terug  begin  verderprepost
[p. 88]

Diederik Ernst Bosselaar
(9 Januari 1889 - Utrecht - 26 September 1943)

Met enige aarzeling geef ik aan het verzoek van de M.v.L. gevolg een kort levensbericht van Dr Bosselaar te schrijven: ik ben mij immers wel bewust, dat het na zovele jaren moeilijk zal zijn voor diegenen, die hem niet gekend hebben, een zodanig beeld van de vroegere rector van het Leids Gymnasium te schetsen, dat zij bij het lezen van deze regels een enigszins scherp omlijnd beeld van hem voor hun oog zien verrijzen. Aan de andere kant echter zullen misschien de velen, die hem in zijn beste jaren hebben medegemaakt, toen zijn gestel nog niet door een ziekte ondermijnd werd, door dit levensbericht nog eens met hun gedachten bij deze in menig opzicht markante figuur vertoeven.

 

Zijn levensgang zij met enkele woorden vermeld.

Diederik Ernst Bosselaar werd op 9 Januari 1889 te Utrecht geboren, waar hij het Gymnasium bezocht en daarna Klassieke Letteren studeerde, welke studie hij in 1915 afsloot met een proefschrift, getiteld Quomodo Sallustius Historiam Belli Iugurthini conscripserit. Als leraar was hij werkzaam in Schiedam (van 1913 tot 1918) en Leiden (van 1918 tot 1921). Op 1 Juni 1921 nam hij, voor zover mij bekend, als jongste rector in den lande de leiding van het Gouds Gymnasium op zich. In 1927 volgde zijn benoeming tot rector van het Leids Gymnasium. De loop der omstandigheden deed hem besluiten deze functie in 1940 neer te leggen en het rectoraat van het Gymnasium te Utrecht te aanvaarden. Hier stierf hij in de leeftijd van 54 jaar op de 26ste September 1943.

Men ziet: een eervolle staat van dienst en, van het ambtelijk standpunt uit beschouwd, een geslaagd leven.

In zijn particulier leven greep het lot met wrede hand in. Zijn vrouw verloor hij jong en één van zijn beide zoons overleefde de Wereldoorlog niet. Dank zij een grote innerlijke kracht en onvermoeide werklust wist hij deze slagen, voor zover dit mogelijk is, te boven te komen.

Van zijn hand verscheen een gecommentarieerde schooleditie van Ovidius' Metamorphosen, een boek, dat ook nu nog alom in gebruik is. In zijn latere jaren verdiepte hij zich bij voorkeur in de Hebreeuwse tekst van het Oude-Testament.

 

Bosselaar was niet een man, die gaarne op de voorgrond trad. Een

[p. 89]

misschien wel eens te grote bescheidenheid was oorzaak, dat de buitenwereld niet zo heel veel van hem merkte. Zelfs was hij ietwat verlegen, wat bleek, wanneer hij in het openbaar het woord moest voeren. Neen, een orator was hij dan niet: het spreken ging hem niet zo gemakkelijk af. Maar wat de vorm ontbeerde, werd ruimschoots vergoed door wát hij zeide: daarin herkende men de mens Bosselaar, hartelijk, belangstellend, deelnemend, soms snedig en gevat.

Hij was niet een man, die zijn omgeving domineerde door machtige gestalte of doordringende blik. Hij was veeleer middelmatig van postuur, zeker niet imposant; zijn gezicht was beweeglijk met een kleine tic bij zijn mondhoek, zijn haar was enigszins stug en in zijn ogen flikkerde soms een ondeugende tinteling van ingehouden pret. Mag men het de schilder, die zijn portret maakte, dat nu in de docentenkamer van het Leids Gymnasium hangt, euvel duiden, dat dit werk slechts ge deeltelijk geslaagd is? Ik geloof van niet: zulk een gelaat immers laat zich in één enkel beeld nooit vangen. Slechts momentopnamen zijn hier mogelijk. Zelf ben ik in het bezit van een foto, genomen in zijn Utrechtse tijd. De lezer moet weten, dat Bosselaar er zich angstvallig voor hoedde door leerlingen gefotografeerd te worden. Maar twee Utrechtse Gymnasiasten wisten, zo wordt verteld, hem toch te verschalken. Zij lieten beiden zich uit een les verwijderen en moesten zich dus bij de rector gaan vervoegen. Na door de claviger te zijn aangediend traden zij de rectorskamer binnen en juist op het moment van binnenkomen, wanneer Bosselaar in zijn karakteristieke houding achter zijn bureau is gezeten, de armen vóór zich op het blad, de handen losjes ineengevouwen, het hoofd vragend omhoog geheven met iets spottends in zijn ogen, drukte één der ‘boosdoeners’ af. Bosselaar moet er naderhand smakelijk om gelachen hebben, want een goede grap wist hij te waarderen.

De eigenschappen, die hem tot een zoals ik zeide markante figuur stempelden, vielen voornamelijk hen op, die hem dagelijks bezig zagen op het terrein, waar die eigenschappen zich vrij konden ontplooien, ik bedoel in de school, als docent en als rector.

Zijn manier van doceren was brilliant. Als jong leraar woonde ik menigmaal zijn lessen bij. Opvallend was de ongedwongen en gezellige sfeer, die er heerste. Zijn interpretatie van een tekst was nauwkeurig en grondig. De juiste vertalingen werden niet ex cathedra gedicteerd maar gezamenlijk met de leerlingen gevonden. De gehele klas werd

[p. 90]

bij het werk betrokken door middel van een voortdurend ‘vraag en antwoordspel’. Kwinkslagen, toespelingen op al of niet goede eigenschappen van deze of gene leerling waren niet van de lucht. Kleingeestigheid lag hem verre: wanneer een leerling eens weinig of niets gewerkt had, stond Bosselaar niet dadelijk klaar om dit met een onvoldoende aantekening te honoreren. Zijn omgang met de leerlingen was een merkwaardig mengsel van wat ik zou kunnen noemen jongensachtigheid én afstandbewaren. En iedere leerling voelde dit intuïtief aan. Hij verdroeg veel en strafte weinig, maar deinsde een enkele maal, indien de algemene school-orde dit eiste, voor de uiterste consequentie niet terug. Hij was sportief in de goede zin van het woord. Geen wonder, dat hij bij de leerlingen geliefd en gezien was en menigeen na het verlaten der school nog contact met hem hield, hetzij schriftelijk hetzij persoonlijk. Ik weet, dat deze bewijzen van vriendschap hem veel goed deden, vooral toen hij ziek was.

Als rector behartigde hij de belangen van zijn Gymnasium naar buiten en naar binnen. Het is voor een groot gedeelte aan zijn onverflauwde inspanningen te danken, dat het tegenwoordige Gymnasium gehuisvest is in het riante gebouw aan de Fruinlaan. Terecht zeide één der Curatoren bij de inwijding van het nieuwe gebouw in een hartelijke toespraak tot de aanwezigen: ‘Dit is zíjn dag!’ In de school was hij de alom tegenwoordige. Op de meest onverwachte ogenblikken en plaatsen dook hij plotseling op, keek even, greep in waar dit nodig was en verdween weer even snel als hij gekomen was. Er gebeurde weinig, wat aan zijn aandacht ontsnapte. Het overwicht, dat hij op de leerlingen had, grensde soms aan het ongelooflijke. Ik zelf maakte eens een staaltje hiervan mede, dat te merkwaardig is om niet vermeld te worden. In een bepaalde klas was tijdens een les met propjes gegooid. Natuurlijk was de dader onvindbaar: in zulke zaken is een klas solidair. Het hinderde hem, dat hij de dader(s) niet kon vinden. Maar al wat hij probeerde, was en bleef vruchteloos. Toen ik in die klas les gaf, kwam hij binnen en stelde weer alles in het werk om de boosdoener(s) te ontdekken. Hoe listig echter zijn vragen ook gesteld waren, de klas liep er niet in. Het was hem aan te zien, dat het gehele geval hem in hoge mate ergerde. Tenslotte liep hij naar de deur, draaide zich plotseling om en zeide zo gewoon weg: ‘Wie van jullie nu met die propjes gegooid heeft en er nu nog in zijn bezit heeft, moet ze maar in mijn handen leggen’; en met opgehouden handen begon hij de banken langs te lopen. En het

[p. 91]

ongelooflijke gebeurde: de schuldigen deponeerden hun propjes in zijn handen en waren na zijn vertrek even beduusd als de rest van de klas en ik zelf.

Zijn houding tegenover ons, docenten, was ongedwongen en kameraadschappelijk zonder te gemeenzaam te worden. Ook hier wist hij onbewust afstand te bewaren. Maar hij leefde met ieder van ons hartelijk mede en was vol belangstelling.

Hem een lerarenvergadering te zien presideren was een genoegen. Zelden heb ik iemand ontmoet, die zo snel en zo scherp de verschillende stemmingen aanvoelde en dan, wanneer hij b.v. een voorstel had gedaan, dat aanleiding werd tot soms langdurige discussie en verschil van mening, op een gegeven ogenblik die formulering wist te vinden, die iedereen eigenlijk tevreden stelde, en nochtans de kern van zijn eigen voorstel handhaafde. Deze kunst en, ik durf wel zeggen, deze ‘flair’ om de middenweg te vinden was een bijzondere gave van Bosselaar, die hem grote diensten bewees gedurende de moeilijke jaren in Utrecht tijdens de bezetting. Maar zij had haar gevaren: hij kwam wel eens in pijnlijke en moeilijke situaties, waaruit hij zich niet dan met moeite wist te redden.

Hij stelde er geen eer in aankomende docenten naar eigen model te ‘vormen’. Ieder kon zich naar eigen aard en aanleg ontwikkelen. Maar altijd voelden zij, dat Bosselaar de teugels stevig in handen hield. Hij hielp en gaf raad uit eigen rijke ervaring, wanneer hij dit nodig oordeelde of de leraar er hem om vroeg, maar mengde zich zelden in hun werken met de klassen. Een enkele maal woonde hij wel eens een les bij en gaf dan naar aanleiding daarvan een opbouwende kritiek. Fouten verbeterde hij op nimmer stuitende en soms geestige wijze. Ik herinner mij nog goed, hoe ik eens in een van mijn eerste jaren een leerling uit een klas meende te moeten verwijderen; tot verbazing van mijzelf gelukte dit zonder verdere incidenten. Na afloop van de les ging ik mijn heldenfeit aan de rector melden, inwendig toch eigenlijk wel een beetje trots, dat dit zo vlot en gemakkelijk was gegaan. In de gang kwam hij mij tegen en zeide zo in het voorbijgaan met lichtjes van pleizier in zijn ogen: ‘Zeg, amice! Als je er weer een uitstuurt, neem dan altijd de goede’. Weg was mijn trots en het lesje heb ik ter harte genomen. De kwestie zelf, waarom het in dat geval ging, heeft hij nooit aangeroerd!

Ten slotte stel ik er prijs op te zeggen, dat ik het nog steeds als een

[p. 92]

voorrecht beschouw onder zijn leiding mijn eerste schreden op het leraarspad gezet te hebben.

 

De 30ste September hebben wij hem op Rijnhof naar zijn laatste rustplaats gebracht. Daar bleek nog eens opnieuw, in de harten van hoevelen, jongeren en ouderen, hij zich een plaats had veroverd. Want zeer groot was het aantal van hen, die daar een laatste groet brachten aan hun leraar, hun rector en hun vriend Bosselaar.

 

A.J. Koster

prepostterug  begin  verder