Tot het samenstellen van het hier volgende levensbericht stonden mij niet zo heel veel gegevens ten dienste. Hoewel wij gedurende een reeks van jaren collega's aan dezelfde school waren, en ik met Kooperberg op vriendschappelijke voet stond, heeft tussen hem en mij toch nooit een meer intieme verhouding bestaan. Het ongeluk wil dat een paar ambtgenoten met wie dit wèl het geval was, reeds zijn overleden, zodat ik de voorstelling die ik mij van hem heb gevormd, niet aan de hunne heb kunnen toetsen. Echter bleek een schets van zijn persoonlijkheid, mij door de eigen zoon verstrekt, de indrukken die ik bewaard had, te bevestigen. En die herinnering is wel van dien aard, dat ik het verzoek om mij met het ontwerpen van deze schets te belasten, bij ontstentenis van anderen die de taak allicht beter hadden kunnen vervullen, uit piëteit niet van de hand heb willen wijzen.
Leo Maurits Gerard Kooperberg werd op 20 Juni 1878 te Oosterhout (N.B.) geboren als zoon van de arts Dr. Philips Kooperberg. Niet lang daarna werd de vader benoemd tot directeur van het Ziekenhuis te Leeuwarden, zodat het gezin daarheen verhuisde. De zoon bezocht, behoudens een ruim tweejarig intermezzo te Dordrecht, het gymnasium te Leeuwarden, waar hij in 1899 slaagde voor het eindexamen. Hij studeerde in de Nederlandse letteren te Leiden o.a. onder Blok, Kalff en Verdam, van wie de eerstgenoemde zijn promotor was toen hem op 28 April 1908 de doctorsgraad werd verleend. Op de studie volgde de leraarsloopbaan, die hij op 1 Sept. 1908 betrad aan de R.H.B.S. te Leeuwarden. Op 14 Aug. 1910 huwde hij Estella Beerenberg, geb. 2 Sept. 1884 te Zevenbergen (N.B.), toen onderwijzeres te Alkmaar. Uit hun zeer gelukkig huwelijk werden twee zoons geboren. In 1911 werd hij benoemd tot leraar aan de Gem. H.B.S. met 3-j. te Den Haag, welk ambt hij, ook nadat deze school geworden was tot de 7de Gem. H.B.S. met 5-j. c., tot 1935 heeft bekleed. Tevens gaf hij een aantal jaren les aan de Gem. Handelsavondscholen en aan de Scheveningse Kweekschool voor de Zeevaart.
Degenen die Kooperberg van nabij hebben gekend, zullen ten volle beamen dat zijn leven geleid werd door een plichtgevoel, even sterk in zijn verhouding tot vrouw en kinderen als bij de vervulling van iedere taak die hij, zij het op onderwijs- of op wetenschappelijk gebied, een-
maal op zich had genomen. Daarbij kenmerkten hem een grote bescheidenheid zowel in de uiterst geringe materiële eisen die hij voor zich zelf aan het leven stelde, als in de houding die hij aannam tegenover ieder met wie het leven hem in aanraking bracht; ook een grote welwillendheid die hem b.v. niet deed opzien tegen tijdrovende nasporingen louter om anderen van dienst te zijn. Zijn diep geworteld gevoel voor rechtvaardigheid veroordeelde de Britse politiek tijdens de Boerenoorlog niet minder scherp dan de Jodenvervolging in Duitsland. Zijn kinderen ging hij voor in het belijden van nationale gezindheid, waar de behandeling van het Belgisch verdrag of van het Vlootwetontwerp en dgl. schokkende feiten die deden spreken. Want Nederlander was hij in hart en nieren, ‘zijn geslacht, dat al honderden jaren in Nederland woonde, had al in de persoon van zijn vader alle banden van religie of volksgemeenschap met het Jodendom doorgesneden en beschouwde Nederland als het enige vaderland dat het liefhad’. Hij stond dan ook even fel tegenover het Joodse als tegenover het Duitse racisme. Zelf liberaal en nationalist, met een zwak voor het militaire, waarin hij het ridderlijke, het manhaftige, de gelegenheid tot het gedisciplineerd ontplooien van een persoonlijkheid bewonderde, eerbiedigde hij echter de overtuiging van andersdenkenden, van een anti-militairistisch sociaal-democratisch collega. Het diepe plichtbesef waarvan wij spraken, was ook de stimulans van een door en door werkzaam leven. Behalve in zijn lievelingsvak was hem het onderwijs in Nederlands en Aardrijkskunde opgedragen; van zijn hand bestaan er enige leerboekjes, echter merkwaardigerwijze juist op het gebied van laatstgenoemde vakken. Aan de leraar en vooral aan een wie de praktijk van het les geven niet als van zelf van de hand gaat, die zich bovendien dwingt tot pijnlijk nauwkeurige correctie van proefwerken, die zich geroepen acht om, ook buiten de schooluren, zijn best te doen om willige en onwillige leerlingen op peil te brengen, stelt het hoge eisen, als hij de met moeite uitgespaarde uren aan wetenschappelijke arbeid wil wijden. En tot zulken hoorde Kooperberg.
Het omvangrijkste geschrift dat hij heeft nagelaten, is zijn dissertatie met Margaretha van Oostenrijk als onderwerp. Een uitgebreid onderzoek in tal van bibliotheken en archieven in Nederland, België en Frankrijk moest er hem de stof toe leveren; zo ziet men hem zijn plaats innemen in de brede schare van Blok's discipelen. De al te uitvoerige opzet van de eerste vier hoofdstukken werd oorzaak, dat zijn werk eerst halverwege aan het eigenlijk onderwerp toekwam en dat zodoende maar één jaar van
Margaretha's landvoogdij kon worden beschreven. (Later vond de auteur gelegenheid om ook de overige jaren, zij het in beknopte vorm, te behandelen.) De beoordelaar in het Museum (16, 1909), J.S. Theissen, heeft onder alle erkenning van de vlijt, in het naspeuren betoond, hierop dan ook critiek laten horen; het meest waardeert hij de ook elders geprezen publicatie van Gattinara's brieven, in een bijlage (blz. 337-463) aan het verhaal toegevoegd. In gelijke geest spraken de N.R. Ct. (7 Mei 1908) en de English Historical Review (July 1910). Inderdaad kan men zeggen dat het werk niet ‘uit de verf’ is gekomen, wat behalve op de inhoud ook op de taalvorm moet worden toegepast. Daartegenover staat de lof die hem de Engelse recensent niet onthoudt: ‘This criticism does not apply to the two last and most important chapters on Margaret's first appearance as regent and on her foreign policy ... an admirable account of the influence which M. early began to exercise upon her father’.
Het zal een grote voldoening voor de jeugdige historicus zijn geweest, dat hij aanstonds tot medewerking aan het N. Biografisch Woordenboek werd aangezocht. Uitvoerige bijdragen van zijn hand, naast vele kleinere, vinden we over Margaretha van Oostenrijk, Maximiliaan, Philips de Schone, Maria v. Hongarije e.a. In 1919 werden zijn verdiensten erkend door benoeming tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
Van twee zijden mag de prikkel in hem zijn opgekomen om zich in de dagen van de Erasmusherdenking met deze figuur bezig te houden: zijn belangstelling voor alles wat met het hof te Mechelen in verband stond en zijn geestdrift voor de vredesidee. Een onderzoek naar de betrekkingen tussen Erasmus en het Oostenrijkse huis en een verzameling van uitingen waarin de grote humanist het grijpen naar de wapenen veroordeelde, kwamen er uit voort. In verband met zijn Erasmus-studie staat een andere over Anna van Borssele; een soortgelijk onderzoek uit genealogisch en historisch oogpunt leidde tot een ‘Proeve van een geschiedenis van het geslacht Van Naaldwijk’. Op heel ander terrein brachten hem zijn aanvullingen op Van den Bergh, op Egmond betrekking hebbende, en op weer een ander liggen studies over onderwerpen uit de krijgsgeschiedenis van de Republiek.
Tijdens de oorlog 1914-1918 was Kooperberg aanvankelijk pro-Duits, een gezindheid die enerzijds voortsproot uit eerbied voor de Duitse wetenschap, anderzijds uit de hoop dat er een toekomst voor de Nederlandse cultuur in België daagde. Toen hij het ware karakter van het Duitse imperialisme leerde doorzien, schroomde hij niet, ruiterlijk te erkennen
dat hij zich had vergist. Van zijn rechtvaardigheidsgevoel spreken de artikelen over neutraliteit, waarin we de voorzichtige historicus die slechts een gefundeerd oordeel wil uitspreken, tegen destijds zo vaak gehoorde onbekookte uitspraken te velde zien trekken.
Opheffing van zijn betrekking door beperking van het aantal leerkrachten bij het M.O. werd aanleiding tot zijn vervroegd eervol ontslag met ingang van 1 Sept. 1935. Dat hij hierdoor meer tijd tot zijn beschikking kreeg, ziet men weerspiegeld in de lijst van geschriften.
Over de gebeurtenissen die aan de 2de wereldoorlog vooraf zijn gegaan, heeft hij zich mijns wetens niet in het openbaar uitgelaten. De steeds toenemende bedreiging die de vijandige stemming tegen het Jodendom ook voor hem persoonlijk en voor zijn gezin inhield, moet zijn geestkracht wel ernstig hebben verlamd. Ook bleef het niet bij bedreiging. In Aug. 1944 viel hij, die veiligheid op de Veluwe had gezocht, met zijn vrouw in handen van de overweldiger en belandde in het Huis van Bewaring te Arnhem, vervolgens te Westerbork. De pogingen van een oud-studiegenoot om nog iets te redden, faalden. Te Bergen-Belsen overleed hij, die doorgaans een goede gezondheid had genoten, op Oudejaarsavond 1944, op 14 Maart 1945 in de dood gevolgd door zijn echtgenote; commentaar kan men gissen. Dit was het tragisch einde van een man wie men om zijn nobele gezindheid en rusteloze werkzaamheid zo gaarne een rustige oude dag zou hebben gegund.
D.C. Tinbergen
| 1908 | Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes der Nederlanden, tot den vrede van Kamerijk, 1480-1509 (Acad. proefschrift). Amsterdam, v. Holkema & Warendorf. |
| 1911-1937 | Nieuw Nederl. Biogr. Woordenboek I-X (158 ondertekende artikelen). |
| 1913 | Honderd Taaloefeningen. 's-Gravenhage, Joh. Ykema. |
| 1915 | Wat kunnen ons, neutralen, de officieele gegevens der oorlogvoerende partijen leeren? Amsterdam, C.L.v. Langenhuysen (B.F.M. Mensing). |
| 1915 | Eenige beschouwingen over het begrip ‘neutraliteit’. Militaire Spectator. |
| 1918 | Hecmundensia. Bijdr. v.d. gesch. v.h. bisd. v. Haarlem XXXV. |
| 1918 | Een muiterij in den Spaanschen tijd. De muiters van Hoogstraten (1602-1604). Bijdr. v. vad. gesch. en oudheidk. 's-Gravenhage, M. Nijhoff. |
| 1922-1924 | De Aarde en haar Volken, aardrijksk. leerboek (in samenwerking met O. ten Have), 4 delen. Rotterdam, Nijgh & v. Ditmar. |
| 1936 | Erasmus als vredeskampioen. Den Haag, W.P.v. Stockum & Zoon. |
| 1937 | Bijdragen tot de Erasmus-herdenking, I, De verhouding van Erasmus tot het Oostenrijksche huis. Revue belge de Philologie et d'Histoire XVI. |
| 1937 | De herovering van Breda (1637). Taxandria XLIV. |
| 1938 | Anna van Borssele, haar geslacht en haar omgeving. Archief, uitgeg. d.h. Zeeuwsch Genootsch. der wetenschappen. |
| 1940-1941 | Jan van Naaldwijk en zijn geslacht. De Navorscher 89e en 90e jg. |