terug  begin  verder
[p. 69]

Jan Gualtherus Christiaan Joosting
(Purmerend, 17 April 1866 - Velp (Gld.), 18 April 1944)

Uit het gezin van de Ned. Hervormde predikant Jan Theodorus Joosting1 en zijn vrouw Sara Gerarda Lagerwey (predikantsdochter) zijn enige bekende nakomelingen. Eén ervan was de befaamde bruggen-ingenieur der Nederlandse Spoorwegen Dr Ir Pieter Joosting; een andere de geletterde archivaris, rechtshistoricus, uitgever van handschriften en werker op ideëel gebied, die we hier gedenken.

Was de ene broeder uitgesproken technisch van aanleg, de andere viel zonder moeite onder de alpha-groep te rangschikken. Had hij naar zijn zin kunnen handelen, hij zou predikant zijn geworden. Maar reeds in de opleidingsjaren bleek dat hij enige hiervoor noodzakelijke voorwaarden van voordracht en optreden miste. Zo werd de keuze, na enige aarzeling, bepaald op een ander vak, en wel, zeer bewust, op het archivariaat.

De omgeving waarin de jonge man opgroeide was wel bevorderlijk voor zulk een besluit. De vader had zijn Noordhollandse standplaatsen (St. Maarten, Purmerend) in 1870 verwisseld met Hees-Neerbosch, om in dat lieflijke vóóroord van Nijmegen te blijven. ‘Jan’ bezocht te Nijmegen het stedelijk gymnasium, aanvankelijk nog in de oude Latijnse School op het St. Stevenskerkhof; en de stad die hij doorschreed om die oud-historische plek te bereiken was wel geschikt om het labiele evenwicht van verleden, heden en toekomst te leren beseffen, het belang ener zorgvuldige bewaring van oude overblijfselen te doen inzien. Het als vesting zo juist ontmantelde Nijmegen onderging een grondige verjongingskuur; maar tegelijkertijd restaureerde het met zorg zijn oude bouwwerken, wist het bv. aan zijn Kronenburgertoren een blijvende plaats als element van traditie en schoonheid te verzekeren. En de producten der opgravingen konden evenzeer de belangstelling wekken van een begaafde gymnasiast, die de school in vijf jaren afliep.

Toch zal niet het gymnasiale onderwijs Joostings richting hebben bepaald. Van zijn geschiedenisleraren (laatstelijk P.A. van Deinse) zal hij niet veel blijvends hebben ontvangen. Eerder kon hij iets opdoen in het gezin van Nijmegens burgemeester Mr Bijleveld, wiens zoon een zijner tijdgenoten was. De familie Bijleveld was zeer historisch gericht; de

[p. 70]

oude heer had tijdens zijn burgemeesterschap de stadscharters in het ‘Blok’ bestudeerd en beschreven, en juist in deze jaren werd met zwaar historisch geschut het recht aangaande het Oud-Burgergasthuis betwist en beprocedeerd - twist en proces waarin de gelijkwaardigheid van Katholieken en Protestanten een hoofdfactor uitmaakte. We zijn immers nog in de tijd dat Nijmegens bevolking weliswaar, als steeds, overwegend Katholiek, maar de Nijmeegse aristocratie overwegend Protestant was. De predikantszoon in een overwegend Katholiek dorp moest ervan onder de indruk komen dat de Katholieke kinderen, waarmee hij altijd speelde, anti-‘Geuzen’-liedjes zongen als ze uit de lering kwamen. Een jeugdindruk die zijn leven voor een belangrijk deel bepaald heeft.

Het was te begrijpen dat Joosting nu tijdens zijn juridische studie te Utrecht ook inzonderheid de rechtshistorische leiding zocht van professor Pols. Deze werd ook zijn promotor, toen hij zijn proefschrift over het zeventuigsrecht (1890) had te verdedigen. Een geschrift waarin we de latere Joosting reeds herkennen door ijver en zorgvuldigheid in het opsporen en uitgeven van bronnen, maar een tekortschieten in de synthese, in het vormend vermogen; een volgen ook van een reeds door anderen gebaande weg (hier die van Fruins opstel over Waarheid, Kenning en Zeventuig2. Nu mag men in een proefschrift uiteraard geen hoge mate van originaliteit verwachten.

De beroepskeuze bleef definitief op het archivariaat bepaald; onder het beleid van Victor de Stuers was er een opleving ook in de maatschappelijke erkenning van het vak, zodat het niet vermetel was een toekomst erin te zoeken. Joosting zocht zijn vakopleiding nu eerst te Nijmegen, waar de gemeente-archivaris Mr W. van de Poll hem gaarne in het oudarchief op het stadhuis toeliet en hem werk kon bezorgen in de behandeling van de pas verworven archieven der broederschappen; Joostings aandeel daarin werd zo overwegend dat de in 1891 gedrukte inventaris op Joostings naam alléén kwam te staan. Een ‘ouderwetse’ inventaris werd het, overwegend regestenlijst; de ‘boeken en stukken’ in een aparte rubriek achteraan. Het blijkt hier wel hoezeer men zich niet alleen de werkwijze van archivistiek, maar ook de hulpmiddelen van chronologie etc. nog moest verschaffen.

Aan deze Nijmeegse periode is Joosting steeds met erkentelijkheid

[p. 71]

blijven gedenken. Hij schreef het levensbericht van Mr van de Poll voor ‘Letterkunde’ en gewaagde nog in 1924, bij de posthume uitgave van een werk van H.D.J. van Schevichaven, van de ‘nobele figuur’ van deze zijn ‘sympathieken vriend’.

Maar in dit Nijmegen, waar de jonge man van anderen niet veel meer te leren had, werd het te gemakkelijk voor hem. Hij vertrok dan ook, naar Groningen, waar de kortelings opgetreden Rijksarchivaris J.A. Feith hem als volontair ten Rijksarchieve toeliet, hem inwijdde in de archiefleer waaraan de namen van Muller, Feith en Fruin verbonden zouden blijven, en hem de ordening van een klein archief als proefstuk deed verrichten. Negen maanden duurde dit verblijf. Of Joosting er ook de colleges heeft bezocht van Blok, van wiens onderwijs toen een roep van vernieuwing uitging?

Zijn eerste vaste positie werd nu, in 1892, bereikt te Utrecht, waar hij als ‘rechtskundig ambtenaar’ aan het gemeente-archief de opvolger werd van de naar Dordrecht vertrokken Mr Overvoorde en zich dus onder de ‘jongeren’ van de befaamde Mr S. Muller Fz. zag opgenomen - van die Mr Muller, die met zulk een talent archiefordening, bronnenuitgave en synthetische, bevattelijke publicatie wist te verbinden en hierdoor de waardering voor het archivariaat in groter en kleiner kringen heeft doen toenemen. Mr Joosting profiteerde van deze goede school. Hij ordende enige in bewaring verkregen archieven; hij diende het gemeentebestuur van menig rapport over vragen van praktische toepassing van oud recht en het bewijs dienaangaande aan de archieven te ontlenen; en hij vond, zo jong als hij was, reeds erkenning in zijn kring, doordat hij in 1892 de bijeenkomst der archivarissen te Utrecht kreeg te verzorgen.

Hoe jammer is het dat Mr Muller er niet in geslaagd is, tussen de onder zijn leiding gevormde archivisten goede verhoudingen te scheppen en te bewaren. Hiervoor was hij nu eenmaal de man niet. Van haar vorming af is de archivisten-organisatie door rivaliteiten en twisten verstoord; en zo hierin Mr Joosting de plaats die hem door kennis en ijver toekwam heeft moeten missen (hij kwam nimmer in het bestuur) door eigen karaktereigenschappen, de rivaliteiten van anderen spraken te dezen maar al te zeer mede.

Na drie jaren ging Joosting over naar het Utrechtse Rijksarchief, nog steeds dus onder de leiding van Muller; hier volgde hij de te Middelburg benoemde Mr Fruin op als commies-chartermeester. Zijn werk werd veelzijdiger. Hij kreeg de hand in een hoofd-archief: het archief der

[p. 72]

Staten van Utrecht, welks beschrijving grotendeels zijn werk was; en, vanwege het provinciaal bestuur aangewezen in de zomer gemeentelijke en waterschapsarchieven te ordenen, leerde hij plattelandsverhoudingen nader kennen, werkte in Westbroek en Achttienhoven. Het zegt heel wat dat zijn lastige chef bij voortduring zeer met hem was ingenomen.

De rechtsgeschiedenis, Joostings eigenlijke studievak, bevond zich zeer sterk in het stadium van de jacht op documenten, van de hernieuwde bronnenuitgaven. Het was een algemene overtuiging dat eerst na veel omvangrijker en veelvuldiger onderzoekingen en publicaties tot nieuwe synthesen zou kunnen worden overgegaan; professor Pols, zelf bestuurslid der Vereeniging tot uitgave der bronnen van het Oud-vaderlandsche Recht, zal dit aan zijn leerling hebben ingescherpt, terwijl anderzijds Mr Muller aan zijn ondergeschikten hierin een ereplicht van de archivist leerde zien. Joosting kwam reeds in 1893, op eigen initiatief, met een uitgave der Ordelen van den Etstoel van Drenthe; en hij kreeg met Overvoorde de bronnenuitgave aangaande de Utrechtse gilden te verzorgen. Voor gilden en broederschappen is hij zich steeds blijven interesseren.

Na aldus zijn levensweg volledig gevonden te hebben en door zijn huwelijk met mejuffrouw W. Heitz (1893) ook maatschappelijk te zijn gevestigd bereikte Joosting een meer zelfstandige positie doordat hij per 1 Januari 1897 als opvolger van Mr S. Gratama tot rijksarchivaris in Drenthe werd benoemd. Hij stond, door zijn rechtsbronnen-uitgave en zijn bewerking der Drentse plaatsnamen (die in 1901 zou verschijnen) reeds niet vreemd tegenover deze provincie en zal de functie met genoegen hebben aanvaard. Maar hij zou ondervinden dat de meerdere zelfstandigheid ook kwetsbare verantwoordelijkheid meebracht.

De verdeling der Overheidstaak ten onzent was voorheen ook in dit opzicht overwegend territoriaal geweest. De archivarissen in de provinciën waren provinciale ambtenaren, door de provinciale besturen uit de eigen gewestelijke kring benoemd. Wat zij wellicht ontbeerden aan beroepsscholing konden zij door homogeniteit met de gewestelijke samenleving goedmaken. Het regime De Stuers bracht hierin verandering; en waren Drenthe's eerste Rijksarchivarissen Kijmmell en Gratama nog Noorderlingen geweest, Joosting was een geïmporteerde deskundige. Het lag voor de hand dat hij gevaar zou lopen in wrijving te komen met het gewestelijke middelpunt van geschiedvorsing en oudheidkunde, het Provinciale Museum van Oudheden; ook persoonlijke factoren leidden

[p. 73]

hiertoe. En deze wrijving liet zich niet wachten; zijn gehele Asser ambtstijd heeft Joosting in gespannen verhouding verkeerd met het bestuur van dat Museum en daardoor ook met het provinciale bestuur.

Er was nog iets; een disharmonie tussen de wijze en mate van gemoedelijke archievenverzorging die men in de provincie verwachtte en wenste, en het zéér wetenschappelijke en zéér ambtelijke beheer dat thans van Rijkswege was aanvaard en voorgeschreven. Wat in de centra van Nederlands economisch en cultureel leven als normaal gold moest in het nog zoveel soberder Drenthe hoofdschudden verwekken. Een dienst van drie, vier ambtenaren voor het werk dat vroeger Magnin niet zonder succes in snipperuren had verricht - een nieuw, representatief gebouw ter bevatting van hetgeen men vroeger zonder bezwaar op een zolder of op ‘het bovensuitetje eener burgerwoning’ geplaatst had gezien -, waardering hiervoor liet zich in Drenthe aanvankelijk niet verwachten.

Gratama was ten tijde van zijn vertrek met de nieuwe ordening en beschrijving al een heel eind gevorderd. Maar Joosting begon direct, dit alles geheel over te doen. ‘Der gute Archivar benutzt die Arbeit seiner Vorgänger; der schlechte vernichtet sie, um die eigene an die Stelle setzen zu können’3, heeft een kenner, iets te scherp, gezegd. Het is Joosting door Gratama zeer kwalijk genomen - en Gratama was een machtig man. Zijn eigen ordening en beschrijving (die in onderdelen wel beter zullen zijn dan het eerste werk) kon Joosting in een reeks van gedrukte inventarissen met regestenlijsten voltooien; alle zeer omvangrijk, uitvoerig, grondig, degelijk; de moderne archiefverzorging in alle opzichten op de spits gedreven.

Hiermede had Joosting zich de volmaakte leerling van Muller, Feith en Fruin betoond; wat zij hadden gepredikt liet zich op een klein depôt als het Drentse volledig toepassen. Oogstte hij hiervoor nu ook waardering? De besprekingen zijner werken waren wel geschikt de bewerker tureluurs te maken. De ene keer heette de inleiding te kort, een andermaal te lang; nu miste men verklarende toelichtingen, dan weer werd hem verweten dat hij de gebruiker te veel in zijn keuken liet kijken; eerst was het algemeen gevoelen dat hij de voleindiging nodeloos vertraagde door Gratama's werk terzijde te zetten, later liet men soms doorschemeren dat inventarissen die elkander zó vlug opvolgden wel niet goed doorwerkt zouden zijn; - en ten allerlaatste kwam Muller, de

[p. 74]

geestelijke vader der nieuwe richting, vertellen dat het toch geen goed beleid was, aan de inventarisatie van een klein en onbelangrijk depôt zoveel energie en geld ten koste te leggen, terwijl in het centrum belangrijker werk ongedaan bleef.

En de bronnenuitgave, die ereplicht van de archivaris, hoe verging het Joosting daarmede? Het Oorkondenboek voor (Groningen en) Drenthe was bij zijn komst welhaast voltooid; hij overwoog een voortzetting ook nà 1405, maar er kwam niets van. Van het Drentsch Plakkaatboek kon hij één deel doen verschijnen; de drie die hadden moeten volgen bleven na zijn vertrek achterwege, voornamelijk doordat de stof te weinig belangrijk werd geacht. Jammer dat er toen zelfs geen voorloopige plakkatenlijst is gedrukt.

Voor de oud-vaderlandse rechtsbronnen bleef Joosting werkzaam in het spoor dat zijn promotor en anderen hem hadden gewezen; hij liet zich vinden voor de bewerking van de bronnen der middeleeuwse kerkelijke rechtspraak. Een werk dat zijn activiteit jaren lang grotendeels moest absorberen en dat hij, wederom, tot een goed einde bracht. En welke was daarop de reactie? Dat deze rijk vloeiende stroom van documenten naar enige droogte deed verlangen4! De rechtshistorici hadden genoeg van de steeds hoger opstapeling van voorshands onbewerkte gegevens; men begon in te zien dat ook hier een te veel kon optreden.

Zo moest Joosting tot zijn teleurstelling ondervinden dat hij, de hem gegeven voorschriften en voorstellingen consequent volgende, weinig dank daarvoor oogstte; dat de gebreken die uit de opzet voortvloeiden aan de uitvoerder werden geweten, terwijl zij die het met de uitvoering zo nauw niet hadden genomen buiten blaam bleven.

De wetenschapsman moest ook wel eens met minder zuivere belangstelling in de eigen provincie in conflict geraken. Als de Overheid voor oude spullen (archivalia, archaeologica) zoveel over had, waarom zou dan een particulier er niet iets aan mogen verdienen? Archivalia van plattelands-instellingen werden tegen goed geld te koop aangeboden. Er ontstond een industrie van urnen. Een verdienstelijk amateur, notabel in Hoogeveen, publiceerde een kwasi-authentiek geschiedverhaal dat als bellettrie gewaardeerd kon worden, maar welks voorgewende echtheid ontmaskering vereiste. Nuttig en nodig, het optreden tegen zulke uitwassen; - maar niet de manier zich populair te maken.

[p. 75]

Lag het ook niet in Joostings aard, dat hij met anderen licht in botsing kwam? Enerzijds zeer zeker. Hij miste de gave van het gemakkelijk samenwerken, kende aan eigen richtsnoer, eigen inzicht te zeer absolute waarde toe, had niet geleerd het goed-Groninger spreekwoord, volgens hetwelk ‘andere mensen ook mensen’ zijn. Anderzijds vermag men deze gezellige huisvader en goede vriend, ijverig bezoeker van bijeenkomsten en vergaderingen, lid van tientallen verenigingen, voorzitter van de Evangelische Maatschappij, van de Ned. Protestantenbond, bestuurslid van de Gustaaf-Adolf-vereeniging (afd. Arnhem), van de Protestantse vereniging ‘Unitas’ en van politieke organisaties, toegewijd sociaal werker in ‘Pro Juventute’ en in de vereniging die thans ‘Tot Steun’ heet - vermag men, zeggen we, deze man niet zonder meer als onhandelbaar, onbruikbaar te beschouwen, zoals een hem ongunstig gezind wereldje het waar wilde hebben.

De beroepskeuze was misschien toch niet de juiste geweest; men stelt zich Joosting voor als beter geplaatst in collegiaal werk of in een hechter ambtelijk verband. Het isolement, de eenzaamheid van het archivariaat werkte op zijn zenuwen. Men vertelt dat hij zichtbaar verheugd kon zijn bij het ontvangen van een dienstbrief; ook, dat hij het niet kon laten op de gang te gaan kijken als eindelijk weer eens de voetstap van een bezoeker weerklonk.

Maar zolang iemand nog niet over de middelbare leeftijd is, zolang hij hoopt op verandering resp. verbetering, is de druk van minder gunstige ambtelijke verhoudingen niet ondragelijk. Joosting leefde zeker in zulke verwachtingen. Het was in het licht daarvan dat hij toelating verkreeg als privaat-docent in het oud-vaderlandse recht aan de Groninger hogeschool; en mocht op de openbare les die hij als zodanig aan de sacramentele term ‘Bij de Gratie Gods’ wijdde, van historische en ook van rechtshistorische zijde wel wat te zeggen vallen, het streven ook de hedendaagse rechtsverschijnselen, waar nodig, in het licht der historie te zien had een aanleiding tot vruchtbaar onderwijs kunnen zijn. In deze tijd ook publiceerde Joosting meermalen studies van wat wijder strekking, meest in samenhang met zijn uitgave der oude kerkelijke rechtsbronnen. Wat hierin vooral opvalt is de gemakkelijkheid waarmede deze oud-liberale Protestant, deze uit zijn jeugd tegen het Katholicisme vooringenomen man de normen van eigen tijd en eigen kring op de middeleeuwse verhoudingen toepast. Hierdoor maken deze beschouwingen thans een volkomen verouderde indruk. Maar, men dient te be-

[p. 76]

denken dat van Rooms-Katholieke zijde van het eigen verleden nog weinig werk was gemaakt. Zoals de predikant-professor Moll de middeleeuwse kerkelijke geschiedenis in het algemeen, had ook de predikantszoon Joosting het middeleeuwse kerkrecht (althans het procesrecht en de rechterlijke organisatie) moeten behandelen.

Over teleurstellingen spreekt men meestal niet en zo is het niet met zekerheid te zeggen wat Joosting van zijn toekomst had verwacht. Maar men mag wel aannemen dat het niet overeenkomstig zijn wens was toen hij in de zomer van 1913 als rijksarchivaris naar Groningen werd verplaatst; dat hij hogere wensen had gehad en ook wel van beroep had willen veranderen was niet onbekend. Moest hij nu in Groningen de minder aangename ervaringen van Assen - waar hij het tenslotte toch wet had kunnen uithouden - gaan herhalen, zonder hoop op verandering? Gemakkelijk zou hij het er zeker niet hebben. Het Groninger Rijksarchief verkeerde in een eigenaardige toestand. Er had een familieregering geheerst; na Mr R.K. Driessen, de eerste provinciale archivaris (1825-1832), had de familie Feith er in drie generaties (1832-1913) het bewind gevoerd. De laatste, J.A. Feith, was moeilijk te vervangen. Hij incarneerde de provinciale geschiedenis, zoals Joosting de eerste was geweest te erkennen5; in zijn fraai patriciërshuis had hij een staat gevoerd die zijn opvolger bezwaarlijk zou kunnen evenaren. Op het archief hadden de beide eerste heren Feith, Driessens weg volgende, alle charters en stukken van stad en gewest in één chronologische orde geplaatst en de boekdelen gerangschikt als in een bibliotheek: dit al door een gedrukte catalogus gemakkelijk toegankelijk gemaakt. De nieuwe leer eiste verandering en J.A. Feith was ook al in andere richting gegaan, maar nog zo weinig, dat de last en het odium der reorganisatie weder ten volle op Joosting moesten neerkomen. Kon men zich nog afvragen of hij te Assen wel goed had gehandeld door niet de bewerking van Gratama eenvoudig af te maken, hier in Groningen was de noodzaak van reorganisatie, tégen het te verwachten verzet van gewestelijke archiefgebruikers in, onloochenbaar. Te meer daar het archief der stad moest worden afgescheiden. Maar dit alles moest onder allerongunstigste omstandigheden geschieden; het complex van het provinciehuis, waarin het archiefgebouw besloten lag, was aan algehele verbouwing onderhevig; rommel, stof en lawaai heersten jaren lang oppermachtig; de oude werkkamer

[p. 77]

van de archivaris was een somber, inpandig vertrek geworden, een weinig geschikt verblijf voor een nerveus type zoals Joosting, wiens gezondheid door het Groninger klimaat toch al ongunstig was beïnvloed; en met zijn ondergeschikten leefde hij in een sfeer van afweer en reserve. Te hunnen aanzien kon hij het juiste woord op het juiste ogenblik niet meer vinden. Waarbij nog kwam dat Joosting door de inmiddels uitgebroken (eerste) wereldoorlog zedelijk diep geschokt was. Het besef dat ieder mens zich had in te zetten voor de vrede, voor een duurzame betere toekomst, leefde sterk in hem en het bracht hem tot daden, zowel in ontwerpen voor de komende wereldorganisatie als in de directe internationale hulpverlening aan getroffenen. Het moest wel eens moeilijk zijn met zulke wereldomspannende gedachtenvluchten de minutieuze vervulling van niet steeds aangename beroepsplichten te verenigen.

Al keerde de Asser tijd niet in alle opzichten terug, Joosting vond zich ook te Groningen in tal van besturen geplaatst: als secretaris der Prov. Archaeologische Commissie, als bibliothecaris van Pro Excolendo Jure Patrio, als penningmeester der Vereen. v. Terpenonderzoek zag hij zich als beroeps-historicus wel erkend. Redacteur van de Groninger Volksalmanak, kon hij zich hier in de gewestelijke geschiedschrijving vrijer uiten dan het in Drenthe mogelijk was geweest; en hij gaf de blijken daarvan. En wederom, als te voren, liet hij zich gewillig vinden tot het geven van bijdragen aan grote ondernemingen, werken-voor-velen. Voor de Geschiedkundige Atlas gaf hij een goede (eerste) bewerking van het weerbarstige materiaal der markgenootschappen in de Groninger zandstreken; vervolgens bewerkte hij de kerspelkaart voor de bisdommen Münster en Osnabrück in Noord-Nederland. Dit laatste werk heeft geleden onder overhaaste afwerking (de moeilijkheid der stof zou trouwens door het hedendaagse Monasticon Batavum weder bewezen worden); maar onverdiend-afkeurend was de beoordeling die Jhr Mr W.G. Feith, toen aan het Algemeen Rijksarchief werkzaam, van dit werk publiceerde. De lust, alles af te keuren wat uit Joostings handen kwam, voert Feith van zijn kant tot onhoudbare beweringen6.

Deze ondervinding, gevoegd bij de min of meer bedekte hatelijkheden die in de verslagen van de Algemene Rijksarchivaris aan het adres van Joosting te lezen waren, hadden deze tot nadenken moeten stemmen. Maar als verblind liet hij het op een crisis aankomen. Hij had

[p. 78]

zich in 1918 genoopt gezien het huis waar hij met de zijnen (twee dochters en twee zoons waren hem geschonken) gelukkig gewoond had, te verlaten; niet in staat zijnde (door koop) een andere woning te verwerven was hij tenslotte beland in een woning in het Tuindorp te Haren, ver van de stad. Zijn meubelen had hij grotendeels opgeslagen in het inmiddels gereedkomende archiefgebouw aan de St. Jansstraat; en hij had zich een wonderlijk schema van aanwezigheid of veeleer van afwezigheid aangewend. Joosting schijnt nooit eraan gedacht te hebben dat zich uit dit een en ander ambtelijke tekortkomingen lieten afleiden. Maar toen zowel hijzelf als zijn commies gelijktijdig wegens geschokte zenuwen ziekteverlof moesten hebben en niemand anders dan W.G. Feith (dien men als Joostings voorbestemde opvolger mocht aanmerken) met de waarneming van het bureau werd belast7, was de onhoudbare toestand voor aller ogen duidelijk geworden. Het was dan ook niet verwonderlijk dat, toen het ‘ijstijdperk der bezuiniging’ het ontslag van vier Rijksarchivarissen eiste, Joosting daarbij zou zijn; en men wist hieraan een voorkomen van objectiviteit te geven, al behoudt de lezer der desbetreffende stukken8 het onprettige gevoel dat de zucht tot behartiging van het dienstbelang hier - o zeker, niet afwezig was, maar toch - niet met uitsluiting van ieder ander motief heeft gewerkt.

Zo zag Joosting zijn met zoveel ambitie begonnen loopbaan op 58-jarigen leeftijd afgesloten door op-wachtgeld-stelling, welhaast vervroegde pensioenering. Zijn aanvankelijke hoop, elders nog wel een bevredigende functie te zullen vinden, ging niet in vervulling. Daar zijn Groninger privaatdocentschap zich niet tot een bezigheid van belang had ontwikkeld vertrok, zodra het ontslag door de uitspraak der Tweede Kamer als definitief viel te beschouwen, het gezin naar Velp, naar het Gelders land van Joostings herkomst, waar hij nog een vredige levensavond heeft kunnen doorbrengen, een enkele maal nog eens iets publicerend, de band met ideële organisaties vooral aanhoudend.

Tracht men nu tenslotte Joostings betekenis als man van letteren te overzien, dan moet men hem aanmerken als een kind van zijn tijd. Van een tijd die de wetenschappelijke toegankelijkheid der archieven als een

[p. 79]

hoge roeping zag en de uitvoering daarvan als een dringende Staatszaak, tegen velerlei verzet in, door te voeren. Een tijd voorts die hoge waarde hechtte aan bronnenpublicaties en die met voorliefde dáártoe de wetenschappelijke werkers zocht te winnen. Bij een in wezen onzelfstandige figuur als Joosting gelukte dit een en ander maar al te zeer. Hij werd een conscientieus inventarisator, een onvermoeibaar bronnenuitgever, een getrouw medewerker aan verzamelwerken zoals de Nomina Geographica en de Geschiedkundige Atlas. Ten koste, dunkt ons, van zijn vorming of althans ontwikkeling als zelfstandig schrijver, als zoeker en vinder van combinaties, als geschiedschrijver. Een archivist die zijn dienende functie als zodanig heeft verstaan en vervuld; een volharder die het niet beneden zich achtte ondankbaar werk te verrichten waarop anderen zouden voortbouwen - terwijl, waar eens een wijder worp werd gewaagd, niet zelden werd misgeworpen.

De verhalen die over Joosting plachten te worden verteld zijn met het langzamerhand uitsterven zijner generatie verstomd. Gelukkig maar. Zulke verhalen, al behelzen ze een element van waarheid, zijn veelal even weinig verheffend als waarheidsgetrouw. Of liever, al spreken ze geen ònwaarheid, door isolatie en overbelichting van één voorval of één trekje vertekenen ze het totale beeld, waarop het voor de medeleden van ‘Letterkunde’ moet aankomen9.

 

S.J. Fockema Andreae

Lijst der geschriften

Afzonderlijk verschenen:

1890Onuitgegeven oorkonden betreffende het Zeventuigsrecht, met een Inleiding. Proefschrift Utrecht (LXX-40 bl.). Nijmegen.
1891Inventaris van het Oud-Archief der Nijmeegsche Broederschappen (XXVIII-615 bl.). Nijmegen.
1891Inventaris van het archief van den Senaat der Rijksuniversiteit te Groningen 1614-1813 (Jaarboek Rijksuniversiteit Groningen).
1893Ordelen van den Etstoel van Drenthe 1518-1604 (XX-474 bl.). Werken der Vereeniging tot uitgave der Bronnen van het Oud-vaderlandsche Recht, 1e reeks no. 16. Den Haag.
1896Verslag omtrent de oude gemeente-, waterschaps- en veenderij-archieven in de Provincie Utrecht over 1895 (125 bl.). (Betreft de archieven der gemeenten Westbroek en Achttienhoven met de waterschappen in die gemeenten, en het archief van het college tot directie van den Slaperdijk). Utrecht. Id. over 1896. (Het eigenlijke verslag slechts 2 bl. groot; de bijlagen bevatten inventarissen niet door Joosting bewerkt). Utrecht 1898. (Deze verslagen ook in de Versl. R.O.A.).

[p. 80]

1896-'97(Met J.C. Overvoorde) De Gilden van Utrecht tot 1528. Verzameling van rechtsbronnen, I (De gilden in het algemeen, met inleiding) (CCXXII-152 bl.), Den Haag 1897. II (De gilden in het bijzonder) (494 bl.), Den Haag 1896. (Werken van de Vereeniging tot Uitgave der Bronnen van het Oud-vaderlandsche recht, 1e reeks, no. 19, 1 en 2).
1897-1912Verslagen omtrent het Rijksarchief in Drenthe 1897-1912. Verslagen van 's Rijks Oude Archieven, jaarlijks.
1901Nomina Geographica Neerlandica, dl. V: Drentsche plaatsnamen. (Uitgegeven door het Ned. Aardrijkskundig Genootschap). Leiden.
1901Het Rijksarchief in Drente (16 bl., met 3 pl.). Assen z.j.
1902Historia Gelriae, auctore anonymo. Werken der Vereeniging Gelre, no. II. Arnhem.
1902De ‘Clapper’ der Calkoens (24 bl.). Haarlem.
1904Het ambt van Predikant (27 bl.). (Rede op de jaarvergadering van den Ned. Protestantenbond.) Assen.
1906Het Archief der abdij te Dikninge. Leiden.
1906Het Archief der abdij te Assen. Leiden.
1906De Archieven van den Etstoel en van de hem opgevolgde collegiën tot 1811. Leiden.
1906-'24(Met S. Muller Hz.) Bronnen tot de geschiedenis der Kerkelijke rechtspraak in het Bisdom Utrecht in de Middeleeuwen. Dln 1 en 2: De Indeeling v.h. bisdom, d. Muller (1e afdeeling), 1906 en 1915; dl. 3, 2e afdeeling: De Begrenzing der wereldlijke en kerkelijke rechtspraak tegenover elkander (X-807 blz.), Den Haag 1910; dl. 3, 3e afdeeling: De Begrenzing van de rechtspraken der kerkelijke rechters onderling (XVI-509 bl.), Den Haag 1912; dl. 5, 4e afd.: Provinciale en synodale statuten; 5e afd.: Seendrechten (XXV-402 bl, 1914; dl. 6, 6e afd.: Ordonnantiën voor de hoven der officialen; 7e afd.: Handleidingen voor het procesrecht (XXIII-442 bl.), Den Haag 1919; dl. 7, 8e afd.: De proosdij van West-Friesland (VII-542 bl.), Den Haag 1924.
Werken der Vereeniging tot Uitgave der Bronnen van het Oud-Vaderlandsch Recht, tweede reeks, resp. delen 8, 17, 11, 14, 16, 19 en 21.
1907Het Archief der heerlijkheid Ruinen. Leiden.
1907De Archieven van de Schultengerichten in Drente. Leiden.
1907De Archieven der besturen in Drente van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, in het rijksarchief te Assen berustende. Leiden.
1907Bijdrage tot de kennis der kerkelijke rechtspraak in 't bisdom Utrecht. Historische Avonden II (Groningen 1907), bl. 115-143. N.B. Ald. bl. 16-18 opgave van de door Joosting in de jaren 1897-1906 in het Groninger Historisch Genootschap behandelde onderwerpen.
1909De Archieven der elkander vóór 1814 opgevolgde gewestelijke besturen in Drente (CVI-817 bl.). (Gewoonlijk aangeduid als: Oude Statenarchieven). Leiden.
1910Het Huisarchief van Batinge. Leiden.
1910Inventaris van de Coevorder archieven berustende in het depôt van 's rijks oude archieven in Drente. Leiden.
1910De Archieven van ontbonden Vereenigingen en Commissiën berustende in het depôt van 's rijks oude archieven in Drente. Leiden.
1910(Met C. Hille Ris Lambers en Léon Revoyre) Waakt en Werkt. Drie toespraken. Zaltbommel.
1912Drentsch Plakkaatboek I (enig) 1412-1633. (X-438 bl.). Leiden.
1912De Invloed van zijn bodemgesteldheid op de geschiedenis en de ontwikkeling van Drente. Handelingen van het XXXIIe Taal- en Letterkundig Congres 1912, bl. 676.

[p. 81]

1912Bij de Gratie Gods. Openbare les ter aanvaarding van het ambt van privaatdocent in het Oud-vaderlandsche recht aan de Rijksuniversiteit te Groningen. (38 bl.).
1912(Met W.C. Schuylenburg) De archieven van Kerkvoogden der Ned. Herv. Gemeente en van de Regenten van het Gereformeerd Burgerweeshuis te Utrecht. (Inventarissen der aan de stad Utrecht in bewaring gegeven archieven, A en B). Utrecht.
1912-'24Verslagen omtrent het Rijksarchief in Groningen 1912-1924. Verslagen van 's Rijks Oude Archieven, jaarlijks.
1913Drente 1813-1913. In: 't Herstelde Nederland, onder redactie van A.N.J. Fabius, 1913, bl. 529.
1914Catalogus van de boekerij van Mr L. Oldenhuis Gratama. Leiden.
1914De Ondergang van de kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht. Rechtshistorische Opstellen aangeboden aan prof. S.J. Fockema Andeae, 1914, bl. 114.
1915(Door de leden van het Historisch Genootschap te Groningen onder voorzitterschap van Joosting) Album Studiosorum Academiae Groninganae, Groningen.
1915(Met anderen) Menschelijke Stemmen uit de oorlogvoerende landen. Groningen.
1915(S. Muller Fz., met medewerking van R. Fruin Th. Az., J.G. Ch. Joosting en W.J. Hora Siccama van de Harkstede) Catalogus van het archief der Staten van Utrecht 1375-1813. Utrecht.
1916(Voorwoord van 13 bl. bij:) D.G. van Nieuwenhoven Helbach, Een Statenbond voor Europa; de weg ter verkrijging van een duurzamen vrede. Rotterdam.
1916(Met L. Knappert) Schetsen uit de Kerkelijke geschiedenis van Drente. Amsterdam. Hierin van Joosting's hand: Zestiend'eeuwsche meeningen over de kerkhervorming; Een en ander met betrekking tot de invoering van de hervorming in Drente; De schoolmeesters in Drente tijdens de Republiek; Armenzorg in Drente inzonderheid in de 17e e.; Doopsgezinden in Drente; Kerkelijke censuur.
1916De kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht in: Historische Avonden III, bl. 44-67. Groningen. In deze bundel op bl. XI: de onderwerpen door Joosting in het Historisch Genootschap te Groningen gedurende de jaren 1906-1916.
1920De Groningsche Marken in: De Marken van Drente, Groningen, Overijsel en Gelderland I (Den Haag), bl. 95-156. Geschiedkundige Atlas van Nederland, VI.
1921De kerkelijke indeeling omstreeks 1550, tevens kloosterkaart; II, De bisdommen Münster en Osnabrück (in Groningen en Friesland). Geschiedkundige Atlas van Nederland, IX. Den Haag.
1921(Met B.M. de Jonge van Ellemeet en A. Oltmans) Stukken afkomstig van Ambtenaren en Particulieren, berustende in het depôt van 's rijks oude archieven in Drente. Den Haag.
1926Brief aan de leden der 1e en 2e Kamer der Staten-Generaal, met bijlagen, over het ontslag van Mr Joosting als Rijksarchivaris in Groningen. Z. pl., z.j. (1926). Brochure van 29 bl., niet in de handel.
1928Staat en Kerk. Verslag van het verhandelde in de vergaderingen van het Prov. Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen 1928, bl. 94-100.

Opstellen en Mededeelingen in:

Nederlandsch Archievenblad jg. 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 34, 35, 38.

Bijdragen en Mededeelingen v.h. Historisch Genootschap te Utrecht, XVI, XXX. Navorscher LXIII (1914).

Tijdschrift voor Strafrecht XI (1898).

[p. 82]

Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1903/04.

Nederlandsche Spectator 1897, 1902.

Verslagen en Mededeelingen der Vereeniging tot Uitgave der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht II, III, IV, VI, VII.

Geldersche Volksalmanak 1892, 1894.

Nieuwe Drentsche Volkalmanak 1902, 1904.

Bijdragen tot de Kennis van den Tegenwoordigen Staat der provincie Groningen, I en II.

Groningsche Volksalmanak 1894, 1915, 1916, 1917, 1918, 1919, 1920, 1924 en 1930.

De Hervorming 1915. Gedenkboek Rome-Dordt, uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Evangelische Maatschappij (1928).

1De Bie en Loosjes, Woordenboek van Prot. Godgel. IV, 574.
2R. Fruin, Verspreide Geschriften VI, bl. 315.
3Vrij naar: P. Ladewig, Katechismus der Bücherei.
4Mr J. van Kuyk, in het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, jg. I.
5Zie zijn gevoelvolle woorden over Feith: Historische Avonden III, bl. V.
6Vgl. A.S. de Blécourt, Oldambt en Ommelanden (1935), bl. 69-71.
7Verslagen van 's Rijks Oude Archieven 1922 I, bl. 6-8; id. 1923 I, bl. 31; id. 1924 I, bl. 1-2, 10 11.
8Zie, naast de in de opgave der werken genoemde brochure, de Handelingen der Staten-Generaal 1928/29, bijlagen no. 233, en de behandeling daarvan (accoordverklaring met het beleid van de Minister z.h.st.) in de Tweede Kamer.
9De bewerker heeft van enige inlichtingen van de familie Joosting en van anderen een - naar hij hoopt - goed gebruik gemaakt.

terug  begin  verder