terug  begin  verder
[p. 134]

Johan Diederik Rutgers van der Loeff
('s-Heerenberg, 22 Maart 1874 - Nunspeet, 30 April 1945)

Als zoon van de Nederlands Hervormde predikant Ds Abraham Rutgers van der Loeff werd J(oh)an Diederik op 22 Maart 1874 te 's-Heerenberg geboren, woonde te Haastrecht, Zaltbommel en 's Hertogenbosch, bezocht na de dood van zijn vader het gymnasium te Leiden, waarheen het gezin verhuisde, en deed daar in 1893 eindexamen. Zijn doctoraalexamen in de Nederlandse letteren legde hij af aan de Leidse Universiteit, waar hij volgens zijn vriend Mr C.H. Beekhuis Sr in diens levensbericht over Van der Loeff, verschenen in het jaarboek 1944-1945 van de Vereeniging Haerlem, onder zijn medestudenten een grote populariteit genoot, in het Collegium van zijn jaar werd opgenomen en na afloop van zijn bestuursfunctie tot erelid werd benoemd ‘hoewel hij allerminst de neiging had zich op den voorgrond te plaatsen’. Over dit laatste zo dadelijk!

Korte tijd was hij als volontair werkzaam aan de Rijksuniversiteitsbibliotheek te Leiden, waarna hij met ingang van 1 December 1902 werd benoemd tot bibliothecaris van de Stads-Bibliotheek van Haarlem.

Om het levenswerk van deze bibliothecaris te kunnen begrijpen is 't nodig om in korte trekken de instelling te beschrijven, welker leiding aan hem werd toevertrouwd. Gesticht in 1596 in een tijd van grote opbloei der Nederlandse steden na de ergste verdrukking waaraan ze van Spaanse zijde hadden blootgestaan, had zich de Haarlemse Stads-Bibliotheek aanvankelijk ontwikkeld als een veelzijdig geöriënteerde boekerij, zoals duidelijk uit de woorden van de geschiedschrijver Ampzing blijkt, waar hij in 1628 dicht:

 
‘Ons stedes Librarij, en rijke Boeken-kas,
 
Die daeglijkx meerder word door menselijk gewas...’

Degenen, die met het beheer dezer rijke ‘Boeken-kas’ belast waren in de 17e en 18e eeuw breidden het bezit op alle gebieden van de toenmalige wetenschap uit voor zover de hun ten dienste staande middelen dat toelieten. Evenwel week van deze bibliotheek-politiek de nieuwe bibliothecaris na de Franse revolutie, Dr Abraham de Vries, af. Hij had zich als voornaamste doel gesteld om de hem toevertrouwde instelling ‘de kenmerken te doen dragen van de boekerij te zijn der stad, die de geboorteplaats is van de grootste en weldadigste der uitvindingen, de boekdrukkunst’, gelijk hij zich uitdrukte. Aan dit doel besteedde De

[p. 135]

Vries het weinig beschikbare geld voor aankoop van boeken, terwijl zijn opvolgers door de gemeenteraad van Haarlem nolens volens gedwongen waren het voetspoor van hem te volgen om de Bibliotheek dienstbaar te maken aan de historische wetenschappen met uitsluiting van de praktische. Reeds de 2e Enschedé (1896-1902) komt hiertegen in verzet, maar eerst aan Van der Loeff is 't gegeven om met alle respect voor de historische inslag van de boekerij en voor de belangstelling in de uitvinding der boekdrukkunst, de oude Stads-Bibliotheek nieuw leven in te blazen en haar bezit zó veelzijdig uit te breiden als nooit nog onder zijn voorgangers het geval was geweest. Toch zou de Haarlemse Stads-Bibliotheek geen instelling van grote importantie geworden zijn voor de bevolking der gemeente waarvoor ze bedoeld was, indien de organisatie ervan gebleven was zoals ze sedert eeuwen bestond en dit begreep Van der Loeff heel goed. Reeds vier jaar na zijn benoeming is hij lid van een commissie, die een plan voor een Openbare leeszaal ontwerpt, maar noch in 1906 noch bij de tweede poging daartoe, in 1908 ondernomen, heeft dit ontwerp succes. De bibliothecaris houdt evenwel voet bij stuk en ziet zijn pogen eind 1920 bekroond met het besluit van de gemeenteraad om op de oude stam van de Stads-Bibliotheek een nieuwe loot te enten, die der Openbare leeszaal en bibliotheek. Dit betekent een unicum in Nederland, nergens elders had men kans gezien een oude Stadsbibliotheek, waarvan er toch vrij vele geweest waren, om te zetten in een moderne bibliotheekinstelling, en zelfs met behoud van het oude bezit.

't Bleek weldra dat Van der Loeff, die onder de naam van ‘directeur der Stads-Bibliotheek en Leeszaal van Haarlem’ in 1922 de leiding kreeg, goed gezien had, want terwijl in 1920 het bezoek nog slechts ruim 4000 personen bedroeg, was dit in 1922 reeds tot ± 14.000 gestegen, terwijl het aantal uitgeleende boeken van 440 tot ruim 23.000 toenam. Deze getallen zouden in de loop van zijn directoraat zelfs tot 100.000 voor het aantal bezoekers en 130.000 voor het aantal uitgeleende boeken per jaar groeien. Echter was er aan de snelle groei ook een schaduwzijde: het vele en te spoedig begonnen werk groeide het personeel over het hoofd, lang niet het gehele bezit kon verantwoord worden in de katalogi, de grote bezuiniging op de overheidsuitgaven, die omtrent 1930 intrad, was mede oorzaak van een achteruitgang van de zo plotseling en te snel opgeleefde bibliotheek en 't was voor de directeur ervan smartelijk dat zijn instelling in de laatste jaren van zijn directoraat tot een zeker verval kwam, waaruit ze niet meer door hem kon worden opgeheven.

[p. 136]

Als laatste glorie van zijn sociaal streven moeten we het tot stand komen van het filiaal Haarlem-Noord zien, dat door zijn toedoen gevestigd werd in het voormalige kasteeltje ‘Huis te Zaanen’ en zeker een onmiddellijke bloei zou beleefd hebben, indien voldoende geld tot exploitatie van deze bibliotheek in een stadsgedeelte van meer dan 30.000 inwoners zou zijn ter beschikking gesteld. De alles ontwrichtende bezuiniging, die vooral op cultuur-gebied tal van slachtoffers maakte, bracht ook dit werk van zijn stichter voor meerdere jaren tot stilstand. Hij moest in verband met zijn gezondheidstoestand vóór zijn zestigste jaar als directeur ontslag aanvragen in 1934 en het beheer van zijn geliefde bibliotheek aan een ander overdragen. Zeker is 't hem tot troost geweest dat in de loop van de volgende tien levensjaren, die hem nog gegund waren, de instelling die hij 32 jaar met grote liefde en ambitie geleid had, de moeilijkheden van haar overgang tot moderne instelling heeft overwonnen en hiervan heeft hij ook eenmaal getuigd.

Gold ons levensbericht tot nog toe de organisator en idealist met betrekking tot zijn levenswerk, niet mogen we zwijgen over zijn verhouding tot het vrij talrijke personeel dat na 1922 onder zijn leiding kwam. Hij was zeker een uiterst humaan chef, die het beste met zijn ondergeschikten voorhad, en hen op de plaats hielp brengen, waar zij krachtens hun bekwaamheid thuishoorden; hij was iemand, die zowel door zijn ruime instelling op geestelijk gebied als door zijn goed geschoold intellect leiding wist te geven op bibliotheek-gebied. Hij was een man van grote charme en schrijver dezes heeft weinig mensen ontmoet, die zoveel goedheid uitstraalden en belangstelling toonden in het lot van degenen, met wie zij verkeerden, als deze man deed. 't Was een feest hem te ontmoeten en weinig heeft hij in zijn grote bescheidenheid vermoed van welke grote waarde zijn voornaam gezelschap was voor degenen, die daarvan deel uitmaakten. Gelijk iedere medaille van verdiensten had ook deze zijn keerzijde: de drager ervan miste in zijn latere jaren de kracht om tegen de stroom des tijds in te gaan, hij willigde te gemakkelijk de eisen in, die gemeente-overheid of haar hogere ambtenaren hem stelden, hij deed te spoedig concessies aan de drang naar bezuiniging op cultureel gebied, zijn zwakke gezondheid was mede oorzaak dat de bibliotheekleiding hem meer ontglipte dan wenselijk was voor een krachtig beleid.

Hij was iemand van de allergrootste soberheid niettegenstaande de fortuin hem allesbehalve misdeeld had en deze soberheid leefde hij uit in zijn dagelijkse bibliotheekomgeving, die hiermee al te veel gesigneerd

[p. 137]

werd. Van huis uit was hij iemand van aristocratische allure, maar deze werd getemperd door zijn democratisch streven in een tijd van revolutionnaire ontwikkeling op sociaal en politiek gebied. Hij was meer een democratische aristocraat dan een aristocratische democraat. Deze oorspronkelijke geesteshouding bracht hem dan ook wel in conflict met zijn maatschappelijk streven maar verhinderde niet dat men hem ook na zijn afscheid als bibliotheekdirecteur met grote piëteit beschouwde en meermalen werd hij in zijn vroeger bibliotheek-milieu genodigd en gezien.

Zijn belangstelling ging verder dan zijn dagelijkse werkkring: hij was lid van het bestuur der Centrale Vereniging voor openbare leeszalen en bibliotheken, hij was commissaris van het Departement Haarlem der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en bevorderde - zie hier weer een staal van zijn ruime geesteshouding - de belangen der nutsbibliotheek daadwerkelijk, hij was tot enkele jaren vóór zijn dood penningmeester van de ‘Vereeniging Haerlem’ en van het ‘Leesgezelschap voor beeldende kunst’, hij heeft tientallen jaren meegespeeld op het lekentoneel en heel zijn geestelijk leven werd gedragen door zijn religieuze instelling, die hem weer andere plichten op zich deed nemen zoals die van bestuurslid van de Bloemendaalse afdeling van de Protestantenbond en van de Haarlemse afdeling van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden. Zowel door zijn ambt als via zijn vrij vele relaties met verenigingsbesturen ontmoette hij dagelijks een talrijk publiek en stond dit publiek op de hem eigen hoffelijke wijze te woord en was voor de velen, die hij bij het uitlenen van boeken of bij het geven van inlichtingen hielp een even goed raadsman als gids in de uitgebreide materie, die in de Stads-Bibliotheek tot zijn beschikking stond.

't Was dan ook niet te verwonderen dat hij bij zijn vijf en twintig jarig jubileum als bibliothecaris, op 1 December 1927 door het Haarlems publiek op ondubbelzinnige wijze gehuldigd werd als de man, die een kwart eeuw de cultuur binnen Haarlem gediend had met volle overgave en liefde.

Zijn wetenschappelijke publicaties zijn niet talrijk zoals ook niet te verwachten is van iemand wiens voornaamste taak is de opbouw van een snel groeiend cultuurinstituut waarvoor zoveel intense en fijn geschakeerde belangstelling nodig is als een bibliotheek (oude èn nieuwe) eenmaal eist. Hij gaf de ‘Drie lofdichten op Haarlem’ van Carel van Mander uit.

Van zijn bibliografische kennis getuigen vele fiches van de bibliotheekkatalogi.

[p. 138]

Zoals reeds boven gezegd, had de uitvinding der boekdrukkunst zijn volle belangstelling, maar hij offerde niet de overige bibliotheekbelangen aan zijn eigen hobby op. Integendeel, hij moest tot zijn verdriet toelaten dat het unieke bezit der ‘Costeriana’ van de aloude omgeving van het Prinsenhof verhuisde naar het Frans Hals Museum, waar het zoveel veiliger was geborgen, het bleef - en is nog - wel het kostbaarste bezit der Haarlemse Stads-Bibliotheek, maar zal daar niet terugkeren alvorens een nieuw gebouw het eeuwenoude zal hebben vervangen. En dat nieuwe gebouw mocht Van der Loeff niet meer beleven, hoezeer het hem meermalen in uitzicht is gesteld. De Costeriana brachten hem evenwel in nauwe relatie met J.H. Hessels, geboren Haarlemmer, die een groot deel van zijn leven in Engeland had doorgebracht, jarenlang bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek te Cambridge was geweest en die 't zich, als De Vries vóór hem, als levenstaak had gesteld te bewijzen dat in Haarlem de boekdrukkunst was uitgevonden door Laurens Janszoon Coster en niet te Mainz door Gutenberg (‘Haarlem, not Mainz’ is een zijner strijdschriften!). Van der Loeff verleende aan Hessels alle gastvrijheid tot zijn bibliotheek waarvan deze tot zijn negentigste jaar volop gebruik maakte en als dank daarvoor een zeer grote som aan de instelling vermaakte, waarvan de rente nog jaarlijks de inkomsten ten goede komen.

Na 1930 verloor Van der Loeff aan kracht en 't werd in de volgende jaren steeds duidelijker dat hij zijn taak aan andere handen moest overgeven, hetgeen dan ook eind 1934 gebeurde, in overeenstemming met zijn opvolger, op de dag, waarop hij vóór 32 jaar het ambt van bibliothecaris te Haarlem had aanvaard. Tot de oorlog bleef hij, zij 't steeds minder, in relatie met de bibliotheek, maar in Januari 1943 noopte de bezetter hem Bloemendaal te verlaten, waar hij na zijn Haarlemse en Zandvoortse tijd, sedert 1922 woonde in verband met de minder goede gezondheid zijner Vrouw. Hij evacueerde naar Oosterbeek, waar zijn schoonvader hem gastvrijheid verleende tot hij in September 1944, lichamelijk uitgeput, zijn laatste toevlucht zocht in Nunspeet, en daar, nog in het volle besef van de bevrijding, op 30 April 1945 overleed.

Een nobel mens, een goed vaderlander, een humaan chef, een bouwer aan Neerlands cultuur, een uitnemend en zorgzaam gezinshoofd, een man van even grote beschaving als van bescheidenheid en soberheid was heengegaan.

 

P.V. de Wit

terug  begin  verder