Toen de redactie van het Jaarboek het verzoek tot mij richtte een beknopt levensbericht van wijlen Prof. Ewert Wrangel te schrijven, heb ik gemeend daaraan te moeten voldoen, omdat ik door mijn verblijf in Zweden beter dan de meeste andere leden der Maatschappij in de gelegenheid was gegevens voor een dergelijke levensbeschrijving te verzamelen. Daar ik evenwel Prof. Wrangel niet gekend heb, ben ik mij ervan bewust, dat een belangrijke zijde van zijn persoonlijkheid slechts heel onvoldoende door mij belicht kan worden, te meer, waar mij uit gesprekken met zijn vrienden en leerlingen gebleken is, dat hij in het academisch leven in Lund een buitengewoon grote rol heeft gespeeld.
Ewert Wrangel werd in Stockholm geboren, waar zijn vader, die tot een van de oudste adellijke geslachten in Zweden behoorde en volgens de familietraditie officier was, toen zijn standplaats had. De Wrangels waren echter afkomstig uit Zuid-Zweden en keerden zodra de gelegenheid daartoe kwam daarheen terug. Na het gymnasium in Växjö te hebben doorlopen werd Ewert Wrangel in 1882 ingeschreven als student in Lund, in welke stad hij al spoedig ingeburgerd was als weinigen.
In 1884 legde hij het candidaatsexamen af in die literatuur- en kunstgeschiedenis, reeds het volgend jaar kreeg hij een betrekking aan de universiteitsbibliotheek. Na de verdediging van zijn proefschrift (de plechtige promotie heeft in Lund en Uppsala eens in het jaar plaats, in Stockholm en Göteborg eens in de drie jaar; dan worden allen, die gedurende die tijd hun proefschrift hebben verdedigd tegelijk gepromoveerd) werd hij tot docent in de aesthetica en de literatuurgeschiedenis benoemd. Aan de Zweedse hogescholen is een docentschap namelijk dikwijls een onderscheiding, die verleend wordt als beloning voor een bijzonder goed proefschrift. Meestal is er een beurs aan verbonden, die voor een bepaald aantal jaren aan dezelfde persoon kan worden uitgereikt. Op die manier krijgen wetenschappelijk begaafde jonge doctoren enige hulp, waardoor ze in staat worden gesteld hun wetenschappelijk werk nog enkele jaren voort te zetten.
Een paar maal (van 1889-1891 en van 1898-1899) nam Wrangel het professoraat in aesthetica, literatuur- en kunstgeschiedenis waar, totdat hij in 1899 zelf tot hoogleraar in deze vakken werd benoemd. Eigenlijk was de taak, die nu op zijn schouders kwam te rusten al te veelom-
vattend, maar het duurde tot 1919 voordat men er toe overging voor de literatuurgeschiedenis een afzonderlijk hoogleraar te benoemen.
Gedurende die meer dan twintig jaar is het Wrangel gelukt de veeleisende betrekking zo te vervullen, dat hij op de meest verschillende gebieden van zijn studieterrein de studenten leiding kon geven en hen als een vaderlijke vriend met raad en daad kon bijstaan, terwijl hem tevens tijd overbleef voor eigen wetenschappelijk werk. Men had dan ook moeilijk iemand kunnen vinden, die beter geschikt was voor de geweldige taak, dan deze kunsthistoricus, die tegelijkertijd een belezen bibliothecaris was.
Mochten onderwijs, studie en gezelschapsleven al zijn tijd opeisen gedurende het academisch leerjaar, zodra de vacantie was aangebroken werd Wrangel aangestoken door de onbedwingbare reislust, die zoveel Zweden naar het Zuiden drijft. Zijn talrijke reizen, die zich over geheel Europa uitstrekten, van Engeland, Holland, België, Frankrijk en Spanje tot Finland, Rusland en Griekenland, werden bijna altijd ondernomen met een bepaald wetenschappelijk doel; meestal genoot hij ook steun van de regering of van een of ander universiteitsfonds.
In vele gevallen gold zijn onderzoek archivalia of ander materiaal uit de eerste hand. Dit was b.v. zo met het werk, waaraan hij in 1898 zijn benoeming tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en tot erelid van het Historisch Genootschap te Utrecht had te danken: De betrekkingen tussen Zweden en de Nederlanden op het gebied van letteren en wetenschap, voornamelijk gedurende de 17e eeuw (Lund 1897; de Nederlandse vertaling van Mevr. T. Beets-Damsté is van 1901).
Het spreekt vanzelf, dat Wrangel met zijn brede wetenschappelijke basis, zijn bereisdheid en zijn aristocratische, maar toch gemoedelijke, vriendelijke manier van optreden de aangewezen man was om Zweden te vertegenwoordigen op internationale congressen, bij universiteitsjubilea en dergelijke feestelijkheden. Zo was hij o.a. aanwezig bij het 300-jarig universiteitsjubileum te Groningen in 1914 en bij de inwijding van de universiteit van Jeruzalem in 1925. Deze laatste plechtigheid combineerde hij met een studiereis door Egypte, Palestina, Syrië, Cyprus, Klein-Azië en Griekenland.
Van verschillende geleerde genootschappen in het buitenland was Wrangel erelid; de universiteit te Greifswald huldigde hem in 1923 voor zijn onderzoekingen op het gebied der kerkelijke kunst met een doctoraat honoris causa in de theologie.
Het lag in de lijn van Wrangels persoonlijkheid om zich voor de meest uiteenloopende vraagstukken te interesseren: dank zij zijn grote belezenheid en uitgebreide kennis viel het hem niet moeilijk zich vlug in een nieuw onderwerp in te werken en de resultaten van zijn onderzoek ook voor een niet-academisch publiek toegankelijk te maken. Toch bezat hij naast die veelzijdige belangstelling ook voorliefde voor een paar onderwerpen, waarnaar hij telkens weer terugkeerde. Beide hingen samen met de universiteitsstad, die hem tot een tweede vaderstad was geworden. Het ene onderwerp was de oude statige domkerk te Lund met haar vele kunsthistorische schatten en merkwaardigheden, het andere Esaias Tegnér, de grootste dichter van Zweden, die in het begin van de 19e eeuw professor was in Lund en daarna bisschop in Växjö. Wrangel heeft zich, juist doordat hijzelf zo thuis was in de beide steden, in het gehele milieu rondom Tegnér kunnen inleven, zoals geen ander.
Het belangrijkste gedeelte van zijn werkzaamheid ligt echter op kunsthistorisch gebied. Hij was de stichter van het Tijdschrift voor Kunstwetenschap en dank zij hem kwam in 1918 het Koninklijk Humanistisch Wetenschappelijk Genootschap in Lund tot stand. Door zijn persoonlijke charme en zijn menschenkennis slaagde hij erin verschillende van de nouveaux riches uit die dagen ervan te overtuigen, dat zij de aangewezen maecenaten waren voor het te stichten genootschap.
Tenslotte heeft Wrangel een niet geringe invloed uitgeoefend gedurende de vele jaren, waarin hij als docent en raadgever zijn leerlingen aanmoedigde en hielp. Hij behoorde tot de centrale figuren in de kleine universiteitsstad, waar de academische tradities worden hooggehouden: ‘hij was voor ons een spiritus familiaris’, schrijft een van zijn collega's, ‘hij was werkelijk verwant aan de genius loci’. Zijn gemoedelijke, maar tegelijkertijd stijlvolle welsprekendheid schijnt hartelijkheid en sierlijkheid in zeldzame harmonie te hebben verenigd. In alle karakteristieken die van hem gegeven worden komen zonder uitzondering dezelfde trekken naar voren: ridderlijkheid, vriendelijkheid en een onuitputtelijke energie en belangstelling voor alles wat tot het academisch leven en tot de kunst en de litteratuur behoorde.
Stockholm, October 1943.
Martha A. Muusses
| 1888 | Det Carolinska tidehvarfvets komiska diktning, (Proefschrift). |
| 1893 | Allhelgonakyrkan i Lund. |
| 1895 | Frihetstidens odlingshistoria. Ur litteraturens häfder 1713-1733. |
| 1898 | Estetiska studier. |
| 1899 | Cisterciensernas inflytande på medeltidens byggnadskonst i Sverige. |
| 1906 | Brinkman och Tegnér. Ett vänskapsförhållande, efter förtroliga bref. |
| 1912 | Den blåögda. Ur Hilda Wijks litterära minnen. |
| 1912 | Dikten och diktaren. |
| 1912 | Martina von Schwerin, snillenas förtrogna. |
| 1913 | Tegnérska släktminnen och ungdomsbilder. |
| 1916 | Tegnérs kärlekssaga. Den Myhrmanska kretsen och den första Tegnérska tiden på Rämen. |
| 1917 | Rämen och Tegnérminnet. |
| 1918 | Gamla studentminnen från Lund. |
| 1918 | Studier i gammalkristen ornamentik. |
| 1920 | Rafael, hans levnad och verk. |
| 1923 | Lunds domkyrkas konsthistoria. Förbindelser med stilfränder. |
| 1923 | Konstverk i Lunds domkyrka. |
| 1925 | Småländska kulturbilder. |
| 1930 | Korstolarna i Lunds domkyrka. |
| 1932 | Tegnér i Lund. (2 delen). |
| 1935 | Tegnérhemmet i Lund. |
| 1926 | Allmänt konstlexikon. |
| 1890 | Eduard von Hartmanns estetiska system i kritisk belysning. |
| 1897 | Sveriges litterära förbindelser med Holland särdeles under 1600-talet. |
| 1915 | Det medeltida bildskåpet från Lunds domkyrkas högaltare. Ett ikonografiskt och stilkritiskt bidrag till skulpturens historia. |
| 1897 | Tegelarkitekturen i norra Europa och Uppsala domkyrka. Verder talrijke wetenschappelijke artikelen in Zweedse en buitenlandse tijdschriften, in encyclopaedieën en verzamelwerken, o.a. in Samlaren, Historisk Tidskrift, Nordisk Familjebok, Svensk Uppslagsbok en Brockhaus. Populairwetenschappelijke artikelen in tijdschriften en couranten. |