Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1941


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1940-1941. E.J. Brill, Leiden 1941  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[X.] De Dr Wijnaendts Francken-prijs

X. Mr Nijhoff deelt de voordracht voor den Wijnaendts Francken-prijs mede:

De commissie van de Wijnaendts Francken-prijs 1941, tot taak hebbend het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te adviseeren omtrent het toekennen van den prijs aan de volgens haar inzicht beste letterkundige studie verschenen in het tijdvak 1937-1941, heeft haar werkzaamheden in het voorjaar 1941 aangevangen door het doen circuleeren tusschen haar leden van een groot aantal in aanmerking komende werken. Vervolgens, daar reismoeilijkheden een samenkomst belemmerden, werd gepoogd schriftelijk tot overeenstemming te geraken omtrent den aan het Bestuur voor te dragen candidaat. De bij den secretaris der commissie binnenkomende stemmen bleven echter verdeeld tusschen vier candidaten, en wel tusschen Vestdijk, voor zijn ‘Albert Verwey en de Idee’, Hoornik, voor zijn ‘Tafelronde’, Smit, voor zijn ‘Dichters der Reformatie in de zestiende eeuw’, en Binnendijk, voor zijn opstellen ‘Zin en tegenzin’.

Uit de binnengekomen brieven moge het volgende geciteerd worden betreffende de genoemde vier candidaten.

Vestdijk's ‘Albert Verwey en de Idee’ is altijd boeiend van opvatting en doordringend van uitdrukking, verrassend door scherpzinnige onder-

[p. 95]

scheidingen, fijngevoelige ontledingen... Het werk vormt een doorloopend geheel rondom een kerngedachte, die verschillende perspectieven op het leven opent en Albert Verwey met eerbiedige critiek benadert...

Hoornik is in zijn ‘Tafelronde’ erin geslaagd, het schrijven over poëzie op een hooger niveau te brengen... Zijn ‘Forum voorbij’, een soort program van de jongste generatie, geeft toe aan geen enkele illusie, aan geenerlei zelfoverschatting en is toch niet défaitistisch en toch een eisch van erkenning... De tamelijk ingewikkelde dingen waarover hij schrijft staan hem helder voor den geest en hij gaat recht op het doel af...

Met Smit's ‘Dichters der Reformatie’ is onze literatuurbeschouwing een met smaak geschreven boek rijker, dat vooral zeer goede typeeringen van de opgenomen gedichten bevat. Als studie over een tot nu toe verwaarloosd onderdeel van onze letterkundige geschiedenis, verdient het werk groote waardeering...

Binnendijk's ‘Zin en tegenzin’ werd voorgedragen wegens den doordachten schrijftrant, vrij van eenig vooroordeel of parti pris. Op tal van figuren, ouder en jonger dan hijzelf, heeft hij de aandacht gevestigd door zijn kronieken gedeeltelijk in dit boek gebundeld.

Toen dus langs schriftelijken weg geen overeenstemming bereikt werd tusschen de commissieleden, is tot een bijeenkomst overgegaan. Bij stemming werd besloten het genoemde werk van Vestdijk ter bekroning voor te dragen. Zijn ‘Albert Verwey en de Idee’ behandelt een vaderlandsch onderwerp in een universeelen geest. Men bewondert het scherpe analytisch vermogen, op letterkundig gebied tot ongekende diepte voortgezet. Tal van psychologische problemen en kwesties op het gebied van de techniek der poëzie worden op ongemeen heldere wijze in verband met het dichterschap van Albert Verwey ter sprake gebracht. De bezwaren door sommige leden tegen Vestdijk's boek aangevoerd vonden wel erkenning bij de overige, doch konden niet den doorslag geven. Zij betroffen de te groote plaats ingeruimd aan de wetenschappelijke psychologie en haar methode, den al te breedvoerigen betoogtrant, het tekort aan synthese. Voor eenige commissieleden gold mede als argument, dat Vestdijk, behalve zijn boek over Verwey, in hetzelfde tijdbestek een bundel studies ‘Lier en Lancet’ gepubliceerd heeft, studies gewijd aan Europeesche en Amerikaansche letterkundige figuren, waarin de schrijver, op de voor hem kenmerkende wijze, irrationeele en cerebrale elementen weet te vereenigen.

Dat Vestdijk eenige jaren geleden als romancier werd bekroond met den Van der Hoogtprijs, vormde, naar het inzicht der commissie, geen

[p. 96]

beletsel het Bestuur te adviseeren, aan Vestdijk den Wijnaendts Franckenprijs 1941 toe te kennen.

Eenige bedenkingen van het bestuur tegen het voorstel der commissie worden hierna door spreker voorgelezen:

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, kennis genomen hebbende van de aanbeveling der commissie voor den Wynaendts Francken-prijs, heeft besloten het advies dier commissie te volgen en mitsdien te bekronen ‘Albert Verweij en de Idee’ van den heer Simon Vestdijk.

Het kan zich daarbij evenwel niet ontveinzen, dat er een zeker bezwaar in gelegen is een schrijver, die reeds eerder, zij het om werk van anderen aard en op voordracht van een andere commissie, is bekroond, voor de tweede maal door de Maatschappij te doen bekronen. Bovendien gevoelden verschillende leden van het bestuur - bij alle waardeering voor het vele goede - ernstige bezwaren tegen het voor bekroning voorgedragen boek.

Zijn besluit is evenwel gegrond op de overweging, dat het eenerzijds niet billijk is, een schrijver van bekroning uit te sluiten, omdat hij reeds eerder op ander terrein lauweren heeft geplukt, en anderzijds op het feit, dat het in het advies eveneens genoemde werk ‘Lier en Lancet’ van denzelfden auteur mede te zijnen gunste in het geding kan worden gebracht.