Vooraf enige ontleedkundige begrippen: het strottenhoofd voor aan de hals bevat binnenin het stemorgaan met de stemplooien. Daarboven ligt het ‘aanzetstuk’ (mond, mondkeelholte of plarynx, neus en neuskeelholte). Bij lage stemgeluiden doen ook ruimten onder de stemplooien, tot zelfs de borstkas, nog mee. Achter het strottenhoofd is de slokdarm, boven afgesloten door een sluitspier, die bij het slikken opengaat en ook bij de eerste phase van een onaesthetisch geacht geluid, in het latijn ructus, hollands ‘boer’. In de tweede phase wordt de lucht, die eerst in de slokdarm door inademingsbeweging van de borstkas is gekomen, uitgestoten. Het strottenhoofd staat via de luchtpijp met de long in verbinding.
Demonstraties:
I. Een film licht toe een principieel verschil tussen het zeer jonge kind, dat nog niet, en de oudere mens, die wel over spraak beschikt. Dit is tevens het onderscheid tussen mens en dier in het algemeen. De film toont een pasgeborene met een aangeboren misvorming, een afsluiting van de achterzijde van de neus (choane), die normaal in open verbinding met de neuskeelholte staat (‘choanaalatresie’). Het kindje kan dus niet door de neus ademen. Het blijkt, wat een ouder kind wel zou doen, de mond niet te openen, omdat door bepaalde verhoudingen de mondademhaling nog niet regelmatig kan geschieden, slechts korte tijd bij huilen of schreeuwen. Zo'n kind kan ook niet zuigen. Voedsel moet kunstmatig in de mond of zelfs in de slokdarm gebracht worden. Doordat echter soms door de zeer sterke inspiratorische aanzuiging de onderlip over de nog tandeloze onderkaak getrokken wordt, kan er een kleine opening komen, waardoor het kind krapaan in het leven kan blijven. Zonder hulp (door doorboring van de afsluiting) gaan
deze kinderen veelal te gronde. Voor een spraak meer dan een enkele klank is mondademhaling nodig, omdat alleen hierdoor een behoorlijk volumen lucht vlug kan binnenkomen. Bij het spreken immers is een belangrijk groter volumen lucht met een vluggere inademing nodig dan voor rustademhaling. Het zeer jonge kind kan daarom niet ‘vloeiend’ spreken.
Voor de communicatie met de medemensen evenals voor die met huisdieren wordt vooral geluid gebruikt. (Men denke aan de klopgeluiden in de bezettingstijd!) Bij mens en dier speelt overigens geluid voortgebracht door ademdruk de hoofdrol, waardoor lucht langs een door spierfunctie van de stemplooien vernauwde plaats in het strottenhoofd geperst wordt. Er ontstaat een klankmengsel, dat men het basisgeluidmengsel voor de spreekstem kan noemen. Dit basisgeluid kan men op twee manieren demonstreren: a. om bij bepaalde aandoeningen van het strottenhoofd het leven te kunnen redden, is het soms nodig, het hele orgaan weg te nemen, hetgeen in plaatselijke gevoelloosheid kan gebeuren. Als tijdens de operatie het strottenhoofd reeds van het aanzetstuk afgesneden, doch de wond nog open is, kan men de patient vragen, vocalen voort te brengen. Het blijkt dat dan alle vocalen nagenoeg gelijk klinken: men hoort telkens een slechts weinig gemodificeert basisgeluid, dat nu niet door het aanzetstuk met versterking van bepaalde resonanties en onderdrukking van andere tot de geïntendeerde vocaal kan worden. b. Ook zonder operatie kan men hetzelfde laten horen als men de stemplooien niet met een keelspiegel bekijkt, doch door een buis, die men zo dicht mogelijk erbij plaatst, zodat nagenoeg niets van de het stem-basisgeluid dragende lucht in het aanzetstuk kan komen.
II. Een al wat oude gramofoonplaat geeft dit nog wel voldoende duidelijk weer.
III. In de omgang met huisdieren maakt men behalve van de gewone spraak soms gebruik van ‘kliksen’, duits ‘Schnalze’ (b.v. koetsiers, volgens Duyvendak ook Chinezen met muildieren enz.). Deze geluiden komen voor in de normale spraak van sommige Zuidafrikaanse talen. Demonstratie van een door een zendelingsdochter besproken plaat, weergevende Pondo-taal uit de kaapkolonie.
IV. Het bleek, dat, kinderen, die al hebben leren spreken, als door een of andere aandoening hun strottenhoofd niet meer bruikbaar is, spontaan zich weten te redden door te spreken met vocaalachtige klanken,
die men pseudo-‘kliks’ zou kunnen noemen, ontstaan door zeer krachtige articulatie van de medeklinkers. Door het bewegen van de in de mond aanwezige lucht ontstaat een basisgeluid dat tot vocaalachtige klanken wordt (‘Mitschleppen des Vokals durch den Konsonanten’ volgens de Oostenrijkse phoneticus Stern). Een patient, die als klein kind deze spraak beoefende, doch zich nu wel weer van gewone spraak kan bedienen, was zoo vriendelijk dit op de bijeenkomst te willen demonstreren. Van Ginneken meende, omdat kinderen dit wel, volwassenen echter niet spontaan doen, dat kliksspraak misschien een zeer primitieve spraak zou zijn. Als het strottenhoofd geheel of gedeeltelijk is weggenomen, of door een of andere oorzaak voor het voortbrengen van het basisgeluid niet meer gebruikt kan worden, zijn er behalve de klikspraak nog enkele mogelijkheden.
V. Sedert ongeveer 1890 kent men de ‘slokdarmspraak’ als het strottenhoofd weg of onbruikbaar is. De patient moet ademen door een opening die aan de hals in zijn luchtpijp is gemaakt. Spraak werd dan vroeger mogelijk gemaakt doordat men aan een buis, die via de gemaakte opening in de luchtpijp was gebracht, een of andere fluitmechaniek verbond en het dan door de uitademingslucht veroorzaakte geluid als ‘basisgeluid’ door de neus achter in het aanzetstuk bracht. Dit had allerlei bezwaren en het was stellig een vooruitgang, toen men tot de ‘slokdarmspraak’ kwam. De op de in het begin besproken wijze in de slokdarm gebrachte lucht kan door het uitdrijvingsmechanisme van de tweede phase van de boer, langs een door bizondere spierfunctie gemaakte vernauwing van het bovenste deel van de slokdarm of van de pharynx, het basisgeluid-mengsel maken, dat in het aanzetstuk gekomen, weer tot spraakklank kan worden. Demonstratie van een, van een patient, die geen strottenhoofd meer heeft, opgenomen geluidsfilm. Hij kan zelfs ‘Piet Hein’ zingen. Het eigenaardige dialectische karakter van enkele vocalen is ook bij deze manier van spreken behouden. Immers dit is het gevolg van de modificatie van het basisgeluid in het aanzetstuk, waaraan niets veranderd behoeft te zijn.
VI. Ten slotte werd ook met geluidsfilm gedemonstreerd een spraak zonder bruikbaar strottenhoofd, die spreker eerst voor enkele jaren waar kon nemen. De patient had, als spelletje met zijn broer in zijn jeugd, deze door hem ‘kikkerspraak’ genoemde manier van spreken beoefend en had dan, toen zijn strottenhoofd ondoorgankelijk was geworden, profijt hiervan. Hierbij wordt de aandrijvende lucht verzameld
in een ruimte, gemaakt tuschen wang en bovenkaak. Ze wordt door spierfunctie van de kaakmusculatuur uitgedreven langs een nauwe plek, ontstaan door een slijmvliesplooi in het wangslijmvlies. Ook deze patient kan zingen: ‘God save the king’. Deze spraak werd ‘parabuccaal’ genoemd. Het bleek, dat enkele mensen het hierbij behorende basisgeluid wel kunnen produceren, doch slechts zeer weinigen geleerd hebben, deze manier van spreken geheel te beheersen. Doordat zij minder makkelijk aangeleerd kan worden - bovendien de toestand van het gebit er een grote rol bij speelt - is zij (voorlopig althans) in de phoniatrie minder van betekenis dan de slokdarmspraak, die vrijwel ieder wel kan leren, al blijft het ‘pseudokliksen’, dat echter de normale spraak minder nabijkomt, het meest eenvoudige vervangmiddel. Ten slotte wordt uit Amerikaanse serieuze phonetische literatuur een afbeelding getoond van een boer die een kikker in zijn mond het basisgeluidmengsel wist te laten voortbrengen: ‘the talking frog.’