terug  begin  verder

[XXII.]

XXII. Inzake de zuivering deelt de voorzitter mede, dat tot zijn spijt dit punt gedurende het afgelopen verenigingsjaar op elke bestuursvergadering een onderwerp van langdurige bespreking heeft moeten vormen. In vele opzichten is er direct na de bevrijding ook in de Maatschappij in dit opzicht te vlug en onverantwoord gehandeld. Zo nauwkeurig mogelijk zijn enkele dubieuse gevallen onderzocht, waarbij de beslissingen van de Centrale Ereraad mede als leidraad hebben gediend. Het verheugt hem namens het bestuur en op dringend verzoek van de betrokkenen te kunnen mededelen, dat de heren dr C.F.A. van Dam en mr H. Scholte, na volledige rehabilitatie, wederom als lid zijn toegetreden.

De heer Dominicus vraagt in dit verband inlichtingen omtrent de geruchten rond mevr. B. Vuyk. De voorzitter deelt mede, dat inderdaad beschuldigingen van ernstige aard, haar houding gedurende de bezettingsjaren in Indië betreffende, bij het bestuur zijn binnengekomen, die

[p. 197]

echter volkomen ongegrond zijn gebleven. Hij betreurt de onsmakelijke perscampagne, die hiervan het gevolg is geweest, waarin zowel mevr. Vuyk als de Maatschappij ten onrechte zwart zijn gemaakt. Geheel onafhankelijk van alle ingebrachte beschuldigingen is aan mevr. Vuyk, aan wie tijdens haar verblijf in Indië de Van de Hoogt-prijs is toegekend, thans gedurende haar verblijf in Nederland, na een vertraging om zuiver technische redenen, het haar toekomende bedrag uitbetaald en is zij, vanwege de toekenning van die prijs, door het bestuur tot lid benoemd. Mevr. Vuyk heeft echter gemeend deze benoeming niet te moeten aanvaarden.

terug  begin  verder