Wanneer Hein de Bruin zo omstreeks zijn dertigste jaar begint te schrijven, heeft zijn leven zich nog in weinig onderscheiden van dat van duizenden andere kantoorbedienden. Hij is een jongen uit de provincie, opgegroeid in een kleinburgerlijk, streng-Gereformeerd milieu, die naar de grote stad is getrokken om carrière te maken. Hij werkt aan de Duitse correspondentie op het hoofdkantoor van de Incasso-bank te Amsterdam en studeert in zijn avonduren verder voor de acte Duits M.O. Hij heeft zich dus een redelijk burgermansbestaan verworven, is man en vader, heeft daarbij wat geliefhebberd in tekenen en schilderen, zichzelf wat vioolspelen geleerd en zich ook op andere terreinen wat breder ontwikkeld zonder ergens boven het dilettantische uit te zijn gekomen. Zijn type heeft door alles heen iets provinciaals gehouden, hij blijft gebonden aan zijn jeugdmilieu en kiest zijn huis bij voorkeur aan de stadsrand.
Op de verste achtergrond van dit bestaan ligt Friesland, de bedrijvigheid van een scheepstimmerwerf in een klein stadje te midden van wei en water. In IJlst is hij op 22 Maart 1899 geboren als eerst en enigst kind van de scheepmakersbaas Gerben de Bruin en Antje Bijlsma.
Maar er zit een drang tot trekken in het gezin. Er is een korte episode in een Duitse Rijnstad - heeft deze inmiddels niet onwillekeurig een zekere richting gegeven aan de latere ontwikkeling van het kind? -, en dan weer een korte tijd terug in Friesland, met een prille herinnering aan het huis van een grootmoeder - een lange gang, een lui overgaande bel,
Daarna komt Enkhuizen het beeld bepalen, het groenomwalde stadje tussen land en water, de jongensspelen aan de zeekant met
Het misschien wat te strenge en precieze gezinsleven vindt zijn tegenwicht in een levenslustige jongensvriendschap. Na de lagere school wil de jongen, die een drang tot ontwikkeling in zich voelt, graag studeren voor onderwijzer, maar vader De Bruin ziet daar geen toekomst in, en zo komt de zoon op het kantoor van de zaadhandel Sluis en Groot, de plaats die in het kleine landstadje wel bij uitstek het uitzicht geeft op de grote wereld, maar waar toch een zekere intimiteit blijft heersen en patriarchale allures worden gehandhaafd.
Na Friesland en Enkhuizen komt dan als derde milieu Amsterdam, waarheen de jonge De Bruin in 1920 verhuist. De provinciale jongeman wordt nu geconfronteerd met de werkelijkheid van een grote stad, een van de velen op een groot kantoor, bewoner van een kamer met pension onder een vreemd dak. Maar de oude vriendschappen blijven, nieuwe groeien, en al jong ook, in 1922, trouwt hij met het meisje dat hij, nog jonger, in Enkhuizen gevonden had. Het is de grote stad, afgewisseld met enkele buitenlandse reizen, die hem nu verder het tegenspel geeft dat hij nodig heeft voor zijn zelfbewustwording.
Het heeft zin om al deze milieus met een zekere uitvoerigheid te schetsen omdat zij aan De Bruin het werkmateriaal hebben geleverd, toen de kunstenaar in hem tot ontwaking was gekomen. Alles wat hij heeft geschreven kan, wanneer men het woord een beetje ruim neemt, autobiografisch genoemd worden. Hij heeft eigenlijk maar één, duizendmaal gevarieerd, motief gehad: de confrontatie van het zich bevrijdende Ik met milieu en gemeenschap waar het door geboorte en omstandigheden aan verbonden is. Dit tot in het oneindige herhaalde motief wordt begrijpelijk als men inziet dat het kunstenaarschap in de tweede helft van De Bruins leven altijd de functie heeft gehad van hersteller
van een verstoord geestelijk evenwicht. De kantoorbediende die studeerde voor middelbaar Duits zakt voor zijn examen, raakt overspannen en moet de studie opgeven. In de crisis die dit échec begeleidt zoekt de geest krampachtig naar de zekerheid van vertrouwde beelden en vindt daarbij het dichterschap. Het sluimerende talent van zijn plastisch vermogen, dat als in een doek begraven lag, wordt opgewoeld in het bewustzijnsveld om aan zijn voorstellingen de vastheid en belijning te geven die hij nodig heeft. Van 1928 af publiceert hij zijn, aanvankelijk nog schaarse en moeizaam gewonnen, gedichten in het Christelijk letterkundige tijdschrift Opwaartse Wegen en trekt onmiddellijk de aandacht door zijn zeer persoonlijke beeldvorming. De Bruin heeft voor zijn gedichten praktisch geen oefenperiode gekend. Zijn innerlijke spanning heeft zijn vorm vrijwel onmiddellijk voldragen gemaakt. Al voor dat zijn eerste bundel Het ingekimde Land in 1932 verscheen, had hij zijn eigen plaats ingenomen in het Nederlandse literaire leven, al heeft tegelijk het feit dat hij door afkomst en milieu behoorde tot de groep van Opwaartse Wegen zijn erkenning in bredere kringen lange tijd in de weg gestaan. Dezelfde geestelijke crisis die hem in één stoot tot dichter had gemaakt, maakte hem ook, maar ditmaal niet zonder oefenperiode, tot prozaschrijver. Zijn roman Wat Blijft en zijn novelle Schalm en Scharnier, die hem op dit terrein recht op een algemener aandacht gaven, verschenen pas enkele jaren na zijn eerste bundel, in 1934 en 1936. Als redacteur van Opwaartse Wegen kwam hij ook als vanzelf tot kritisch en essayistisch werk, maar hierin was zijn overwegend beeldend talent over 't algemeen niet zo in zijn volle kracht.
De omgang met kunstenaars, niet alleen dichters maar ook schilders, die hij in deze periode van zijn leven kreeg, vermeerderde wel het aantal vrienden, maar maakte hem tegelijk ook eenzamer in zijn oude milieu. De problematiek van persoonlijkheid en gemeenschap wordt na een zekere tijd van rustige zelfontplooiing weer dringender. De bindingen van gezin, kerk en maatschappelijke werkkring beginnen weer sterker te knellen. Terwijl het kunstenaarschap aanvankelijk zijn geestelijk evenwicht had kunnen herstellen, vroeg de in hem ontwaakte artist nu om volledige zelfverwerkelijking en schiep daardoor weer nieuwe problemen en evenwichtsverstoringen. Een tweede crisis, omstreeks 1940, is vooral een artistieke crisis. Hij begint de kring van Opwaartse Wegen, waar hij een min of meer gevestigde positie in bezat, als een remmende factor in het proces van zijn artistieke zelfbevrijding te voelen, of-
schoon hij de kring die hem dan wel scheppend zal moeten dragen nog niet duidelijk voor zich ziet. Het is echter de tijd van de tweede wereldoorlog waarin het hele litteraire leven tijdelijk ontbonden wordt en het probleem van scheppende persoonlijkheid en litteraire gemeenschap wordt dus niet acuut. Opwaartse Wegen verdwijnt evenals vrijwel alle andere tijdschriften van het toneel en ieder is op zichzelf aangewezen. In deze tijd komt, als antwoord op de tweede innerlijke crisis, het kunstenaarschap van De Bruin tot een nieuwe grote opvlucht. Hij schrijft tussen het voorjaar van 1940 en het voorjaar van 1946 een hele reeks gedichten waaruit de bijsmaak van burgerlijkheid, die in ouder werk nog wel eens kon hinderen, volledig is verdwenen en waarin de toon vaster en dieper is geworden. Zijn tweede bundel Hernieuwd Herdenken, van 1941, bevat al de twee lange, samenvattende Enkhuizer herinneringsgedichten Aquatinta, in 1942 volgt daarop afzonderlijk de sonnettencyclus De Brief, waarin een geteisterd jeugdgeloof door de herinnering heen om het antwoord van een mystieke ervaring vecht, in 1943 verschijnt de technisch meesterlijke herschepping van het boek Job, de gekwelde ziel in gevecht met de wijsheid der traditie. Deze reeks van prachtige gedichten wordt dan even onderbroken door het minder geslaagde ‘schouwspel’ Paulus in Efeze. Maar als slotaccoord volgt nog een zeer directe vertaling van Shelley's Juliaan en Maddalo, de romantische confrontatie met de volstrekte ontwrichting van een scheppende geest. Naast al deze dichtwerken staat nog de novelle 't Rad der Geboorte, geschreven vóór De Brief en Job, met als hoofdthema de losmaking van de laatste en diepste binding die de ‘geboorte’ ons heeft opgelegd, de binding van de traditionele geloofsgemeenschap.
Een derde en laatste crisis openbaart zich in 1946. Aan het begin van dat jaar heeft De Bruin zich losgemaakt uit zijn werkkring aan de Incassobank, die meer en meer een benauwenis voor hem was geworden. Er kwam een positie open bij het Nationaal Instituut die meer in overeenstemming scheen te zijn met zijn aanleg, en hij greep deze met beide handen aan. Een oude, misschien soms benauwende, maar toch ook beveiligende binding was nu verbroken, maar het gaf zijn geest niet de bevrijding die hij ervan gehoopt had. Het Nationaal Instituut bleek al spoedig geen toekomst te hebben en er dreigde voor de weerloos geworden dichter een maatschappelijke onzekerheid zoals hij nooit gekend had. Ditmaal volgde op de innerlijke crisis geen antwoord van vernieuwd scheppingsvermogen. Hijzelf was de enige die dadelijk besefte, dat dit
het einde voor hem betekende. Een half jaar heeft hij nog, door niemand herkend, met een verduisterde geest geworsteld, tot hij op 10 Juni 1947 onverwacht van ons is gegaan.
Hij heeft de genade en de doem van het kunstenaarschap gekend. Zijn leven sta als een teken in ons midden.
K. Heeroma
| 1932 | Het Ingekimde Land (ged.). |
| 1934 | Wat Blijft. |
| 1936 | Schalm en Scharnier. |
| 1938 | Man en Macht. |
| 1941 | Hernieuwd Herdenken (ged.). |
| 1941 | 't Rad der Geboorte. |
| 1942 | De Brief (ged.). |
| 1943 | Van kracht tot kracht (clandestien verschenen novelle in de Schildpadreeks). |
| 1945 | Job (ged.). |
| 1945 | Ebben en Ivoor (ged.). |
| 1946 | Paulus in Efeze. |
| 1946 | Shelley's Juliaan en Maddalo. |
| 1948 | Nagelaten Gedichten (posthuum). |