Tot het begin van de 16e eeuw bleven de buitenlandsche betrekkingen van Japan beperkt tot het verre Oosten. De eerste handelsrelaties met de Portugeezen werden aangeknoopt in het jaar 1542, nadat een Portugeesch schip op het eiland Kagoshima was gestrand. De Portugeesche kooplieden werden al spoedig gevolgd door Roomsch-Katholieke missionarissen, die met groot succes in Japan werkzaam waren. Toen echter de shogunale regeering de Roomsch-Katholieke missie ervan verdacht politieken invloed te willen uitoefenen, werd het christendom in Japan verboden en werden de Portugeezen uit het land verwijderd. Slechts den Hollanders, die voor het eerst in het jaar 1600 in Japan waren gekomen, werd vergund te blijven en handel te drijven. Zij werden echter genoodzaakt om te gaan wonen op het eilandje Deshima, gelegen vóór de stad Nagasaki. De grondslag voor de Japansch-Nederlandsche betrekkingen tot 1855 was een door de Japansche regeering op verzoek van Prins Maurits in 1609 afgegeven pas, die den Hollanders toestond handel te drijven. Deze werd in 1617 vernieuwd. Het Opperhoofd van de factorij te Deshima moest elk jaar zijn opwachting maken bij den Shogun te Yedo (Tokyo), waarbij geschenken werden aangeboden, waaronder volgens Kaempfer soms de ‘misselijkste gedrochten en zeldzaamste dieren’ zich bevonden. Soms kreeg het Opperhoofd opdracht zulk een dier te bestellen. Men vroeg bijvoorbeeld een phoenix en men stuurde een casuaris ‘die bleek niet van de regte pluimage te zijn’ en die dan werd teruggezonden.
Hoewel reeds gedurende de 17e eeuw verschillende Japanners pogingen deden om kennis te nemen van Europeesche cultuur, was er een stimulans noodig om tot werkelijke belangstelling te komen. Deze stimulans was een werk van den Confucianist Arai Hakuseki, in 1709 door hem geschreven naar aanleiding van een vraaggesprek met Joan Batista Sidotti, een Roomsch-Katholiek geestelijke, die door geloofsijver gedreven, naar Japan was gekomen om te trachten de R.K. missie te herstellen. Het werk stelde duidelijk de gezichtspunten van en het verschil van voorstellingen tusschen Hakuseki's zegslieden, Sidotti en de Hollanders in het licht. Het boek baarde groot opzien en er ontstond in wetenschappelijke kringen groote belangstelling voor de Hollandsche cultuur.
Toen in het jaar 1720 door den shogun Yoshimune het ongeveer een eeuw vroeger afgekondigde verbod op den invoer van boeken werd opgeheven, was
voor de geleerden in Westersche wetenschappen een belangrijke barrière weggenomen en ging zich in Yedo en later in Osaka een kring van geleerden vormen, die zich Rangakusha (Hollandsche geleerden) noemden. Zij legden zich toe op Westersche wetenschappen, de studie van de Nederlandsche taal en de Hollandsche schilderkunst. Een der voornaamste Rangakusha was de medicus Otsuki Gentaku, die in 1789 een school stichtte, de Shirando genaamd, welke het middelpunt der geleerden vormde. Zij werden in hun studie bijgestaan door de tolken van Deshima, door den op Deshima werkzamen medicus, of door het Opperhoofd. In dit verband noemde spreker de in dienst van de Oost-Indische Compagnie getreden buitenlandsche artsen Kaempfer, Thunberg en Von Siebold, alsmede de opperhoofden Titsingh en Doeff. Vooral de laatstgenoemde had grooten invloed onder de geleerden en genoot een groot vertrouwen van de Japansche autoriteiten. Na den val van het shogunaat en de afsluiting van verdragen met de Europeesche mogendheden nam de Japansche regeering verschillende Nederlandsche geleerden in dienst. Als zoodanig noemde spreker de medici Pompe van Meerdervoort, van Mansvelt, dr Bauduin, dr Gratama, dr Van Leeuwen van Duivenbode, dr Ermerins, Fock, Eykman, Beukema en anderen. In 1855 werd een Marinedetachement onder commando van den overste Pels Rijken naar Japan gezonden en in Nagasaki werd een Marineschool opgericht. Op het gebied der bevloeiing, de waterbouwkunde enzoovoorts werd de Japansche regeering voorgelicht onder anderen door de ingenieurs van Doorn, Lindo en Escher.
Aan de hand van het systematisch onderzoek der monumenten in de Noordelijke provinciën, het verst gevorderd in Groningen, en van de litteratuur uit de jaren 1934-'40 over Duitschen en Deenschen vroegen baksteenbouw, wordt gezocht naar nadere bepaling van aard, afkomst, waarde en internationale plaats van speciaal de baksteenen kerken in ons Noorden; het huidig Friesland, Groningen, Oostfriesland en Noord-Drente zijn hier als één gebied te beschouwen.
In Friesland wordt het eerste stadium van den kerkenbouw in bestendig materiaal waargenomen, en wel van tufsteen, gepaard gaande met het veel voorkomen van ronde koorsluitingen bij oorspronkelijk niet-overwelfde kerken. In Groningen en Oostfriesland daarentegen ziet men vooral de latere ontwikkeling en dus overwegend baksteen, rechte koorafsluitingen, koepelachtige gewelven met meest acht ronde ribben, bij dikwijls kruisvormige kerken met veelal vrijstaande torens.
De tufsteenbouw is primair, maar zeer vroeg worden tuf- en baksteen naast elkaar gebruikt, het laatste materiaal aanvankelijk op ondergeschikte plaatsen. De baksteenbouw is hier zeker reeds in de tweede helft van de 12de eeuw
belangrijk, gelijk onder andere de ontgraving der grondslagen der kerk van het oudste Cistercienserklooster, Klaarkamp bij Rinsumageest, toont.
In Groningerland cum annexis is tijdens de vroeggothische periode een hardnekkig vasthouden aan het wezen der inheemsch geworden romaansche traditie vast te stellen, die zeer langzaam evolueert: die kerkenbouw is daarom het best romano-gothisch te noemen.
Deze kerkelijke baksteenbouw in zijn geheel vormt een zelfstandige groep, naast vrijwel gelijktijdige baksteenbouw van kerken in Brandenburg, Mecklenburg, Holstein en aangrenzende gebieden en Denemarken. Wel zijn Italiaansche invloeden naast andere in vroegen tijd te bemerken - de Lombardijsche baksteenbouw is in tijd de oudste - maar voor de vormgeving, reeds tijdens het tufsteentijdperk en nog meer later, is de natuursteenbouwkunst van het Rijnland met zijn grootsche romano-gothische bouwschool beslissend, vooral wanneer men in aanmerking neemt de belangrijke kerken, die zijn verdwenen.
Slechts voor den gewelfbouw en voor details is Westfalen van beteekenis, maar het gaat slechts om invloed, allerminst om navolging. Onze sierlijk gemetselde halfsteens koepelachtige gewelven zijn iets geheel anders dan de Westfaalsche van 40-90 cm dikte. Ook naast andere baksteen-groepen treft in het algemeen hier zorgvuldig metselwerk met dunne voegen en toepassing van nissen met siervlechtingen, het eerstgenoemde trouwens reeds bij den tufsteenbouw.
Door de zoo beroemd geworden bewerking in Engelsche verzen van het werk van den Perzischen dichter Omar Chajjâm door Edward FitzGerald, die voor het eerst in 1859 verscheen, is het werk van dezen dichter niet alleen in de Engelsche litteratuur, maar ook in andere West-Europeesche litteraturen binnengedrongen. Dit is de laatste maal, dat een stukje Mohammedaansch-Oostersche litteratuur in de Europeesche cultuur invloed heeft doen gelden. FitzGerald's bewerking van de kwatrijnen is overigens eerst omstreeks 1870 de aandacht gaan trekken.
Ten gevolge van deze uitgave is ook de philologie zich meer met Omar Chajjâm gaan bezighouden. Met de overlevering van zijn kwatrijnen staat het echter zeer slecht, want de oudste handschriften van zijn werk zijn pas drie eeuwen na zijn dood (1132) geschreven en bovendien zijn de aantallen kwatrijnen, die in de handschriften voorkomen zeer verschillend. In de litteraire overlevering der Perzen was Chajjâm niet eens een gevierd dichter; vóór alles kent men hem daar als astronoom en wiskundige. Verder is gebleken, dat zeer veel op zijn naam staande kwatrijnen ook anderen dichters worden toegeschreven. De philologie heeft zich daarom vooral bezig gehouden met de vraag wat Omar's eigen werk is, maar geen der gevolgde wegen heeft tot een
positief resultaat geleid. Het waarschijnlijkst is het daarom, dat men langzamerhand alle kwatrijnen, die uiting geven aan een zeker typisch agnosticisme en een pessimistische houding tegenover de wereldorde op naam van den als onorthodox philosooph bekenden Omar Chajjâm is gaan zetten. Opmerkelijk is echter, dat onder de overgeleverde kwatrijnen er zoovele voorkomen, die onmiskenbaar mystiek van inhoud zijn; de meeningen over de vraag of deze tot het oorspronkelijk werk van Omar kunnen hebben behoord, loopen zeer uiteen.
FitzGerald beschouwde de mystieke kwatrijnen in ieder geval niet als Omar's werk. Hij heeft in zijn Rubaiyat in hoofdzaak die uitingen bijeengebracht, die aansporen van het vergankelijke leven zooveel genot te trekken als mogelijk is, omdat het hierna onherroepelijk uit zal zijn. Hij heeft er een cyclus van gemaakt, waar doorheen een duidelijke lijn loopt. Het aesthetisch effect is hierdoor belangrijk verhoogd. Bovendien heeft hij zich veel vrijheden ten opzichte van den oorspronkelijken tekst veroorloofd, waartoe het verschil in uitdrukkingsmogelijkheid hem tot op zekere hoogte recht gaf.
Kort na FitzGerald's bewerking zijn in het Fransch, Duitsch en Engelsch verscheiden andere bewerkingen en vertalingen van de kwatrijnen van Chajjâm verschenen, welke ook weer op bewerkingen in andere talen invloed hebben gehad. Zoo zijn de Chajjâmsche kwatrijnen thans in de litteraturen van de meest verschillende talen vertegenwoordigd; deels zijn het slechts vertalingen van FitzGerald en deels bewerkingen naar die andere getrouwere vertalingen.
In de Nederlandsche litteratuur is Omar Chajjâm's werk door Leopold bekend geworden. Leopold heeft twee reeksen van Chajjâm-kwatrijnen gegeven in de rubrieken Oostersch I en Oostersch III, zooals die nu in zijn verzamelde werken voorkomen. Hij werkte naar Engelsche, Duitsche en Fransche vertalingen uit het Perzisch, doch ook de invloed van FitzGerald is niet te miskennen. In de reeks van Oostersch I is ook een doorloopende lijn te bespeuren. In de tweede reeks van Leopold volgde deze een vertaling, waarin alleen epicuristische kwatrijnen een plaats hadden gevonden. Boutens is tot de vertaling van zijn honderd kwatrijnen gekomen onder invloed van Leopold, van wiens verzen hij in 1912 voor het eerst een uitgave bezorgde; toch zijn er in het geheel slechts acht kwatrijnen aan te wijzen, die zoowel door Leopold als Boutens vertaald zijn.
In 1910 was reeds een metrische vertaling van FitzGerald's bewerking verschenen door Chr. van Balen. De laatste bewerker van Chajjâmsche kwatrijnen in het Nederlandsch is Willem de Merode, wiens bundel Omar Khayyam in 1931 verscheen. Evenals Boutens, Leopold en andere dichters heeft ook De Merode zelfstandige kwatrijnen geschreven, een dichtvorm, die waarlijk met Leopold's bewerking zijn intocht in onze letterkunde heeft gedaan.
Na een korte uiteenzetting van de techniek van de ets volgde spr. Rembrandts ontwikkelingsgang in deze kunst, waarvan hij wellicht de grootste beoefenaar geweest is. Van het portret van zijn moeder af langs tal van studies, waaronder veel zelfportretten tot de groote prent van de Verkondiging aan de herders, liep zijn studietijd, grootendeels in Leiden volbracht. In Amsterdam kwamen naast enkele groote, voor den kunsthandel gemaakte prenten naar zijn schilderijen, al spoedig portretten. Telkens weer anders, ontstond een reeks van prachtige, menschen naar hun eigen wezen uitbeeldende prenten, waaronder naast zijn zelfportret die van Six, de Haarings, Lutma en Coppenol onovertroffen zijn. Om daartoe in staat te zijn had Rembrandt inmiddels zijn studies verder uitgebreid, waaraan wij, ongeveer sedert 1640, een reeks van geëtste landschappen danken, waarvan de Drie Boomen het dramatisch hoogtepunt is; genrebeelden en naaktfiguren kwamen daarbij. Tegelijkertijd bleef hij zich wijden aan historiën uit de Heilige Schrift: de Honderdguldensprent, de kleine Prediking, de Ecce Homo, de drie Kruissen zijn niet alleen indrukwekkend als grafische kunstwerken, maar ook om hun geestelijken inhoud. Met een beschouwing over deze beteekenis van Rembrandts werk besloot spr. De innerlijke groei van den mensch Rembrandt, betoogde hij, teekent zich in zijn etswerk duidelijk af, niet zoozeer nog in de onderwerpen als wel in de wijze waarop hij ze behandeld heeft.
Lichtbeelden verduidelijkten het gesprokene, terwijl een reeks etsen in reproductie was tentoongesteld.
De oudste vermelding van Chineesch porcelein in de Nederlanden is te vinden in Albrecht Dürers Niederländische Reise. Behalve de Zuidelijke Nederlanden bezocht hij toen ook Zeeland. Hij werd hier met zeer veel gastvrijheid ontvangen. Hij kreeg te Antwerpen Chineesch porcelein ten geschenke, dat daar was aangebracht door de Portugeezen, die in China en op den weg daarheen: Goa, Malakka, Macao en andere handelscentra in hun macht hadden gekregen. Dat was in 1521 gedurende de regeering van Keizer Cheng Tê. Het porcelein was dus uit het midden van de Ming dynastie. Hoe zeer Dürer met dat geschenk was ingenomen blijkt uit het feit, dat hij den schenker een complete druk van zijn etswerk gaf. Een geschenk, dat thans wel eenige tonnen gouds waard zou zijn. Ook in den inventaris uit 1523 van Margaretha van Oostenrijk, de stadhouderes in de Nederlanden van Keizer Karel den Ven
kwam blauw, grijs (celadon?) en ander porcelein voor. Dit waren schenkkannen van Perzisch model, die in de 16e eeuw te Ching-tê-Chên werden gemaakt.
Toen de Hollanders in 1597 er in slaagden zelf den weg naar Indië te vinden, was het spoedig met de Portugeesch-Spaansche opperheerschappij in Indië gedaan en troffen zij het eerste Chineesch porcelein aan in de Portugeesche handelsschepen, de Kraken, die zij in de straat van Malakka en elders buit wisten te maken. Dit blauwe kraakporcelein is ons uitstekend bekend omdat de oud Hollandsche stillevenschilders, bijna een eeuw lang aan dit porcelein een eereplaats op hunne schilderijen gaven. Overal wordt dan over dat wonderproduct uit het verre Oosten geschreven in de land- en reisbeschrijvingen, de geschiedboeken, de dagbladen, koopmansboeken, inventarissen, catalogi, geuzenliedjes, bij de schrijvers van onze boekjes met zinnebeelden of emblemata en zèlfs in de werken van onze eerste letterkundigen.
Aanhalingen uit Johannes de Brune, Vader Cats, Jeroen Jeroense, Jan Luycken, Rusting, Smids, Schenk en zelfs Vondel lichtten dit toe.
De hoofdbronnen zijn echter de geschriften onzer kooplui en hun medewerkers: in 't Daghregister van het Casteel Batavia, Valentijns oud en nieuw Oost Indiën, Joan Nieuwhoff's Gezandschap naar den Chineeschen keizer, Dr. O. Dappers 2e en 3e Gezandschap enz. enz.
Na het aanknoopen van handelsbetrekkingen met Japan, eerst op het eiland Hirado, van 1641 af op het eilandje Deshima in de haven van Nangasaki, zien wij ook Japansch porcelein op de markt verschijnen. Het Kakiemon-, het meer algemeene Imari- en zelfs het meer zeldzame Kutani-porcelein.
Natuurlijk bleef door de afgeslotenheid van China zoowel als van Japan veel aldaar aan onze voorouders onbekend en mocht het mooiste porcelein niet worden uitgevoerd, terwijl de bijzondere charme, die uitgaat van het Japansche aardewerk en steengoed door onze voorouders nooit begrepen is. Het verbod van uitvoer trof speciaal de monochrome Chineesche porceleinen. Wat echter het blauw en wit, het famille verte, het famille rose, het famille noire en andere soorten porcelein betreft, is in de 17e en 18e eeuw door de V.O.C. ook van het allermooiste in Europa ingevoerd. De van ouds gevormde collecties als die van August de Sterke keurvorst van Saksen, omstreeks 1700 bijeengebracht en die nog in het Johanneum te Dresden bewaard wordt, zijn via de kantoren van de V.O.C. te Amsterdam in Europa ingevoerd.
De spreker ging bij zijn lezing uit van de chronologisch opgestelde collectie Chineesch porcelein, die hij in het Museum het Princessehof te Leeuwarden heeft verzameld. Foto's hieruit, die hij had laten maken voor zijn eerstdaags te verschijnen handboek over dit onderwerp liet hij zien.
Eenige series Chineesche aquarellen en gouaches, die in de lezingszaal tentoongesteld waren, gaven een zelfs voor leeken bevattelijken indruk van de wijze waarop dit wonderproduct dat zoo'n grooten invloed op het Hollandsche leven in de 18e eeuw heeft gehad, vervaardigd werd.