Wanneer een verdienstelijk man van 40 jaar wordt weggenomen, de vader van een jong gezin, die juist de maatschappelijke erkenning van zijn betekenis heeft verkregen, dan is dat steeds een treffend geval. De ontroering bij velen, toen de dood van Kees Westermann hun werd aangezegd, wordt daarmee alleen niet verklaard. Hij was door gaven van hoofd en hart een graag gezocht vriend voor velen, die zich verkwikten aan zijn evenwichtige opgewektheid, zijn rustige levensmoed, zijn vertrouwengevende onbevangenheid van oordeel, zijn eerlijk zoeken naar waarheid. Zij kenden hem als een hulpvaardig en belangstellend man, die luisteren kon, en kwamen tot hem in de nooit teleurgestelde verwachting dat zijn benadering van problemen hun gemoed zou op streek helpen brengen. Aan zijn graf heeft een van hen daarvan getuigd.
Westermann boeide niet alleen zijn tijdgenoten, ook ouderen gevoelden zich tot hem aangetrokken en gaven hem vertrouwen. Zijn ordelijke en werkzame geest, zijn kennis van zaken, zijn voorzichtig oordeel, zijn belangeloze toewijding, de eenvoud wanneer hij zijn meningen of bedenkingen uitsprak, maakten hem een aantrekkelijk medewerker ook voor hen. Hij was volstrekt afkerig van leuzen of dogmatiek en bleef critisch tegenover elke stellige verzekering, maar dan op een manier die niet verkilde als uiting van negativisme, maar die juist gevoeld werd als een poging om mee te helpen opbouwen. Het deed vele kringen voor hem openstaan, van radicalen en conservatieven, van geleerden en zakenmensen, van autoriteiten en particulieren. En hij op zijn beurt genoot daarvan, want hij werkte graag met anderen samen, verkeerde in het algemeen graag onder mensen en had er plezier in uiteenlopende krachten samen te brengen voor een constructief plan. Hij heeft maar weinig mensen bepaald antipathiek gevonden. Het waren de overheersenden en de volstrekte negativisten. De geremden heeft hij misschien niet altijd gepeild. Dat zij zich met hem toch gelukkig konden voelen kwam door de onbevangenheid van zijn wezen en de hartelijkheid waarmee hij hen in zijn kring betrok en later in zijn gastvrij huis ontving.
Dit alles veronderstelt een man met eigen inzicht en voorkeur, met duidelijke waardebepalingen en een ontvankelijkheid van geest en ge-
moed. Westermann bracht veel van dit alles mee uit het gelukkige gezin van zijn ouders, waar principiële eenvoud en brede geestelijke belangstelling de sfeer bepaalden. Hij was een van acht kinderen (zes zoons en twee dochters) van C.J.J. Westermann, die de rubriek wetenschappen van het ‘Algemeen Handelsblad’ verzorgde en sterk theologische belangstelling had, en van E. le Cosquino de Bussy, de dochter van den bekenden theologiae professor van de Universiteit van Amsterdam. Zijn ontwikkeling leidde van de H.B.S., die hij te Hilversum doorliep, over het staatsexamen β, dat hem de studie in de rechten zou openen, naar de geschiedenis, waartoe hij onder leiding van dr Loenen zich voor het aanvullingsexamen voor de faculteit bekwaamde, reeds na zijn eerste studentenjaar.
Al in de studentenwereld werd zijn betekenis opgemerkt. De invloed van zijn houding en optreden bepaalde mede de overgang van bravour naar een meer intellectuele belangstelling bij zijn dispuutgenoten - hij was een ‘Beets’-man geworden. Voor de lustrumsenaat van 1927, die in zoveel met de professoren zou moeten samenwerken, was hij een ideale ab-actis. Het gedenkboek der Amsterdamse studenten hielp hij mee opzetten en hij was de aangewezen man om daarvoor de geschiedenis der disputen te schrijven, juist omdat hij het vertrouwen had van alle richtingen en groepen in de studentenwereld.
Naast zijn historische belangstelling, die zich hier deed gelden en die hem ook voor behoud van traditie en continuïteit deed opkomen, liet hij zich kennen als man met orgaan voor poëzie. En evenzeer stond hij open voor natuur en natuurschoon. Hij was een geestdriftig zeiler en zwemmer. Het werkte alles samen in zijn lust tot reizen. Het leidde ertoe dat hij na afgelegd doctoraal examen uitzag naar de mogelijkheid van een studiereis.
Het was de tijd waarin de Holland-American Foundation studietoelagen beschikbaar stelde voor een verblijf in de V.S. Westermann werd een der begunstigden. Was het vooral deze toevallige mogelijkheid die zijn keuze bepaalde? Zeker niet alleen. Hij heeft altijd belangstelling gehad voor de wereld buiten Europa, omdat vergelijkingsmogelijkbeden het eigene van de oude Westerse wereld zouden kunnen verduidelijken. In dat verband kan men ook zijn latere reis door Indië zien als een onderneming die bij zijn aard en geest paste. Maar geheel en al voorbereid heeft hij de reis in Amerika toch ook niet aanvaard. Hij vertrouwde erop dat hij er wel een onderwerp voor een
proefschrift zou vinden en hij heeft er ook een ontdekt. Maar dat was toen inderdaad wel een toevallige vondst, die hem nooit volle bevrediging heeft gegeven en die hem jaren lang heeft bezet doen blijven met werk dat geen gelegenheid kon bieden om ten volle te tonen waartoe hij in staat was.
De verschijning van zijn proefschrift The Netherlands and the United States, their relations in the beginning of the nineteenth century maakte hem in 1935 eindelijk vrij van wat hij als een last moet hebben gevoeld. De afstand die hem scheidde van de studentenjaren, die in 1928 met zijn doctoraal waren afgesloten, was toen al groot. Hij had ruim anderhalf jaar als wetenschappelijk assistent gewerkt in de bibliotheek van het Vredespaleis en was in Sept. 1932 assistent 1e kl. geworden voor de economische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1934 was zijn verloving gevolgd met mej. W.E. Heinsius van den Berg, doctoranda in de medicijnen. In December 1935 trad hij met haar in het huwelijk en vestigde hij zich aan zijn geliefde Prinsengracht.
Het was hem welkom geweest dat hij in 1932 weer naar Amsterdam had kunnen terugkeren, waar het samentreffen van traditie en modern leven, van geestelijke belangstelling en practische ondernemerslust hem zo boeide. Ook in Den Haag had hij oude vrienden terug gevonden en nieuwe gemaakt, maar het wonen daar had hij toch steeds als iets voorlopigs gevoeld. Men kan zeggen dat hij in zijn hart Amsterdammer is gebleven ook in die tijd. Het leven heeft maar eenmaal hem voor de noodzaak gesteld die oude liefde los te laten en zich op iets anders te richten - en toen waren, naar blijken zou, zijn dagen geteld.
Zijn leven heeft ook in ander opzicht eenheid en vastheid gekend. Hij heeft nooit anders gewild dan een wetenschappelijke loopbaan. Het was een hachelijk streven in Nederland, dat slechts zo beperkte mogelijkheden daartoe biedt. Voor Westermann, die materiële genoegens zeer op prijs kon stellen, maar er toch ook maar weinig naar uitging, was dat geen bezwaar. Hij bleef ook rustig in de eenmaal gekozen banen voortgaan, toen de huwelijksplannen opkwamen, maar nam ook zonder morren allerlei betalende opdrachten aan, toen de belangen van het gezin dat vergden.
Zo zien we hem werken aan zijn inleiding op de catalogus van de bloembollententoonstelling en schrijft hij zijn geschiedenis van de Amsterdamse K.v.K. Hij geeft een geschiedenis van de Nederlandse blikindustrie en van de bedrijven der Goedkoops. Een geschiedenis
Afzonderlijk moet zijn beschrijving worden genoemd van het bedrijf der K.P.M. waartoe hij, voor enige maanden samen met zijn vrouw, een reis door de Archipel mocht maken. De historicus laureatus van de Nederlandse scheepvaartmaatschappijen, dr M.G. de Boer, die de geschiedenis van de Mij. beschreef, voelde zich te oud voor zulk een verkenningstocht en liet dit gedeelte graag aan den jongeren vakgenoot over. De voorgeschiedenis heeft Westermann zelf nog eens behandeld in het verzamelwerk: Daar werd iets groots verricht.
Toen hij in het Oosten was, brak de 2de wereldoorlog uit, die hem via de Kaap deed terugkeren. Indië liet hem niet los. De gedachte dat daar ginds na de oorlog spanningen zouden blijken te zijn ontstaan deed hem omzien naar een middel om ook dan een rustige beoordeling van de situatie mogelijk te maken, waarop immers alles in hem steeds zoveel prijs stelde. Zo ontstond het boekje Vreemden over Indië, dat in Maart 1946, na zijn dood, zou verschijnen.
Naast het werk om den brode was er ook tijd voor zuiver wetenschappelijke publicaties, o.a. over de riviertollen van Gelre in de 14de eeuw, een der weinige studies die hij aan een onderwerp van middeleeuwse geschiedenis heeft gewijd en waarop dan ook na verschijning van andere kant nog enige aanvulling moest volgen. Hij heeft ook geregeld bijgedragen tot de boekbesprekingen in het ‘Tijdschrift voor Geschiedenis’, de rubriek die hij in een wetenschappelijk vaktijdschrift het belangrijkste achtte. Geruime tijd na zijn dood verscheen daar nog zijn critische studie over de convoyen en licenten, die hem zo volkomen waardig is.
Het is alles bij elkaar een heel oeuvre voor een man die nauwelijks de veertig mocht bereiken, ook al heeft hij zich dan meer aan het voorbereiden van publicaties kunnen wijden dan menigeen. Meent echter niet dat hij niets anders om handen had. Zijn assistentschap gaf veel werk, ook al werd het later bij de algemene bezuiniging in officiële waardering en bezoldiging - maar niet in werk - omlaag gebracht. Om de regelmatige inkomsten wat aan te vullen ondernam Westermann het wekelijkse overzichten over buitenlandse politiek te schrijven voor de beurskrant ‘De Zakenwereld’. Hij zag er het nut van in voor zijn lezerspubliek en voelde het werk ervoor ook als een oefenschool, waarin hij, die moeilijk een geschrift uit handen kon geven, gedwongen werd in vaste regelmaat te produceren.
Bijzonder genoten heeft hij van zijn leeropdracht voor de economische geschiedenis aan de Troelstra-school in Beekbergen, waar toekomstig kader gevormd werd voor de moderne arbeidersbeweging en de S.D.A.P. Hij mocht er in ondogmatische geest meewerken aan de ontwikkeling van begaafde en hard werkende jonge mensen en vond er in de weken van samenzijn met leerlingen en mede-docenten een sfeer, die hem weldadig aandeed.
Aan het begin van 1940 werd hij secretaris van het genootschap Amstelodamum, een functie waarvoor hij èn de liefde èn de kennis èn de vaardigheid bezat. Hij maakte in die functie alle zorgen mee van de bezettingstijd en hield het werk gaande tot er niets meer tot stand te brengen viel. In vertrouwen op de toekomst regelde hij ook allerlei voor toekomstige publicaties. Toen de bevrijding kwam, trok hij erop uit om het maandblad van het genootschap, alle papiernood ten spijt, weer te doen verschijnen.
Hij was in zijn houding tegenover de bezetter bedachtzaam maar vastberaden. Zijn afscheid van de Joodse leden van Amstelodamum in het jaarverslag van 1941 getuigt daarvan. Hij poogde ook te midden van de ellende van de hongerwinter afstand te houden tegenover de drukkende zorgen en de ontstellende gebeurtenissen en al vloog veel onrecht en redeloze vernieling ook hem aan, hij kon toch voor velen een steun blijven in vertwijfeling. Toen zijn leermeester en chef, prof. N.W. Posthumus, was afgezet, heeft hij in overleg met hem veel van het werk aan de Universiteit en aan het Economisch-Historisch Archief gaande gehouden, hoezeer schroom om op de stoel van Posthumus te gaan zitten hem daarbij eerst vervulde. Na de gebeurtenissen van
Febr. 1943 heeft hij zich voor werk aan de Universiteit niet meer beschikbaar gesteld en na een pijnlijk gesprek met een der Duitse machthebbers is hij als assistent ontslagen.
Het Economisch-Historisch Archief heeft hem tot kort voor zijn dood als wnd. directeur mogen behouden. Posthumus is er pas in het najaar van 1945 teruggekeerd. Westermann is regelmatig met de zaken van het archief bezig geweest, met voorbereiding van publicaties, besprekingen over de na-oorlogse toekomst, met aankoop en ruil, en met het zoeken van steun voor een studiefonds, waardoor hij uit de overvloed van betalingsmiddelen iets ten goede wilde laten komen aan het economisch-historisch onderzoek. Het fonds is tot stand gekomen naar zijn denkbeeld en zijn uitwerking.
In de loop van de jaren, die sinds 1932 verlopen waren, was de maatschappelijke positie van Westermann niet verbeterd. Integendeel, reeds vóór de bevrijding was ze door bezuiniging zwakker geworden. De Duitsers hadden hem tenslotte ontslagen. Het schijnt hem niet te hebben verontrust. Toen hem het aanbod gedaan werd om bibliothecaris te worden van de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam, heeft hij dat niet terstond met gretigheid aanvaard, maar eerst er ernsitg over nagedacht wat hem te doen stond. Hij nam de positie aan meer uit gevoel van plicht jegens zijn gezin dan in vreugde over de erkenning van zijn werk of het vooruitzicht van zelfstandigheid en leiderschap. Of hij Amsterdam zou hebben kunnen vergeten, of Rotterdam hem dierbaar zou zijn geworden, het staat te bezien.
Op 1 October 1945 begon Westermann zijn nieuwe werk. Op 6 October was hij weer in Amsterdam voor het overdragen van functies. Op 10 October werd hij te Rotterdam bedlegerig en toen een maagperforatie was geconstateerd werd hij naar het diaconessenhuis overgebracht. Na vele ingrepen die de verwachte verbetering niet mochten brengen, is hij, die zijn leven lang practisch niet ziek was geweest en die nog een toonbeeld van blozende gezondheid scheen bij zijn afscheid in Amsterdam, in de nacht van 27 op 28 November overleden. Er was verslagenheid onder de velen die op 1 December op ‘Zorgvlied’ zijn baar volgden.
P.J. van Winter
| 1930 | Afrekeningen van den stadsrentmeester van Antwerpen over de jaren 1340-1344. Door W. Snitker, Aug. de Vries en -. Economisch-Historisch Jaarboek, dl. 16, p. 211-221. |
| 1932 | Het dispuutleven sedert 1850. Geschiedenis van het Amsterdamsch studentenleven 1632-1932, Gedenkboek.... Amsterdam, p. 256-345. |
| 1934 | Een Amerikaansch oordeel over ons land omstreeks 1820. Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg. 49, p. 42-55, p. 161-178. |
| 1935 | The Netherlands and the United States. Their relations in the beginning of the 19th century. 's Gravenhage. Diss. Amsterdam. |
| 1935 | Catalogus van teekeningen, schilderijen, boeken, pamfletten, documenten en voorwerpen betr. de geschiedenis van de bloembollencultuur en den bloembollenhandel (op de) tentoonstelling (in het) Frans Hals-Museum, 1935. (Met een inleiding door ....). Haarlem. |
| 1936 | Bescheiden betreffende den Amsterdamschen handel in de eerste helft der 19e eeuw, naar aanleiding van de invoering van de nieuwe maten en gewichten in 1820. Economisch-Historisch Jaarboek, dl. 20, p. 294-329. |
| 1936 | Gedenkboek (van de) Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam. Samengest. ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan. Eerste deel, het tijdvak 1811-1922. Amsterdam. (Het 2e deel 1922-1936, door G.M. Greup). |
| 1936 | De gildeorganisatie der schilders in vroegeren tijd. De Verfkroniek, 15 Juli, 15 Sept. en 15 Oct. |
| 1938 | Korte geschiedenis der Nederlandsche blikindustrie. Amsterdam. |
| 1938-1939 | De internationale politiek in de afgelopen week. Zakenleven (Een wekelijks overzicht verschenen in Het Zakenleven; begindatum onbekend (waarschijnlijk begin 1938), tot 4 Maart 1939). |
| 1939 | Blik in het verleden. Geschiedenis van de Nederlandsche blikindustrie in hare opkomst van gildeambacht tot grootbedrijf. Amsterdam. |
| 1939 | De rekeningen van de landsheerlijke riviertollen in Gelderland 1394/1395. Arnhem. (Werken uitgeg. door Gelre, no. 21). |
| 1940 | Gedenkboek (van) G.H. Th. Crone 1790-1940. Uitgeg. ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan der firma op 2 Juni 1940. (Samengest. door G.C.E. Crone, - en I. Cransberg. Amsterdam). |
| 1941 | Een halve eeuw Paketvaart 1891-1941. Door M.G. de Boer en -). Amsterdam. |
| 1941 | De interinsulaire scheepvaart (van Nederlandsch-Indië in de 19e en 20e eeuw). Daar werd wat groots verricht.... Amsterdam, p. 232-250. |
| 1942 | Catalogus van de pamfletten betreffende den tulpenhandel van 1636 en 1637, met vermelding van de voornaamste verzamelingen waarin zij bewaard, en van de werken waarin zij beschreven worden. In: E.H. Krelage, Pamfletten van den tulpenwindhandel, 's-Gravenhage. (Werken N.E.H.A., no. 11). |
| 1942 | Kagen, clippers, werven en motoren. Geschiedenis van een geslacht van schippers, reeders, scheepsbouwmeesters en motorfabrikanten te Amsterdam. Met medew. van de directie der Kromhout motorenfabriek D. Goedkoop N.V. Amsterdam. |
| 1942 | Beschouwingen over de opkomst en den bloei des handels in de Gouden Eeuw. Zeven eeuwen Amsterdam, onder leiding van A.E. d'Ailly, dl. 2, A'dam (na 1942). |
| 1943 | Een memorie van 1751 over de tabaksindustrie en den tabakshandel in de republiek. Economisch-Historisch Jaarboek, dl. 22, p. 68-81. |
| 1943 | Inhoud der bijdragen tot de economische geschiedenis van Nederland, opgenomen in de Economisch-Historische Jaarboeken deel 1-22 (1915-1943). Econ.-Hist. Jaarboek, dl. 22. |
| 1943-1947 | Verslag van den Directeur van het N.E.H.A. over 1942, 1943, 1944. Econ.-Hist. Jaarboek, dl. 22 en 23. |
| 1946 | Wegen en middelen van verkeer tusschen Nederland en Nederlandsch-Indië. Hecht verbonden in lief en leed, Amsterdam, p. 243-266. |
| 1946 | Vreemden over Indië. Een bloemlezing van getuigenissen van buitenlandsche schrijvers over Nederlandsch-Indië. Met een inleiding. 's Gravenhage. |
| 1948 | Geschiedenis van de ijzer- en staalgieterij in Nederland in het bijzonder van het bedrijf van de Nederlandsche staalfabrieken v.h. J.M. de Muinck Keizer N.V. te Utrecht (geschreven) ter gelegenheid van het feit dat het in 1942 40 jaar geleden was dat met de productie van staal door J.M. de Muinck Keizer begonnen is. Utrecht. |
| 1948 | Statistische gegevens over den handel van Amsterdam in de zeventiende eeuw. (Persklaar gemaakt en van een naschrift voorzien door dr. J.T. van Dillen). Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg. 61, p. 3-15. |
Bovendien vindt men van de hand van Westermann bijdragen in: Propria Cures, jrg. 38, 39, 40; - Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg. 47, 48, 52, 53, 54, 55, 57, 59 (boekbesprekingen) en jrg. 51 (verslag van een lezing voor het derde congres van Nederlandsche historici over: De Vereenigde Staten en de overgang tot een liberale politiek in Nederland); Maandblad Amstelodamum, jrg. 27, 29 (boekbesprekingen); Jaarboek van het genootschap Amstelodamum, 1940-1944 (jaarverslagen).