Geboren te Solwerd uit een bekende Groningsche familie ontving D. Bonthuis Tonkes zijn schoolopleiding te Enschede, waar hij de H.B.S. bezocht.
Daarna ging hij, onder invloed van zijn omgeving, over naar de aldaar gevestigde Textielschool maar, inziende dat zijn ambitie meer lag op machine-technisch gebied, liet hij zich inschrijven aan de Technische Hochschule te Zwickau.
Hier behaalde hij in 1902 het ingenieurs-diploma.
Na deze voleindigde studie deed hij een reis naar Amerika, en werkte hij een jaar op de Solwayfabrieken te Detroit.
Nog altijd had hij zijn rechte bestemming niet gevonden, tot hij in aanraking kwam met de heer J. Brons, die een klein fabriekje in Farmsum (gemeente Delfzijl) exploiteerde.
In dit fabriekje werd - naast reparatiewerk - ook een ruw-oliemotor van eigen vinding gefabriceerd.
Eerst per correspondentie, en daarna na zijn terugkeer uit Amerika door persoonlijk contact met de uitvinder en diens werk in aanraking gekomen, groeide zijn belangstelling voor deze motor en zijn maker, van welke beide Tonkes een zeer gunstige indruk kreeg, die gaandeweg tot enthousiasme groeide.
Een korte speciale studie op motorengebied gaf hem de overtuiging dat de nieuwe ruw-olie motor toekomst had.
Toen nam hij het aanbod tot samenwerking aan en enthousiast als hij was, gaf hij zich direct geheel aan het nieuwe plan, en dit niet alleen in woorden, maar vooral ook in daden.
Een nieuwe Naamlooze Vennootschap werd opgericht, waarin Tonkes een zeer beduidend kapitaal stak, daarmede zijn vertrouwen in de toekomst van de nieuwe motor en de zaak bewijzende.
Het bleek later hoe goed hij dit had gezien, want de Appingedammer Bronsmotorenfabriek te Appingedam, wier product thans over de gehele wereld vermaard is, is een grote, bloeiende instelling geworden. Maar toen was het een waag, en als Tonkes de stoot er niet aan gegeven had door zijn geld, vertrouwen en werklust er aan te schenken dan zou het de vraag zijn geweest, of de onderneming van de heer Brons wel die vlucht zou hebben genomen, die zij verdiende.
Voor Appingedam was de motorenfabriek een begin van opbloei. Tonkes heeft zijn geboorteplaats een onschatbare dienst bewezen.
Vol werklust en enthousiasme vatte hij zijn betrekking als mede-Directeur der Vennootschap op.
De toekomst lachte hem toe, en die toekomst werd nog schoner, toen hij zich in Mei 1908 verloofde met Mej. Tjalie Cornelia Jacoba Doorenbos, die meer dan 30 jaar zijn trouwe levensgezellin en grote steun is geweest.
Helaas wreed werd dit alles verstoord toen er in het zelfde jaar een ziekte optrad, die hem op medisch advies dwong zijn werk tijdelijk op te geven, om in Davos herstel van gezondheid te zoeken.
Noch de Zwitserse kuur, noch latere reizen naar Corsika en Egypte hebben hem het vurig verlangde herstel gebracht en toen de eerste wereldoorlog uitbrak, was men gedwongen in eigen land te blijven.
Dit bleek geen ramp, want een verblijf in Appingedam bracht geen verslechtering, integendeel.
De ziekte kwam tot staan, maar hij moest zeer voorzichtig leven. Het gewone werk was hem verboden, wel bleef het vanaf zijn zieken rustbed zijn belangstelling houden. In 1927 bedankte hij als Directeur en werd hij tot Commissaris benoemd.
Inmiddels had zijn levendige en bewegelijke geest ander werk gezocht, dat geen lichamelijke inspanning kostte, en dat steeds meer zijn liefde werd, n.l. de geschiedenis en ook de topografie van zijn geboorteplaats.
Van het resultaat van zijn nasporingen en onderzoekingen deed hij dan mededeling in het plaatselijk blad om op deze wijze ook op anderen zijn liefde en belangstelling over te brengen, terwijl hij tevens in schriftelijk contact stond met anderen, wier belangstelling diezelfde kant uitging, o.a. de oude Appingedammer Prof. Mr. A. de Blécourt, welke laatste aan de vrucht dier nasporingen meer dan eens volle aandacht schonk.
Gezien deze belangstelling baart het geen verwondering dat hij een der initiatiefnemers en der Bestuursleden van het te Appingedam opgerichte Gewestelijk Historisch Museum is geweest.
Den eersten Mei 1943 is Tonkes na een vrij plotselinge felle inzinking heengegaan, betreurd door zeer velen.
Een geleerde was hij niet, en onder de rij van leden onzer Maatschappij heeft hij een zeer bescheiden plaats ingenomen (hij was zich daar zelf
van bewust) en evenmin kon men hem tot de kunstenaars in de gewone zin rekenen. Wel was hij een levenskunstenaar, door de wijze waarop hij ondanks zeer vele ontzegging, van zijn leven zoveel wist te maken.
A.T. Vos