Deze, in de nabijheid van Bordeaux geboren en overleden Franse letterkundige, was een der trouwste vrienden van ons land en heeft er vele jaren doorgebracht. Hij schreef en sprak onze taal op uitnemende wijze.
Eyquem's leven - een voortdurende strijd om het dagelijks brood - was moeilijk. De illusie dat hij zich als dichter een plaats in de literatuur zou verwerven, is niet verwezenlijkt. Was de noodzakelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien noodlottig voor zijn talent of was dit niet groot genoeg? Er is te weinig van zijn letterkundige arbeid bewaard gebleven om hieromtrent een mening uit te spreken.
Wat zijn levensloop betreft: als curiositeit zij vermeld dat op zijn zevende jaar het verschijnsel van de schijndood bij hem is voorgekomen. De dokter constateerde zijn overlijden en gaf vergunning tot de begrafenis. Terwijl de dorpelingen bij het lichaam gebeden prevelden, richtte het kind zich plotseling in zijn bed op en vroeg om een appel. Daarna zakte het weer geheel in elkaar, totdat de inmiddels toegesnelde, onthutste geneesheer het door harde wrijvingen, geheel tot zichzelf deed komen.
Na in Blaye (Gironde) de graad van bachelier-ès-lettres behaald te hebben, trad Eyquem in militaire dienst: hij bleef hierin - actief en non-actief - gedurende vijf en twintig jaar. Toen hij, 23 jaar oud, als militair enige tijd te Parijs doorbracht, bood hij een door hem geschreven, lang gedicht - Le Cygne - aan de Redactie der Revue Blanche aan. Het werd aangenomen en weldra geplaatst. Deze pennevrucht trok zozeer de aandacht van de dichter Mallarmé, dat hij naar de jonge poëet informeerde en hem uitnodigde zijn vermaarde ‘mardis’ bij te wonen. De jonge man had daar het voorrecht Hérédia, Huysmans, Henri de Régnier en andere letterkundigen van naam te ontmoeten. Zijn behoeftige omstandigheden brachten mee dat hij, als hij in die kring verscheen, soms in geen drie dagen gegeten had, zodat hij ziek werd van het bier dat, als enige verversing, geschonken werd.
Omstreeks het jaar 1900 vertrok hij naar Holland, waar hem te Utrecht een plaats in de Berlitz-school werd aangeboden. Weldra echter onttrok hij zich aan dat Instituut. Hij voorzag in zijn onderhoud door het geven van privaatlessen in de Franse taal, het houden van voordrachten over schrijvers, dichters en kunstenaars van zijn land (Ver-
laine, Rimbaud, Gérard de Nerval, Laforgue, Carrière, Rodin e.a.) en, toen hij het Nederlands machtig werd, door vertalingen.
In 1911 keerde hij naar Frankrijk terug en trad er een jaar later, te Bordeaux, in het huwelijk met Jeanne Louise Lot, een beeldhouwster. Het echtpaar vestigde zich in 1913 te Parijs.
Eyquem's kennis van het Nederlands, Vlaams en Maleis, talen die hij zich door zelfstudie had eigengemaakt, bezorgde hem een plaats als beëdigd vertaler aan de Tribunal de la Seine. Van 1915 tot 1940 was hij verbonden aan het Voorlichtingsbureau van het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken, wat hem in voortdurend contact met Nederland en België bracht. Zijn chef aldaar was de bekende schrijver Jean Giraudoux. In Mei 1918 keerde hij enige tijd, als tolk in Franse militaire dienst, naar ons land terug. Hij toonde steeds een levendige belangstelling voor onze literatuur en heeft gedurende zijn verblijven in Nederland vriendschappelijk verkeerd met vele letterkundigen en kunstenaars, waarbij Dirk Coster, Joh. de Meester, Top Naeff en R. Roland Holst.
Van 1913 tot kort voor zijn dood was zijn vaste woonplaats in de impasse Ronsin te Parijs. Dit vermeld ik omdat het een van die schilderachtige stukjes Parijs is, welke men, als men ze eenmaal gezien heeft, nimmer vergeet. Genoemde impasse is een zijweg van het gedeelte waar de oude rue Vaugirard volksbuurt is geworden. Het straatje opent links - en onverwacht - op een veld, waarin een aantal primitieve buitenhuisjes en kleine barakken achteloos verspreid staan: een bewoonde verlatenheid, waar alleen kakelende kippen en fladderende duiven wat leven brengen. Tegen een boomstam rust een verwaarloosd beeldhouwwerk. Een verlicht raam of een openstaande deur doet ons oog vallen op schilderijen in wording. Want in deze dorpse uithoek wonen, in de verbroedering die een zelfde liefde voor schoonheid en een gemeenschappelijke nooddruft doen ontstaan, alleen kunstenaars. Hier heeft het echtpaar Eyquem, in een stenen huisje, met talloze katten en duiven, gelukkige jaren doorgebracht. Hun vrienden herinneren zich de prettige sfeer die hen omgaf, en de hartelijke gastvrijheid die hun geboden werd. Zij hebben genoten van de twee fraaie collecties die Paul Eyquem hun zo gaarne toonde: een keur van Japanse houtsneden en de zeldzame boeken die hij, als ervaren bibliophile, had opgespoord: alles vergaard met zijn moeizaam verkregen spaarpenningen.
In 1926 werd hij benoemd tot buitengewoon lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Hij dankte deze onderscheiding aan zijn zeer grondige kennis en de veelvuldige beoefening van onze taal.
Steeds verbonden aan het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken, waar hij gedurende de laatste oorlog bij de censuur en de Radio werkzaam was, volgde hij het in 1940 naar Bordeaux. Waarschijnlijk omdat hij niet mee kon gaan met de daar heersende geest, kreeg hij zijn ontslag zonder dank en zonder toekenning van pensioen. Oververmoeid trok hij zich in zijn geboortestreek terug, waar hij veertien dagen later, gekweld door toekomstzorgen, overleed.
Van Eyquem's arbeid is weinig terug te vinden. Er verscheen slechts zelden een oorspronkelijk gedicht van hem in een tijdschrift; hij vernietigde vaak wat hij schreef en uitgegeven had. Zijn bekendste gedicht, is het reeds genoemde Le Cygne, verschenen in de Revue Blanche van 1 September 1898, onder het pseudoniem H.P. Harlem, waaronder hij zich gewoonlijk verschool. In de Revue Musulmane van December 1922 publiceerde hij een studie over La IIIième Internationale et le syndicalisme à Java, en Indonésie. Hij schreef vertalingen van dicht en proza uit de werken van onze vooraanstaande schrijvers, zijn tijdgenoten. Zij verschenen o.a. in de tijdschriften Les Marges en Le Monde nouveau. Ik noem hiervan Histoire du Joueur de flûte et de la belle danseuse van Augusta de Wit, in Le Monde Nouveau, 1930.
Onder de volgende titels vertaalde hij in Nederland verschenen boeken in het Frans:
Ellen Forest, Yuki San, Paris, 1925.
Th. B. van Lelyveld, La danse dans le Théâtre javanais, Paris 1931 (Préface de Sylvain Lévi).
R.H.W. Regout, La Doctrine de la guerre juste de saint Augustin à nos jours, d'après les théologiens et les canonistes catholiques, Paris, 1934 (proefschrift).
Van het Frans in het Nederlands vertaalde hij: J. Romieu, De bolschevistische publicaties en de Fransche politiek. (Zwartboek en Geelboek) Paris, 1923. (Brochure).
Met grote toewijding en bekwaamheid werkte Paul Eyquem aan de hem opgedragen vertalingen. Zijn weinige vrienden die nog in leven zijn zullen zich de bescheiden literator met zijn veelomvattende kennis, zijn fijne geest en zijn liefde voor schoonheid, met ontroering herinneren, de man die geen hoge eisen aan het leven stelde, roem weinig telde en tevreden was met zijn teruggetrokken bestaan in een bouwvallig paviljoentje, temidden van gelijkgestemde kunstenaars.
C. Serrurier