terug  begin  verder
[p. 117]

Wilhelmus Johannes Kühler
(Amsterdam, 8 December 1874 - Leiden, 18 November 1946)

Kühler werd als derde der vijf kinderen uit het huwelijk van Paulus Frans Kühler en Karolina Petronella Wijbrands geboren. De vader, eerst commissionnair in manufacturen, later vertegenwoordiger eener belangrijke Belgische lampenfabriek, behoorde tot de Waalsch-Gereformeerden. De kinderen echter stonden allen in de Doopsgezinde traditie der Wijbrandsen en niet minder in de historisch-litteraire. Bij de laatste denke men aan Kühler's grootvader, den linguist Karel Wijbrands en aan zijn twee ooms, beiden kerkhistorici, den jongeren Christiaan N., daarbij of daarboven grondig kenner van ons vaderlandsch tooneel en den ouderen Aemilius W., die als Molls beste leerling gold, lid der Koninklijke Academie van Wetenschappen, wien men tot zijn vroegtijdigen dood in 1886 de opvolging in het professoraat van De Hoop Scheffer had toegedacht. Hoe jong Kühler moge geweest zijn, toen zijn oom Aemilius overleed, zijn leven lang heeft hij zich dezen tot voorbeeld gehouden. Het schijnt met dien van Willem Moll en Robbert Fruin de invloed van Aemilius Wijbrands geweest te zijn, die den sterksten stempel heeft gedrukt op de vorming van den kerkhistoricus Kühler.

Sterker dan die van zijn onderwijzers in eigenlijken zin. De jonge Kühler gaf, zoo op het gymnasium te Amsterdam (1886-1892) als aan de Universiteit aldaar (1892-1897), blijk van zijn helder verstand, zijn stalen geheugen en zijn groot plichtsbesef. Hij was aan beide instellingen een goede leerling; hij gewaagde met eerbied van zijn leeraren, zeer zeker ook van die in zijn lievelingsvakken, geschiedenis en letteren, maar van sterken persoonlijken invloed op Kühler blijkt niet. En evenmin van dien zijner mede-leerlingen of -studenten: Kühler placht zich ook in hun midden eerder op den achtergrond te houden, al bekleedde hij in 1894-'95 met eere het ab-actiaat van het Doopsgezind Theologisch Dispuutgezelschap E.T.E.B.O.N..

In den zomer van 1897 ontving Kühler de aanstelling als Proponent vanwege de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit en 21 November 1897 verbond hij zich aan de Gemeente West-Terschelling, die hij tot 1902 diende. Vervolgens stond hij tot 1905 te Meppel, destijds gecombineerd met het naburige Assen, en ten slotte tot 1912 te Leiden. In 1904 trad hij te Nieuw-Buinen in het huwelijk met Henderika

[p. 118]

Lussingh Meursing, uit welken echt te Leiden drie zoons zijn geboren.

Juist vóór zijn vertrek van Terschelling was op 13 Juni 1902 Kühler in het doctoraal-examen in de godgeleerdheid aan de Gemeente-Universiteit van Amsterdam geslaagd, en aan deze verwierf hij op 3 December 1908 het doctoraat in die wetenschap op een proefschrift Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen.

In 1912 zag van zijn hand een tweede belangrijk werk, Het Socinianisme in Nederland, het licht; kleinere bijdragen van Kühler verschenen in de periodiek uitkomende ‘Doopsgezinde Bijdragen.’ Aan het einde van den cursus 1911-'12 moest Samuel Cramer het hoogleeraarsambt aan de Universiteit van Amsterdam en aan het Doopsgezind Seminarie neerleggen; het was zijn wensch, dat Kühler hem zou opvolgen. Algemeen viel dezen de erkenning ten deel van een der begaafdste predikanten en van den bevoegdsten historicus onder de Doopsgezinden. Toch had op 11 Maart 1912 zijn benoeming tot Hoogleeraar aan het Seminarie door het Bestuur der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit niet zonder strijd plaats; een minderheid miste in hem de gaven voor het leiderschap in den Doopsgezinden kring, dat - zij het officieus - gedurende jaren aaneen bij een der hoogleeraren had berust. Op 18 December 1912 volgde Kühler's benoeming tot Hoogleeraar aan de Universiteit in de Geschiedenis van het Christendom sedert Karel den Grooten door den Gemeenteraad van Amsterdam. Beide ambten aanvaardde hij op 10 Februari 1913 met het uitspreken eener rede over De Beteekenis van de Dissenters in de Kerkgeschiedenis van Nederland.

Hierin ontvouwde hij een program voor zijn onderwijs, dat in zijn meer dan dertigjarige werkzaamheid ongetwijfeld in vervulling is gegaan, en opende hij het vooruitzicht op een aaneensluitende geschiedenis der oude Doopsgezinden. Het was mede het verlangen, om tot dit laatste doel te komen, dat Kühler er toe bracht, in misschien nog sterkere mate dan te voorzien viel, zich te onthouden van die werkzaamheden, die ertoe gestrekt hadden zijn voorgangers tot leiders der Broederschap te stempelen. Reeds in 1914 legde hij het Secretariaat der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit neer en allengs eenige soortgelijke functies. De wijze, waarop hij sommige andere bemoeiingen van dien aard bleef vervullen, geeft allen grond voor het oordeel, dat hij de geschiktheid hiertoe geenszins miste, maar Kühler's persoonlijke voorkeur ging nu eenmaal meer uit naar de studie dan naar de zaken des dagelijkschen levens.

[p. 119]

Echter lieten deze hem niet ongemoeid; menigvuldige ziekte in zijn gezin noopte Kühler herhaaldelijk zijn aandacht te geven aan andere belangen als de geschiedschrijving der Doopsgezinden. Hierbij mochten zijn scherpe verstand en zijn fenomenale geheugen hem tot grooten steun wezen, nochtans was Kühler, met name in de compositie, geen snelle werker. Velen begonnen dan ook te vreezen, dat het voor hem niet zou zijn weggelegd, te voldoen aan de gewekte hoop op het boekstaven der Doopsgezinde geschiedenis. Het was zoo voor hen als voor degenen, die den moed op Kühler's slagen niet hadden opgegeven, een oorzaak van vreugde, toen in 1932 de Geschiedenis der Nederlandsche Doopsgezinden in de zestiende Eeuw het licht zag. In het tenzelfden jare verschenen Gedenkboek der 300 jaren Amsterdamsch Hooger Onderwijs verzorgde Kühler een bijdrage over De Kerkelijke Seminaria, welke, zich bewegend in een later tijdsgewricht dan het hem gewone, blijk geeft van zijn uitgebreide kennis ook van dien tijd.

Bij dit derde eeuwfeest der Universiteit van Amsterdam viel Kühler als vertegenwoordiger der Faculteit van Godgeleerdheid de benoeming ten deel tot Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Deze onderscheiding heeft hem ongetwijfeld goed gedaan evenals de huldiging, die hem in 1938 van oud-leerlingen en vrienden bij zijn 25-jarig professoraat ten deel viel, waarbij hem zijn portret, door Georg Rueter geschilderd, werd aangeboden.

De gunstige ontvangst, die zijn levenswerk, waarin streng wetenschappelijke behandeling hand in hand gaat met de leesbaarheid als van een roman, bij geleerd en ongeleerd, binnen en buiten de broederschap vond, heeft Kühler ertoe bewogen daaraan voortzetting te geven. In Januari 1940 voltooide hij de eerste helft van het tweede deel van zijn boek, onder den gewijzigden titel Geschiedenis van de Doopsgezinden in Nederland 1600-1735. Aan het slot stelt de schrijver een vervolg in uitzicht, dat den strijd zal behandelen, die zich dan reeds afteekent, en voorts een blik zal slaan op het gemeentelijk, het godsdienstig en het zedelijk leven der Doopsgezinden en het aandeel, dat ze aan de cultuur der 17e eeuw hebben gehad.

Het is Kühler slechts zeer ten deele gegeven, dit tot uitvoering te brengen. Eerlang kwam de oorlog binnen onze landspalen. De zorg voor kinderen, zoo in Nederland als op Java, paarde zich aan de zorgen en ziekten in het gezin van Kühler, bij wien reeds in 1936 zich een hartlijden had aangekondigd. Plichtmatig als steeds, zette Kühler in

[p. 120]

zijn boeienden trant de colleges voort tot in den cursus 1945-'46 toe, eenigen tijd dus na het bereiken van zijn 70ste jaar. Voor de samenstelling der nieuwe theologische faculteit is hij sterker in het geweer gekomen, dan men dit bij zijn achteruitgaande gezondheid misschien had vermoed. Met warmte kwam hij op voor de belangen der Seminaria en hij verheugde zich in de benoeming van hun vertegenwoordigers als Hoogleeraar aan de Stedelijke Universiteit.

Maar aan zijn geschiedschrijving heeft Kühler sinds 1940 weinig kunnen werken. Van het beoogde tweede stuk van zijn tweede deel, liet hij bij zijn overlijden het handschrift na van slechts één hoofdstuk, dat in 1950 afzonderlijk het licht heeft gezien met den ondertitel Gemeentelijk Leven, gevolgd door een levensbericht van mijn hand.

Zijn ambtelijke rusttijd heeft kort geduurd; in het begin van 1946 verergerde Kühler's kwaal. Toen verpleging te zijnen huize moeilijk werd, begaf hij zich naar een zijner zoons, te Leiden woonachtig, waar hij op 18 November overleed.

Inniger verwantschap dan met de denkbeelden van eigen tijd heeft Kühler gevoeld met die der moderne devotie en der Doopsgezinde Vaderen. Die in historisch verband te boek te stellen is zijn groote levensvreugde geweest en het zal zijn blijvende beteekenis uitmaken.

 

Chr. P. van Eeghen.

terug  begin  verder