XI. De adviezen over de toekenning van deze prijs voor de jaren 1945/1946 en 1946/1947 zijn als vertrouwelijke mededeling afgedrukt in de beschrijvingsbrief:
Tengevolge van de moeilijkheid, dat in het eerste jaar na de bevrijding de boekenproductie zich door tal van omstandigheden aan overzichtelijkheid onttrok en dat onbeheersbare toevallen vaak over verschijning of uitblijven van een boekwerk beslisten, heeft de Commissie geen advies uitgebracht over het jaar 1945-'46, zodat zij thans twee candidaten mag aanbevelen ter bekroning met de Lucie B. en C.W. van der Hoogt-prijs, te weten: een candidaat voor de periode 1945/1946; een voor de periode 1946/1947.
Als eerste candidaat draagt de Commissie met algemene stemmen voor de dichter en prozaschrijver Bert Voeten, wiens geschrift Doortocht een gevoelige weergave bevat van de ervaringen uit de bezettingstijd. Bij de overrompeling van ons land was de schrijver werkzaam te Breda. Hij heeft in de eerste oorlogsdagen de evacuatie van deze stad meegemaakt en brengt ons aldus in het begin van zijn boek een relaas over de waarneming van oorlogshandelingen. Het is in eenvoudige taal gesteld, zonder opsmuk, zonder zucht naar overdrijving of bijzondere indrukwekkendheid. Juist door die simpele schrijfwijze weet Bert Voeten echter al dadelijk de aandacht van zijn lezers te boeien. Men krijgt een scherp besef, dat al het neergeschrevene persoonlijk en intens doorleefd is. Men leeft er in mee. Men toetst er zijn eigen herinneringen uit de oorlogsdagen aan. En dan komt men tot de gevolgtrekking: ‘Ja, zo is het geweest; zo hebben wij het ervaren.’ Dit dagboek zal misschien bij de uitgave in boekvorm enigszins geretoucheerd zijn, het heeft hierdoor dan niet opgehouden, volstrekt eerlijk te klinken. Zulke eerlijkheid is in een werk van deze aard een letterkundige verdienste. Ze wordt in dit geval verhoogd door de gaafheid van voorstellingswijze, de helderheid van stijl, de zuiverheid van gevoel. Door het schrijven van deze bladen heeft Bert Voeten bewezen, iemand te zijn, die een aangeboren kunstenaarstalent bezit, een rijke ontvankelijkheid, een helder en open gemoed. De commissie gelooft, dat zijn oorlogsdagboek tot dusver het beste geschrift in onze taal is over dit onderwerp. Hier komt nog bij, dat de schrijver in 1946 twee dichtwerken uitgaf; het ene, dat ten titel draagt De blinde passagier, is een bundeling van kortere gedichten, grotendeels in de bezettingstijd vervaardigd; het tweede, getiteld Odysseus' terugkeer, is
een dichtstuk, dat in dertig strofen van ieder tien regels, gevolgd door een korte epiloog, de gemoedsontwikkeling van een hedendaags geestelijk avonturier schetst door haar te confronteren met herinneringen uit de Odyssee. Vooral op dit laatst genoemde geschrift wil de commissie bijzondere aandacht vestigen. Zij heeft in beraad gestaan, of zij niet Odysseus' terugkeer ter bekroning voordragen zou, met de bijvermelding, dat van dezelfde schrijver ook Doortocht verscheen.
Immers, terwijl men naar aanleiding van een oorlogsdagboek altijd kan blijven twijfelen, of de betoonde schrijvershoedanigheden niet incidenteel zijn, geeft een sterk doorvoeld en gaaf gecomponeerd dichtwerk betrouwbare verzekering van aanleg en talent. Na de uitgave van Odysseus' terugkeer staat wel vast, dat wij in Bert Voeten niet de toevallig gelukkige uitwerker van een goede inval ter bekroning voordragen, doch een begaafd jong letterkundige met een scherpe, werkelijkheidsgetrouwe en gevoelige prozastijl en een dóórdringende, door oefening en eruditie verfijnde, dichterlijke zeggingskracht.
Moeilijker was het, tot overeenstemming te komen over de tweede candidaat. Na rijp beraad, stelt de Commissie voor, de Lucie B. en C.W. van der Hoogt-prijs toe te kennen aan de schrijver J.J. Klant voor zijn boekwerk De geboorte van Jan Klaassen.
Onder de geschriften van de laatste tijd munt dit werk uit door een zeldzame speelsheid van de verbeelding. De schrijver heeft humor. Maar hij wist zich ervoor te behoeden. Hij heeft zich niet door zijn gevoel voor humor laten misleiden tot het ontwerpen van een leuke, dolle, maar oppervlakkige Jan Klaassenklucht. Integendeel, de hoofdfiguur van zijn verhaal, de bekende poppenkastheld, wordt door de geestige verteltrant gemaakt tot een vertegenwoordiger van het moderne levensgevoel. Ware het werkje, blijkens het onderschrift, niet tijdens de bezetting vervaardigd, men zou het kunnen houden voor de opzettelijk bedoelde weergave van het gevoel van onbehagen, na de oorlog aan vele Nederlanders eigen. Dit is een zwevend onbehagen, bij sommigen geconcretiseerd tot bepaalde ontevredenheid, maar bij anderen, wellicht de meesten, vaag en vormloos, doch pijnlijk waarneembaar. De schrijver heeft geduldig gewerkt aan zijn verhaal. Het draagt hier de kenmerken van. In samenstelling en schrijftrant mist het iets spontaans, dat men bij een spelende fantasie gaarne als natuurlijk en onontbeerlijk beschouwt. Hier staat tegenover, dat de gestalte van de held zorgvuldig is uitgebeeld en dat de losse taferelen, waaronder echte meesterstukjes zijn, voorbeeldig werden
afgewerkt. Er hangt een zekere triestheid over de hele geschiedenis, die nochtans grappig genoeg is. Het is de triestheid der onbevredigbare verlangens, de triestheid der onvermijdelijke ontmoeting tussen het ideale en het alledaagse. Zal de schrijver, die thans woonachtig is in Zuid-Afrika, de belofte kunnen inlossen, door zijn eerste werkje ‘De geboorte van Jan Klaassen’ gegeven? Het is de bedoeling, hem hiertoe aan te moedigen.
De Commissie voor Schone Letteren wil dit jaar haar rapport niet besluiten, zonder haar beklag te doen over de geringe bereidheid van verscheidene uitgevers, haar het werk te vergemakkelijken. De Commissie maakt haar keuze uit boekwerken, die in druk verschenen zijn. Hiertoe moet zij inzage van zulke boekwerken kunnen krijgen. Wat is eenvoudiger dan dat de uitgevers een enkel exemplaar van ieder geschrift, dat zich kenmerkt als voortbrengsel der letterkunde, ter beschikking stellen van de bibliothecaris van de Maatschappij? Er is dit jaar geen enkel boekwerk met deze bedoeling toegezonden aan Bestuur of Commissie. Aanvragen van de zijde der Commissie kunnen ongewenste illusies wekken en worden daarom onzerzijds gaarne vermeden of tot het minimum beperkt. Doch zelfs op aanvragen mochten wij niet steeds het verwachte antwoord krijgen. De uitgever van een gegadigd boek, tot driemaal toe door de secretaresse der commissie opgebeld, zegde driemaal telefonisch toezending van dit boekwerk toe, doch liet het hierbij. Dit is niet de juiste manier om de belangen van de auteurs in het bijzonder en van de letterkunde in het algemeen te behartigen. De Commissie dringt er met klem op aan, dat de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden een recensie-exemplaar ontvangen zal van alle boekwerken, die naar de mening van schrijver of uitgever in aanmerking zouden kunnen komen om te worden voorgedragen voor de Lucie B. en C.W. van der Hoogt-prijs.
Het Bestuur beveelt de Vergadering aan het door de Commissie voor Schone Letteren uitgebrachte advies te volgen en aan de schrijvers B. Voeten en J.J. Klant de prijs toe te kennen.
Dit advies wordt bij acclamatie aangenomen.