terug  begin  verder
[p. 188]

Johannes Lodewijk Walch
('s-Gravenhage, 2 Januari 1879 - Amsterdam, 12 December 1946)

Het was in het jaar 1909, tat dr. J.L. Walch benoemd werd tot redacteur voor tooneel en letterkunde aan het staat- en letterkundig nieuwsblad ‘Het Vaderland’ te 's-Gravenhage en van dien tijd af heb ik hem persoonlijk leren kennen. Die kennismaking liep al spoedig op een conflict uit, omdat Walch meende, dat ik hem niet voldoende beleefd iets per brief gevraagd had - een plotseling ziek geworden collega te vervangen -; dat conflict betreur ik allerminst, want na een gesprek dat het misverstand had opgeheven zijn wij vrienden geworden, al is in later jaren nog wel eens om litteraire redenen een verwijdering ontstaan, die steeds ten slotte overbrugd werd. Walch was soms prikkelbaar, omdat hij het gevoel had niet voldoende erkend te worden. Wat zeker het geval was, want hij was niet alleen een man van smaak, maar ook iemand met een uitgebreide en wetenschappelijkgefundeerde kennis op velerlei gebied. Een persoonlijkheid, die rusteloos bleef werken en als hij zich voor een onderwerp interesseerde, er een uitgebreide studie van maakte. Zijn liefde ging uit naar de letterkunde en het tooneel; zijn studiezin naar het Middelnederlandsch en de taalkunde. En op al deze gebieden heeft hij belangwekkende publicaties nagelaten, die gaarne geraadpleegd worden.

Johannes Lodewijk Walch werd 2 Januari 1879 te 's-Gravenhage geboren. Hij ging daar op de H.B.S. en het oude Gymnasium aan het Westeinde. Te Leiden studeerde hij in de Nederlandsche letteren en graag vertelde hij van de colleges bij prof. dr. G. Kalff en prof. dr. J. Verdam. Na zijn doctoraal examen afgelegd te hebben was hij van 1903-1905 leeraar aan de H.B.S. en het Gymnasium te Kampen en van 1905-1908 aan de H.B.S. te Gouda. In 1906 voltooide hij zijn wetens chappelijke studie door te promoveren op een proefschrift over De varianten van Vondels Palamedes.

Walch had een te beweeglijken geest om lang leeraar te kunnen blijven. Hij zegde een rustig bestaan vaarwel om het zenuwsloopende beroep van journalist te aanvaarden. Dr. Walch werd verslaggever van het ‘Algemeen Handelsblad’. Hij wist wat hij deed, hij wilde eens midden in het volle leven staan. En de eenvoudige ‘berichies’ - zoals hij ze zelf noemde - van een brand kleedde hij litterair aan, wat door den redacteur, die zijn werk had door te geven, minder ge-

[p. 189]

waardeerd werd, want het blauwe potlood schrapte de litteraire franje, zoodat een vrij nuchter verslag overbleef. Lang is Walch, die ook ander werk te doen kreeg aan dat blad, niet te Amsterdam gebleven, slechts veertien maanden. Hij had zijn belangstelling voor het tooneel reeds laten blijken, was medewerker voor tooneel aan ‘Groot Nederland’, waarvan o.a. W.G. van Nouhuys redacteur was, schreef Amsterdamsche brieven voor ‘Het Vaderland’ en toen Van Nouhuys benoemd werd tot dramaturg aan de ‘Koninklijke Vereeniging het Nederlandsch Tooneel’ heeft hij Walch als zijn opvolger bij ‘Het Vaderland’ aanbevolen.

In December 1909 maakte Walch zijn entree als redacteur voor tooneel en letterkunde aan het Haagsche blad en hij is dit gebleven tot 1916. In dien tijd bracht hij een seizoen te Parijs door, toen de Koninklijke Schouwburg wegens brandgevaar gesloten werd en verbouwd moest worden. Maar uit Parijs hield hij de lezers op de hoogte van hetgeen in de Fransche hoofdstad op tooneelgebied gebeurde. Ook de litteraire rubriek bleef in zijn handen. Maar het tooneel, met zijn moeilijke problemen, boeide hem het meest. Omdat hij die problemen nog niet doorgrond had. Zijn tooneelstukken Judas Ish-Karioth, Voor de Heilige Stad en Antithese waren toen echter reeds gespeeld.

Als alle jonge schijvers bijna debuteerde Walch met verzen. Zijn eerste gedichten bracht hij samen onder den titel Holland en daarin komt een sonnet voor - nog zeer onvolmaakt van vorm - De Koe dat Frederik van Eeden ter plaatsing in ‘De Beweging’ heeft aanbevolen. Maar dichter van beteekenis is Walch toch niet geworden, al moet ik een uitzondering maken voor een in het laatst van zijn leven geschreven Paaschspel in rijmlooze verzen Hemel en aarde, Spel der verlossing, dat zeker bijzondere aandacht verdient. Betreuren moet men het, dat dit werk nog geen uitgever heeft kunnen vinden.

Het tooneel. Feitelijk maakte een gezocht conflict een einde aan zijn redacteurschap van ‘Het Vaderland’. Hij wilde vrij zijn om zich geheel aan zijn lievelingsstudie te kunnen wijden. En hij deed dit serieus. In 1911 had de Nederlandsche Tooneelvereniging zijn Judas Ish-Karioth gespeeld, waarin hij een psychologische uitbeelding heeft willen geven van de aanleiding tot Judas' verraad. Het was Louis de Vries, die de hoofdrol speelde en het in 1915 als openluchtspel in Nederlandsch-Indië bracht. In 1913 voerde Het Nederlandsch Tooneel zijn dramatische schets Voor de Heilige Stad op, het Rotterdamsch Tooneelgezelschap

[p. 190]

in 1915 Antithese en de Tooneelvereeniging in 1917 De Hoogste Wet een drama over de dienstweigering.

Op 13 Juni 1917 hield hij voor de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde een pleidooi voor Een nationaal tooneel en vroeg toen o.a. om naast de litteratuur op het Gymnasium en de Middelbare school de kunst van het tooneel als een afzonderlijke kunst te leeren begrijpen. Hij wees daarin den weg aan om tot een goed, nationaal tooneel te komen, opdat van het tooneel opvoeding in nationalen zin zou uitgaan. En Walch was niet alleen theoreticus, hij wilde ook de practijk leeren. Daarom nam hij les bij Adriaan van der Horst. Niet om zelf op de planken te gaan staan, maar om de voordracht te beheerschen, om te weten en te zien. In 1918 werd hij benoemd tot privaat-docent aan de Leidsche Universiteit in de geschiedenis van drama en tooneel en hij begon op 23 October van dat jaar zijn arbeid met een openbare les over Punt en Corver. Een jaar later aanvaardde hij de functie van adviseur bij het Schouwtooneel, waar hij veel en voor ons tooneel belangrijk werk heeft verricht.

Van zijn vele andere stukken zijn, bij mijn weten, alleen nog ten tooneele gebracht Het Leven van een Heilige, een gedramatiseerde legende over Sint Franciscus van Assisi door Jan Musch en de in 1925 voor het Leidsche lustrum geschreven humoristische phantasie Tspel vanden Vos Reinaerde, naden ouden ghedichte ende den nieusten vonden ghedichtet bi Janne, gheseit Walch. De auteur had reeds vroeger zijn gedegen kennis van het Middelnederlandsch getoond - behalve in studies over den ‘Reinaert’ - door na een voorstelling van Lanceloet door Royaards en Verkade dadelijk in het Ochtendblad van ‘Het Vaderland’ een recensie te schrijven in Middelnederlandsche verzen.

In 1922 werd Walch gedelegeerde der Nederlandsche regeering te Parijs op het derde eeuwfeest van Molières geboorte. Dit geschiedde mede naar aanleiding van een artikel van hem, waarin hij betoogd had, dat de verklaring, tot dusver aan den titel van de Ecole des Femmes gegeven, niet de juiste was. Met het publiceeren van artikelen en boeken over het tooneel bleef hij voortgaan. Zoo verschenen van zijn hand een voor de historie van het tooneel belangrijk werk Ons hedendaagsch tooneel, in zijn Studiën over litteratuur en tooneel, is o.a. opgenomen Een lijst van Nederlandsche Tooneelstukken van 1400 tot 1900 en ook zijn boek Aan weerskanten van het voetlicht zal graag geraadpleegd worden.

[p. 191]

In 1924 was hij voorzitter van de Mij. der Ned. Letterkunde, waarvoor hij ook veel werk heeft verricht.

Van 1925 tot 1926 was Walch weer aan het onderwijs verbonden als leeraar aan een H.B.S. te 's-Gravenhage om daarna het ambt te aanvaarden van hoogleeraar in de Nederlandsche taal- en letterkunde aan de Sorbonne te Parijs, den leerstoel vanwege de Fondation Allard Pierson bezettend. Tot October 1939 is hij dat gebleven, toen de oorlog hem noopte naar ons land terug te keeren, waar hij benoemd werd tot directeur van de Tooneelschool te Amsterdam. Ook van deze functie had Walch zich vrij gemaakt om zich geheel aan zijn letterkundig werk te kunnen wijden. Nog voor zijn opvolger benoemd was maakte een aanval van angina pectoris op 12 December 1946 een einde aan zijn werkzaam leven.

Werkzaam, want Walch heeft niet alleen voor het tooneel geschreven, ook novellen en romans zijn van zijn hand verschenen. Daarvan zijn ongetwijfeld de novellen voor de letterkunde van de meeste beteekenis. Een romanschrijver was Walch niet. Hij had uitstekende en origineele ideeën, die hij het best op ‘de korte baan’ kon verwezenlijken. Zijn gevoel voor humor maakte zijn schetsen tot meer dan ontspanningslectuur, zijn dramatische zin gaven er de spanning en den ernst aan, waardoor een hoog litterair peil bereikt werd. Zijn stijl was zeer verzorgd en verfijnd, zijn punctuatie een studie waard. Ook in zijn journalistiek. Want onder alle omstandigheden bleef Walch ook dagbladschrijver. Men moet er niet minachtend op neer kijken, dat hij iederen dag, jaren lang, kans heeft gezien om den lezers van ‘Het Vaderland’ in zijn rubriekjes ‘Goeden morgen’ en ‘Scherven van gisteren’ te boeien, te vermaken en sommigen te ergeren. Ook te ergeren, wat hem prikkelde tot verder gaan.

Op het wetenschappelijk werk van Walch is reeds terloops gewezen. Zijn studies over het Middelnederlandsch waren diepgaand; over Hadewijch schreef hij een gedegen essay; over den Reinaert, waarvan hij heele stukken uit het hoofd kende, een doordacht opstel. Zijn kennis van de Nederlandsche litteratuur vatte hij samen in zijn Nieuw Handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis, waarvan na vier jaar een tweede herziene druk verschenen is. Daarin had hij zich tot doel gesteld om behalve een betrouwbaar, ook een leesbaar boek - leesbaar voor belangstellenden en niet uitsluitend voor vaklieden - te schrijven.

[p. 192]

Walch was een rustelooze geest. Hij zocht steeds wat anders, altijd wat nieuws, omdat zijn intellect scherp was en zijn behoefte nog meer kennis te vergaren onuitputtelijk. Heeft hij nu de rust gevonden en is hij opgevoerd

 
Tote dat ghi comt in dat weldeghe lant
 
Daer lief in lief sal al doervloyen....?

G.H. 's-Gravesande

Lijst van geschriften

1905Holland, Eerste gedichten
1906De varianten van Vondels Palamedes, Eene bijdrage tot de ontwikkelings-geschiedenis van den dichter (proefschrift).
1908Een jaar van liefde, Verzen.
1911Van 't Oude in het Nieuwe, tooneelspel in één bedrijf.
1913De Ster, sketch.
1914Judas Ish-Karioth, tooneelspel.
1916Mysterie spel. Met 3 reproductiën naar droge-naald etsen van Lodewijk Schelfhout.
1916Het Wonder. Lyrisch toekomstspel in 3 bedrijven. Met 3 teekeningen van P. Cornelis de Moor.
1916Voor de Heilige Stad. Dramatische schets.
1918Machten en Menschen. Korte verhalen.
1918Punt en Corver. Openbare les ter opening van de colleges in de geschiedenis van drama en tooneel, gegeven in het Klein auditorium der Rijks Universiteit te Leiden op 23 October.
1919Abailard en Heloise. Een spel van liefde.
1919Vertellingen uit den donkeren winter.
1919Willem Royaards (Serie mannen en vrouwen van beteekenis).
1920De hoogste wet. Tooneelspel in drie bedrijven.
1921Antithese. Tooneelspel in vier bedrijven.
1921In een laaiende lente.
1921Louis Couperus. (Serie mannen en vrouwen van beteekenis).
1922Drie vertellingen.
1922Ons hedendaagsch tooneel.
1924Studiën over litteratuur en tooneel.
1924Massa-suggestie en Tooneeltechniek.
1924Het leven van een Heilige (Sint Franciscus van Assisi). Een gedramatiseerde legende.
1925Grimassen; (2e druk 1933).
1926St. Franciscus van Assisi † 4 October 1226.
1926Epizoden uit het leven van mr. Thomas. Verluchtingen van Lida von Wedell.
1927Aan weerskanten van het voetlicht.
1928Bar Abbas. Hoofdstukken uit de geschiedenis der menschheid na Christus. Omslag van Lida von Wedell.
1928Schets van de geschiedenis der Nederlandsche letteren; (2e druk 1936).
1928Uit de levensgeschiedenis van woorden.

[p. 193]

1929Maria-legenden. Naverteld en ingeleid. Omslag en vignetten van Lida von Wedell.
1930Boeken die men niet meer leest.
1930Beknopt verklarend woordenboek der Nederlandsche taal.
1931De magische schaal.
1931Galatea en Hans Brill, met teekeningen van E. van Hoogstraten.
1932Mythen, Sagen en Legenden (z.j.); 2e druk (3e druk 1936).
1932Goeden Morgen (9 Febr. - 4 Juni 1929); 2e bundel (z.j.).
1933Het vreemde geval van Hoghen Lugt.
1933De vreeselijke avonturen van Scholastica, met houtsneden van M.C. Escher.
1935Schooltoneel. Toneelstukjes om in de klasse te spelen.
1935Tspel vanden Vos Reinaerde, naden ouden ghedichte ende den nieusten vonden ghedichtet bi Janne, gheseit Walch.
1935Kortsluiting. De majoor zonder geheugen.
1939Is het te laat voor Bayart?
1940Karel de Stoute, grootendeels vertaling van voordrachten, 1938-1939 aan de Sorbonne gehouden.
1940Phaedra. Treurspel, vertaling J. Walch.
1941Vrouwen van formaat. Een galerij van vrouwen uit Nederlands verleden.
1943Het boek der wereldlitteratuur.
1943Nieuw Handboek der Nederlandsche Letterkundige geschiedenis; (2e druk 1947).
1945Vernieuwing van ons Middelbaar onderwijs.
1946Mensen in Parijs. Geill. door F. van Bemmel.
1947Karolus Magnus.

terug  begin  verder