terug  begin  verderprepost
[p. 33]

Culturele aspecten en perspectieven in Nederland omstreeks 1775
Door G.M. de Gelder

Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heren,

 

Wanneer wij feiten uit het verleden willen beschouwnn - ja zelfs feiten die in onze eigen tijd hebben plaatsgevonden - dan is wel te bedenken dat zulk een beschouwing nooit objectief is in deze zin dat zij totaal onafhankelijk van onze subjectiviteit is. Afgezien hiervan dat een of ander feit in het geheel geen feit heten mag wanneer het niet betrokken is op het waarnemende bewustzijn, de interpretatie van een feit is te allen tijde door onze subjectiviteit gekleurd, door onze individuele en persoonlijke structuur. En deze is zelf door talrijke factoren buiten ons mede-bepaald, laat ons zeggen medebepaald door de tijd en de ruimte, het milieu waarin wij leven. Het behoeft geen betoog dat onze beschouwing en interpretatie van een feit dermate gekleurd kan zijn dat zij vrijwel geheel en al geen aanspraak op objectiviteit kunnen maken. Een ware beschouwing van een feit is niet subjectief óf objectief, maar ín zijn subjectiviteit objectief, m.a.w. zij is een subjectieve beschouwing die zích tot een objectieve geldigheid blijkt waar te maken. En dit blijkt het geval te zijn wanneer wij dit of dat feit uit het verleden zo weten te verstaan dat het betekenis krijgt in de gang van het wereldgebeuren, dus mede in het heden waarin wij leven en mede in de toekomst waarin mensen na ons zullen leven. De betekenis of zin van dit of dat feit in de geschiedenis is het proces van de geschiedenis als zodanig, hetwelk telkens in en als het heden wordt gekend en op telkens vollediger wijze wordt gekend. Dat ik dit laatste zo denk is een teken van mijn persoonlijke werkelijkheidsbeschouwing. Om deze voor U te ontwikkelen ontbreekt mij op het ogenblik de tijd. Om U evenwel met enkele woorden de achtergrond van mijn verdere betoog bekend te maken zou ik nog even willen zeggen dat naar mijn inzicht een feit uit het verleden goed wordt verstaan wanneer wij het plaatsen kunnen in de ontwikkeling van de mens en de menselijke samenleving, welke ontwikkeling wederom m.i. de

[p. 34]

zelfbewustwording van de werkelijkheid in de mens en als mens is, en welke zelfbewustwording, wat de mens en de menselijke samenleving betreft, zijn en haar bevrijding en dus vrijheid beduidt. Datgene wat wij geschiedenis noemen is geschiedenis ván en vóór de menselijke geest. Haar inhoud is de verwerkelijking van de vrijheid, welke verwerkelijking wij in haar noodwendigheid kunnen en hebben te begrijpen. En de wijze waaróp zich de werkelijkheid, de gehele werkelijkheid, dus zowel de nog niet menselijke natuur als de menselijke geschiedenis verwerkelijkt, is nader als de dialectische te begrijpen. Anders uitgedrukt, de werkelijkheid verwerkelijkt zich door zelfpolarisatie, door het blijvend stellen van zich tot elkander verhoudende en aan elkander opheffende momenten. Zo constateren wij overal in de natuur en in het denken en leven der mensen blijvend de werkzaamheid van aan elkander tegengestelde krachten. De ene kracht roept de ander op en de een zoekt zich aan en met de ander op te heffen en te verheffen tot een hogere, vollediger manifestatie van de werkelijkheid in het proces harer zelfbewustwording of zelfbevrijding.

Het tijdvak waarover wij hier vandaag spreken is dat van de laatste helft van de 18de eeuw, in het bijzonder met betrekking tot ons Nederland. Het is voor alles een periode waarin de menselijke geest zich op het sociale en politieke gebied des levens doet gelden. Wat in deze de Republiek der Verenigde Nederlanden betreft, zij was reeds gedurende meer dan een eeuw - wat het binnenland aangaat - door de tegenstelling van de ‘staatsgezinden’ en de ‘prinsgezinden’ beheerst. In de 2de helft van de 18de eeuw, bepaaldelijk na 1774 formeerde zich als ‘derde’ partij die der z.g. Patriotten. Zij formeerde zich uit verlichte regenten, een gedeelte van de provinciale adel en burgerlijke democraten. Professor Huizinga heeft opgemerkt dat het woord ‘patriot’ aanvankelijk, in vroeger tijden, de betekenis had van landgenoot, dat patriotisme spoedig daarop en daarnaast de betekenis krijgt van vaderlandsliefde. Hierbij is te bedenken dat omstreeks 1750 ‘patriotisch’ en ‘oranjegezind’ nog samengaan. In de periode waarover wij nu spreken, wordt - wederom volgens prof. Huizinga - de betekenis van patriotisme verschoven naar het politieke streven naar volksvrijheid, rechtsgelijkheid, hervorming van de staat, vooruitgang van de maatschappij en tenslotte ...revolutie.

Op de lotgevallen in de strijd der patriotten tegen de oligarchie der regenten en het stadhouderschap van Oranje zal ik niet ingaan. Uit-

[p. 35]

muntende studies zijn hierover geschreven, ik herinner U slechts aan die van onze professoren Romein en Geyl. Slechts enkele feiten wil ik noemen:

In 1781 stelde de Overijselse edelman Johan Derck van der Capellen, die wij als een van de grootste figuren uit de Patriotse partij hebben te beschouwen, een pamflet op ‘aan het volk van Nederland’ met de oproep tot deelname aan de publieke zaak en het bestuur des lands, alsmede tot verkrijging van persvrijheid en volksbewapening. In 1782 trachtte de Friese patriot Coert van Beyma de gedachte van een volksbewapening in een concreet voorstel te belichamen. In 1784 werd Utrecht het brandpunt van de patriotse beweging. In 1786 zetten de Utrechters hun regenten eenvoudig áf. Het waren werkelijk ‘revolutionaire’ daden. En om nog een laatste te noemen, die kenmerkend is voor de - zij het particularistische en voor een groot deel door commerciële motieven bepaalde - vrijheidszin, door kooplieden geregeld in de geschiedenis geuit: In 1778 ontwierpen Amsterdamse kooplieden met medewerking van de pensionaris van Berckel - geheel en al op eigen gelegenheid en buiten de Staten-Generaal om - een geheim verdrag, dat de Staten-Generaal zou moeten aangaan met de zich kort tevoren onafhankelijk verklaard hebbende Verenigde Staten van Amerika. Het is U bekend dat dit laatste feit de Engelse oorlogsverklaring aan de Republiek (de 4de Engelse oorlog) heeft medebepaald en het is U ook bekend hoe al deze patriotische daden - hoe goed ook bedoeld - zeer weinig constructief waren en daardoor veel strijd en misère in de Republiek teweeggebracht hebben, dat ondanks successen in de jaren '85 en '86 de patriotse beweging meer en meer geïsoleerd kwam te staan, dat in '87 de Pruisische koning heeft geïntervenieerd met het gevolg dat - zoals Professor Romein schreef - op de 10de October van dat jaar Amsterdam, de eerste koopstad van Europa, bezet werd door troepen van de jongste onder de mogendheden, dat prins Willem V daarop in al zijn waardigheden werd hersteld, dat het erfstadhouderschap als een wezenlijk bestanddeel van de constitutie werd verklaard en door Engeland en Pruisen werd gewaarborgd, dat sindsdien de regenten met de prinsgezinden samengingen tegen alle ‘nieuwlichterij’, dat kortom de patriotse beweging uiteengeslagen werd en de Patriotten bij duizenden de Republiek verlieten en voornamelijk in Frankrijk hun laatste hulp en steun gingen zoeken.

Op het aandeel dat in de verbreiding van de patriotse gedachten ver-

[p. 36]

gaderingen, leesgezelschappen, sociëteiten, genootschappen, pamfletten, politieke weekbladen - bovenal de Post van de Neder-Rhijn onder de anonyme redactie van Pieter 't Hoen en ‘de politieke Kruyer’ onder redactie van Mr Hespe - professoren, remonstrantse en doopsgezinde predikanten - ik herinner U aan de Leidse predikant van der Kemp die aan de inhoud en de uitgave van het zoëven genoemde pamflet van van der Capellen had medegewerkt - op dit alles zal ik niet verder ingaan noch op de tegenacties die door de prinsgezinden, onder wie verschillende gereformeerde predikanten, ondernomen zijn.

Wat de geestelijke aspecten betreft die de patriotten tot het verzet tegen het conservatisme van overheid en staatskerk hebben aangespoord, zij kunnen samengevat worden als ‘humaniteitsbesef’ en ‘verstandsverlichting’. Humanistische beginselen zijn reeds in vroeger eeuwen in Europa onder woorden gebracht. Wat de Nederlanden aangaat behoef ik U slechts de namen te noemen van Wessel Gansfoort en Rudolf Agricola in de 15de eeuw, van Erasmus in het begin van de 16de eeuw, van Coornhert in de latere 16de eeuw, van Camphuyzen, Hooft in de 17de eeuw. Ik behoef U wel niet nader te verklaren dat humanisme en renaissance als geestelijk verwante cultuurverschijnselen zijn te beschouwen en dat het zelfbeschikkingsrecht van individuen en volkeren - dat gedurende de 16de en 17de eeuw werd nagestreefd - wezenlijke bestanddelen van het humanisme zijn geweest. En het zijn nu in de 18de eeuw wederom humanistische denkbeelden die de z.g. verstandsverlichting wijd en zijd heeft verspreid.

Wegbereiders van de eigenlijke verstandverlichting warren de 17de eeuwse wijsgeren Locke, Spinoza en Leibniz. Door Locke en de in zijn tijd gerealiseerde Engelse staatsinrichting zijn in de 18de eeuw de grote Franse schrijvers als Montesquieu, Voltaire, Rousseau en de Encyclopedisten beïnvloed. In Duitsland zijn Kant, Lessing, Herder, Schiller e.a. van humanistische ideën en idealen vervuld. Al kan ten onzent de Republiek niet bogen op grote schrijvers, natuurgeleerden of wijsgeren noch op grote schrilders of toonkunstenaars, de beginselen van de verstandsverlichting en het humanisme hebben onmiskenbaar onze patriotten - zij het dan eens meer dan eens minder bewust - bezield. Al is directe invloed van de buitenlandse schrijvers niet overweldigend groot geweest, de ‘verlichting’ zat in de lucht.

Om in het kort samen te vatten wat door de verstandsverlichting en het humanisme beoogd werd en wat dus ook ten onzent in de 2de helft

[p. 37]

van de 18de eeuw door de Patriotten werd geactiveerd, zou ik dit willen zeggen: 1. Ontplooiïng van de mens naar zijn verstandelijke en natuurlijke vermogens, 2. Geloof in de veranderbaarheid en verbeterbaarheid van de maatschappelijke instellingen op grond van genoemde ontplooiing van 's mensen verstand en natuur, 3. Bestrijding van elk blind autoriteitsgeloof, het moge zijn ten aanzien van de staat of ten aanzien van de kerk of ten aanzien van een bovennatuurlijk voorgestelde God, kortom vertrouwen in de macht van de mens om zich vrij en zelfstandig tot volkomen vrijheid en zelfstandigheid te ontwikkelen. Het zijn de in de natuur van de mens gelegen vrijheden die de mens krachtens zijn verstandelijke vermogens kan realiseren en die hij op maatschappelijk en staatkundig gebied als de ‘rechten van de mens en van de burger’ in 1789 in Frankrijk en daarvoor in 1776 in Amerika heeft geformuleerd en die in de Republiek door de Patriotten zijn aangevoeld als perspectieven van komende cultuur. In verband hiermede wil ik er U nog terloops aan herinneren dat de in 1784 door de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen opgerichte Maatschappij tot Nut van het Algemeen een prijsvraag heeft uitgeschreven, die getiteld was: Welke bewijzen leveren natuur en rede op voor het bestaan van God? En dat het in 1778 opgerichte Teyler's Genootschap in 1791 een prijsvraag uitschreef over de gelijkheid der mensen. Het feit dat dergelijke prijsvragen werden uitgeschreven is tekenend voor de belangstelling voor en zelfs goedkeuring van de voor die dagen zeer revolutionaire ideën.

Tot slot wil ik de overeenkomst en het verschil tussen de periode van onze geschiedenis omstreeks 1775 en onze eigen tijd met enkele woorden trachten aan te wijzen. Zoals toentertijd het geval was, wordt er ook in onze dagen veel geconfereerd en in verhouding daarmede weinig gedaan. Evenals toen betekenen thans hervormingen op maatschappelijk en staatkundig gebied veelal slechts veranderingen van personen, niet van beginselen. Evenals toentertijd wordt heden ten dage veel progressiviteit afgeremd en gematigd. Zoals toen - vooral na de val van de patriotse partij in '87 - lange jaren werd áfgewacht, zo wordt ook nu slechts heel voorzichtig en bedachtzaam te werk gegaan. Zoals toen bij de grote massa weinig belangstelling voor de publieke zaak bestond - zij bewoog zich voornamelijk tussen de beurs en de kerk - zo ook in onze dagen. Zoals toen brede scharen door verveling werden geplaagd, zo ook nu: Zelfs het jo-jo spel dat in 1790 alom als tijdverdrijf werd bedreven, keerde in onze tijd terug. Zoals toentertijd Amerika en Rusland op het

[p. 38]

Europese toneel verschenen - ik herinner U aan Katharina II die Rusland's macht naar het Zuiden en Westen trachtte uit te breiden en die in 1780 door haar Verklaring ter bescherming der neutrale scheepvaart ingreep in de Engelse hegemonie ter zee - zo zijn thans Amerika en Rusland de hoofdspelers op het wereldtoneel geworden.

Maar er is ook verschil en naar mijn inzicht een groot en wezenlijk cultureel verschil te constateren. Werd toentertijd de oplossing van talrijke problemen en conflicten voorgesteld in de ontplooiïng van de verstandelijke en natuurlijke vermogens van de mens, heden ten dage wordt meer en meer beseft dat het rationalisme en het naturalisme zonder méér eerder de dood dan het leven van de mens betekenen. Heden ten dage gaat de mens meer en meer inzien, dat de conflicten waarin onze wereld verkeert voor een zeer belangrijk deel juist aan het eenzijdige rationalisme en naturalisme te wijten zijn, dat het verstandelijke denken zonder méér de mens niet en nooit zal bevrijden en dat het door het verstand bepaalde en beheerste individualisme - ook waar dit zich in collectivisme verbergt - de samenleving met ondergang bedreigt. Werd in de 18de eeuw van verstand en natuur alle heil verwacht, in onze dagen wordt meer en meer beseft, dat de mens niet alleen zijn verstand en zijn natuur, maar al zijn psychiche vermogens heeft te ontplooien en harmonisch heeft te activeren en wel op grond van het redelijke begrip van zíjn en 's werelds ‘totaliteit’, kortom op grond van het begrip dat de werkelijkheid een zich verwerkelijkend ‘geheel’ is.

Doch juist door het inzicht in de overeenkomst én het verschil, die tussen het tijdvak dat wij vandaag beschouwden en onze eigen tijd bestaan, is werkelijke herkenning van die tijd in onze tijd en van onze tijd in die tijd mogelijk, anders gezegd, openbaart het verleden in en met en áls het heden zijn historische én boven-historische, d.i. eeuwige zin.

Mijnheer de voorzitter, dames en heren, met de wens dat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het hare zal bijdragen, d.w.z. dat gij het Uwe zal moge bijdragen tot de zo nodige psychische transformatie van ons denken en leven, zou ik mijn causerie willen besluiten.

prepostterug  begin  verder