertrouwelijke mededeeling afgedrukt in den beschrijvingsbrief:
In aansluiting aan een bij de vorige jaarvergadering uitgedrukten wensch en in overleg met de Commissie voor Schoone Letteren zijn thans twee candidaten genoemd, die voor den aanmoedigingsprijs in aanmerking komen.
De jaarvergadering heeft nu uit te maken welke auteur naar haar meening het meeste recht daarop heeft.
Haar uitspraak wordt verkregen bij schriftelijke stemming. Blanco stemmen zijn niet geldig.
Advies van de Commissie voor schoone letteren
De Commissie voor Schoone Letteren adviseert het Bestuur, als candidaat voor den C.W. Van der Hoogt-prijs aan de vergadering voor te dragen den dichter, romanschrijver en criticus S. Vestdijk, zulks naar aanleiding van zijn werk ‘Het Vijfde Zegel’.
In dit boek onderneemt de auteur, die zich als verteller voordien meestal bepaalde tot de gedetailleerde psychologische analyse van den modernen mensch, een stoute poging tot reconstructie van de geestelijke problemen uit een bewogen tijdperk der historie, welke hij den lezer voor oogen stelt door het uitbeelden der bezieling en aandriften van den schilder El Greco. De verbeelding van diens in werkelijkheid vrijwel onbekende levensgeschiedenis tot een dramatischen strijd van soms bijna demonische krachten en tegenkrachten, te midden eener wereld, die zich door veruiterlijking en verleugening van alle geestelijke waarden kenmerkt, wijst op een sterk uitdrukkingsvermogen, gepaard aan een oorspronkelijke en pakkende visie op de spanningen, waaruit het werk van dezen schilder is ontstaan.
Het komt de Commissie voor, dat deze auteur, die in sommige letterkundige kringen reeds erkenning vond, in dezen roman blijk heeft gegeven van nieuwe mogelijkheden, die alleszins verdienen te worden aangemoedigd. Dit jongste werk kan immers worden beschouwd als het bewijs eener verruiming van zijn gezichtsveld.
Op uitdrukkelijk verlangen van het Bestuur, dat de Commissie vroeg nog een tweeden candidaat voor den C.W. Van der Hoogt-prijs te benoemen, adviseert de Commissie als zoodanig voor te stellen den dichter en romanschrijver Jan H. Eekhout, op grond van zijn boek ‘Warden een Koning’.
Zij oordeelt, dat deze auteur, die in talrijke, waaronder vele gevoelige en gave gedichten, de gemoedsgesteldheid van den godsvruchtigen christen tot uitdrukking bracht, in dezen roman een geslaagde poging leverde om de reeds door zeer talrijke schrijvers gevestigde traditie van het gewestelijke verhaal, te verrijken met een gezonde, landelijke vertelling, te boek gesteld in eenvoudig en teekenachtig proza.
Advies van het bestuur
Het Bestuur vereenigt zich met het advies der Commissie voor Schoone Letteren.
Vóór tot stemming wordt overgegaan zet de heer Van Eyck zijn bezwaren tegen de voordracht der Commissie voor Schoone Letteren uiteen.
| | | |
Met toekenning aan een der genoemde candidaten wordt het doel van den prijs gemist, want hij is ingesteld om jonge dichters aan te moedigen. De nu voorgedragen candidaten zijn beiden veertig jaar oud. Vestdijk is bekend genoeg en wordt meer erkend dan de commissie het thans voorstelt. Volgens spreker is het stelsel onjuist, waarbij de keuze aan de leden wordt gelaten. Wil men het echter handhaven, dan is het logisch dat twee boeken worden voorgesteld, maar dan moeten dat ook de twee beste zijn en kunnen wij niet aanvaarden, dat een van die twee dat bij lange na niet is. De heer Van Eyck neemt aan, dat de commissie deze tweede voordracht niet in ernst bedoeld heeft en beschuldigt haar van sabotage der door het bestuur voorgeschreven regeling.
De voorzitter maakt bezwaar tegen een bespreking der voorgestelde werken, waardoor hun auteurs, zonder dat zij zelf daartoe aanleiding gaven, aan critiek worden blootgesteld.
De heer Asselbergs verdedigt de commissie; wat den leeftijd der voorgestelde schrijvers betreft, beroept hij zich op vroegere bekroningen, waarbij een verschuiving van de jeugdgrens valt waar te nemen, zóó ver zelfs, dat deze aanmoedigingsprijs eens aan den grootsten onder de meer bejaarde auteurs ten deel viel. Vergeleken daarbij mag bijna veertig jaar en nog geen veertig jaar jong worden genoemd.
Aan de commissie kan op dezen grond geen verwijt worden gemaakt; doch ook de beschuldiging van deloyale sabotage verwerpt hij ten eenenmale. Over beide auteurs is ernstig en langdurig van gedachte gewisseld.
De voorzitter merkt op, dat het bestuur het uitgebrachte advies niet als sabotage van zijn regeling beschouwt.
De heer Bloem komt ook voor de commissie op; de prijs van aanmoediging moet toch altijd worden gegeven aan iemand, die wel aan het begin van zijn loopbaan staat, maar toch voldoende bewijs van zijn kunnen heeft gegeven, dus niet aan een piepjong schrijver, wiens eerste verzen zijn uitgekomen.
De heer Dominicus stelt de vraag, wat er gebeurt wanneer een groote meerderheid blanco stemt, zoodat daaruit mag afgeleid worden dat zij den candidaten geen van beiden haar stem wenscht te geven.
De bespreking van deze vraag wordt verschoven tot die over de wijziging van artikel 59. Is de heer Dominicus tegen toekenning van den prijs, dan kan hij nu een voorstel in stemming brengen. De heer Margadant wenscht dit laatste te doen, in overeenstemming - naar hij meent - met de opvatting van den heer Van Eyck. Deze weerlegt, dat dit zijn
| | | |
bedoeling zou zijn geweest, waarop de heeren Dominicus en Margadant verklaren geen voorstel te doen. Terwijl de stembiljetten reeds worden opgehaald, verlangt mevrouw Van Schaik-Willing nog het woord over deze aangelegenheid, doch wordt verzocht bij de rondvraag er op terug te komen.
De heeren Byvanck en Slagter belasten zich op verzoek van den voorzitter met de telling der stemmen. Ingeleverd zijn 98 biljetten, waarvan 21 blanco, die evenals één, ingevuld op beide candidaten, van onwaarde zijn. Van de 76 overige zijn 60 voor Vestdijk en 16 voor Eekhout; het werk van Vestdijk krijgt dus den prijs.
De vergadering wordt dan geschorst. Terwijl men naar de koffietafels gaat, worden de stembiljetten voor de verkiezing van leden in bestuur en commissiën ingezameld.
Ongeveer halfdrie wordt de vergadering voortgezet.
|
|
|