terug  begin  verder
[p. 163]

Elise Soer
(Den Helder, 30 Januari 1854 - Boxtel, 6 Maart 1948)

Als hoofdredacteur van het, in Mei 1940 ten dode gedoemde, weekblad ‘De Vrijheid’ ontving ik van een lezeres te Lochem herhaaldelijk gedichtjes, die gelijkelijk getuigden van vaderlands- en Oranjeliefde en afkeer van fascisme en nationaal-socialisme. Het waren versjes, waarin men eer de invloed van Nicolaas Beets in zijn nadagen of van ds. Laurillard dan die van enig modern dichter speurde. Maar ze waren oprecht en vrij van vals pathos; ze gaven weer wat in veler harten leefde. In een politiek weekblad, dat geen letterkundige pretenties had en waarin zo'n gedichtje als ingezonden stuk sui generis opgenomen werd in de rubriek ‘Berijmde feiten’, waren zij welkom.

Het toeval wilde, dat de schrijfster, tante Lies, zoals zij zich door haar ex-discipelen liet noemen, een oud-lerares van mijn vrouw was. Dit leidde er toe, dat wij beiden haar meermalen bezocht hebben, eerst in haar geliefd Lochem, daarna te Boxtel, waar zij, liefderijk verzorgd, haar laatste drie levensjaren heeft doorgebracht. Zij sprak gaarne over haar leraressetijd, hoewel die reeds tientallen jaren achter haar lag. Bezitster van drie middelbare akten heeft zij, na 1 jaar bij het particulier onderwijs te Rijswijk en 6 jaren bij dat in Den Haag te hebben doorgebracht, gedurende 3 jaren te Middelburg en van 1889 tot 1909 te Leiden geschiedenis en aardrijkskunde gedoceerd. Wie dit van plichtsgevoel vervulde, hyper-degelijke vrouwtje gekend hebben, kunnen zich haast niet voorstellen, dat tegen haar benoeming tot lerares aan de Meisjes H.B.S. te Leiden aanvankelijk bezwaren gerezen zijn omdat zij in haar romans zulke netelige, erotische onderwerpen zou hebben behandeld. Wie die boeken thans doorbladert en ze vergelijkt met de pennevruchten van ganse reeksen jongere schrijfsters vraagt zich af, welke zedelijkheidsnormen in 's hemelsnaam zestig jaar geleden voor die brave Leidenaars gegolden hebben, en betreurt het, dat hun (posthume) reacties op hedendaagsche romans ons onthouden blijven. Tragi-komisch zouden die zeker zijn.

Mevrouw Japikse, die zowel bij Elise Soer als bij de lessen van haar voorgangster op de schoolbanken heeft gezeten, deelde ons mede, dat voor haar, de latere echtgenote van een bekend historicus, pas sinds 1889 geschiedenis meer dan een dorre en dode leerstof is geweest. Bij Elise Soer geen eindeloos opdreunen van de moeizaam van buiten

[p. 164]

geleerde jaartallen door aarzelende, angstig stotterende of sluw spiekende leerlingen, doch een gretig-luisterende klas. Sedert 1889 een bezielde lerares, die het verleden in gloedvolle voordracht deed herleven. Alle schoolmeesterachtigheid was Elise Soer vreemd; zelfs schijnt zij de teugels wel eens heel los te hebben gelaten. Maar zij hield zoveel van haar leerlingen, dat zij veel door de vingers en alleen het goede in hen zag.

Elise Soer schreef, evenals haar jongere zuster wijlen mevrouw M. Ovink-Soer, veel en gaarne; zelfs in haar laatste levensjaar was zij nog met een roman bezig. Haar historische eruditie bood haar de stof voor menig boek. Zij heeft niet minder dan tien historische romans geschreven en voorts nog een bundel historische novellen benevens acht andere romans of novellen-verzamelingen. De duur van een mensenleven (1883-1937) ligt tussen het eerste en het laatste boek, dat van haar in het licht gegeven werd, maar de schrijftrant van Elise Soer heeft in al die decennia nauwelijks verandering ondergaan. Ofschoon zij slechts even de dertig gepasseerd was bij de oprichting van ‘De Nieuwe Gids’ is er van naturalistische of impressionistische invloeden vrijwel niets in haar werk te bespeuren. Marcellus Emants, die bijna zes jaar ouder was en voor haar stierf, schijnt in zijn rake schildering, in de onverbiddelijkheid van zijn psychologie of psychopathologie, vertegenwoordiger van een veel jongere generatie. Elise Soer behoort nog geheel thuis bij de vele schrijfsters, die, met uiteenlopend talent, het voetspoor van mevrouw Bosboom Toussaint of van Wallis hebben gevolgd.

Verschillende romans van Elise Soer zijn herdrukt, meer dan één ook heeft bij het meest behoudende deel der toenmalige critici waardering gevonden. J. van den Oude (Carel van Nievelt) b.v. kenschetst in zijn Litterarische Interludiën (1899) weliswaar haar roman Hugo Menalda als een zonderling sterk werk, dat bij veelbelovende opzet getuigde van een totaal gebrek aan dramatisch temperament, maar hij vindt er toch tevens ‘zóóveel fijn gevoelds, ernstig gedachts en móói gezegds, dat men.... er in voortleest tot aan de laatste bladzijde’. ‘Oude menschen en kinderen’, schrijft hij, ‘zijn haar als een open boek’. Vol lof is hij over ‘zulke schone brokstukken als Elise Soer's beschrijving van een bloemencorso, van een zonsondergang, van een nacht aan het strand’. Bijkans dertig jaar later werd Tusschen zee en duin in tal van dagbladen en tijdschriften zeer welwillend beoor-

[p. 165]

deeld, zij het dan ook vooral, om de ‘N. Rott. Ct.’ aan te halen, als ‘een boek voor leesgezelschappen.’ Over haar laatste werk, Fata Morgana, een roman, die de eerste jaren van de Atjeh-oorlog behandelt, schreef Johan Koning in de ‘Haagsche Courant’, dat Elise Soer weliswaar meermalen in het sentimentele vervalt, maar dat geen enkele bladzijde het werk van een 83-jarige verraadt. Zo'n onderwerp zat de officiersdochter hoog - haar vader was luitenant-kolonel bij het corps mariniers -, zij gaf zich daaraan met jeugdig vuur.

De verhalen van Elise Soer vertonen enige gelijkenis met die van de jongere L.E. (mej. F.J.G.W.C. Engelberts, 1880-1929), wier compositie echter strakker van lijn pleegt te zijn. De historische romans van Elise Soer zijn gelardeerd met (op zichzelf lezenswaardige) anecdotische intermezzo's. Als zij b.v. in Tot hoogen prijs de reacties van jonge Nederlandse vrouwen en mannen op de Napoleontische overheersing schildert, kan zij niet nalaten, er de erepoort te Gorinchem bij te pas te brengen met het flikflooierig-serviele opschrift:

 
‘Aux transports d'allégresse, aux sentiments si doux,
 
Que fait naître en ces lieux votre auguste présence,
 
Vous voyez, illustre époux,
 
Que vous êtes encore en France.’

Als zij in hetzelfde boek Lapouge citeert, die de vraag gesteld heeft: ‘où est l'homme vraîment monogame?’ en op deze aanhaling laat volgen, dat Napoleon I en Lapouge elkaar begrepen zouden hebben, is ook dit een anecdotische toegift.

Tal van tijdperken uit de geschiedenis, in het bijzonder die van ons eigen land, heeft Elise Soer in haar romans behandeld. Voor Catharina, roman uit de Patriottentijd, een levensgeschiedenis met officiële stukken, heeft zij, voorgelicht door prof. dr. P.J. Blok, vele werken, brochures, pamfletten enz. bestudeerd; echter is het een tweeslachtig werk geworden, half roman half historische verhandeling. Een verdienstelijke volgelinge van mevrouw Bosboom-Toussaint toont zij zich, als zij in Sterke Levens (werk van een bijkans 80-jarige) de tegenstelling tussen de waardige Juliana van Stolberg en haar onbeheerste schoondochter Anna van Saksen aldus uitbeeldt: ‘Hoog en strak zag Juliana van Stolberg op haar schoondochter, de prinses van Oranje, neer.

De niet groote, tot gezetheid neigende vorstin maakte een scène, zooals wel meer gebeurde des middags na den maaltijd. Haar gezicht zag rood, de oogen fonkelden van boosheid.’

[p. 166]

Ik moet hat bij deze enkele grepen uit de romans van Elise Soer laten. Met dichten is zij ook na 1940 voortgegaan. Haar godsdienstige gevoelens uitte zij in het plaatselijk orgaan der Remonstrantse Broederschap, de bevrijding bejubelde zij, over het lot van Indonesië stortte zij haar hart uit. Toen dr. H.E. van Gelder in 1945 in onze jaarvergadering het letterkundig leven in (en na) bezettingstijd besprak, bleek onder de verzets- en bevrijdingspoëzie ook ‘een gedicht van de 91-jarige Elise Soer, het oudste lid onzer Maatschappij’, zijn aandacht te hebben getrokken.

Op dit lidmaatschap was Elise Soer even fier als op de Gouden Juliana-medaille van de Provinciale (Gelderse) Oranjebond, haar door de juryleden A.P.A.A. Besnard, Jan J. Greshoff en J.R.v.d. Lans toegekend voor het beste gedicht over de 18-jarige Prinses. (‘Prov. Geld. en Nijmeegsche Ct.’ van 30 April 1927.)

Van de Maatschappij der Ned. Letterkunde heeft Elise Soer bijkans 54 jaren deel uitgemaakt. Zij is een der eerste vrouwelijke leden geweest dezer Maatschappij, die wij ons nu niet meer zonder vrouwen zouden kunnen of willen voorstellen. Als men overweegt, dat Paul Brodin (Les écrivains français de l'entre-deux-guerres) nog in 1942 de verzuchting slaakte: ‘L'Académie française en fait de robes n'admet que celles des cardinaux’, schijnt onze Maatschappij vergeleken bij de veertig onsterflijken waarlijk vooruitstrevend. Zij nam reeds in 1894 Elise Soer als lid in haar midden op en deze was niet de eerste. Indien men de zaak zo bekijkt, begrijpt men met veel goede wil zelfs de aarzeling van prof. dr. J. te Winkel tussen geforceerde juichtoon en berustende verzuchting, als hij in 1898 in Een halve eeuw, historisch gedenkboek van het ‘Nieuws van den Dag’, constateert: ‘De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde heeft dan ook hare deuren niet meer gesloten kunnen houden voor zoo grooten aandrang van begaafde vrouwen.’

De oudste dier vrouwen, Elise Soer, is in 1948 van ons heengegaan. In mijn herinnering leeft zij voort als een vrouw, die tot het laatste toe vol belangstelling kennis bleef nemen van al wat zich binnen en buiten 's lands grenzen afspeelde, die nog als negentigjarige een staaroperatie aandorst en herleefde, toen haar ogen opnieuw Gods schepping konden aanschouwen. O zeker, zoals haar leeftijd medebracht, treurde zij over nabestaanden, vrienden en vriendinnen, die haar ontvallen waren, en klaagde zij over de naweeën van de tweede wereldoorlog,

[p. 167]

over het schrijnend contrast van het harde heden met de (wellicht ietwat geïdealiseerde) goede oude tijd, maar tot het einde toe bleef zij door haar energie en levendige aard bewaard voor die versuffende seniliteit en verlammende verdoving, welke duizendmaal erger zijn dan de lichamelijke dood.

 

J.J. van Bolhuis

Lijst van geschriften

I. Historische romans:

1887De Vlaamsche Vesper. Schiedam.
1890Marijke ter Linden. Schiedam.
1897Despoot.
1902Vervreemd. Leiden.
1902Tot hoogen prijs. Leiden.
1909Catharina. Leiden.
1919Langs Lijdenswegen. Amsterdam.
1929't Hooge Huis. Amsterdam.
1931Sterke Levens. Amsterdam.
1937Fata Morgana. Lochem.

Jaartal onbekend. Historische Novellen. Amsterdam.

II. Andere romans en bundels novellen:

1883Twee Novellen. 's Gravenhage.
1888Lenteminne. Schiedam.
1895Ward. Amsterdam.
1896Hugo Menalda. 's Gravenhage.
1898Misericordia.
1904Gerda. Leiden.
1911Onafhankelijk. Leiden.
1927Tusschen zee en duin. Amsterdam.

III. Bijdragen aan tal van tijdschriften,

(o.a. De Tijdspiegel) - weekbladen - dagbladen (o.a. Het Nieuws van de Dag) - en plaatselijke nieuwsbladen.

terug  begin  verder