terug  begin  verderprepost
[p. 93]

Antonie Jacob Bothenius Brouwer
(Veendam, 1 November 1861 - Rotterdam, 6 Februari 1947)

Den zesden Februari 1947 overleed te Rotterdam Antonie Jacob Bothenius Brouwer, die in 1933-34 voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is geweest, nadat hij op 7 October 1932 tot plaatsvervangend bestuurslid was gekozen in de plaats van Dr L.J. Walch. In het verenigingsjaar 1934-35 had de heer Brouwer nog zitting in het bestuur.

Men zegt wel, en niet zonder reden, dat journalistiek en letterkunde vijandinnen zijn, maar in de persoon van den heer Bothenius Brouwer hebben zij zich dan toch voor een mensenleven verzoend. Een lang leven bovendien; Bothenius Brouwer werd 1 November 1861 te Veendam geboren, en is dus ruim 85 jaar oud geworden. Men kan wel zeggen, dat de overledene rondweg een vijfenvijftig jaar zowel de schone letteren als de journalistiek gediend heeft.

Na het Zwolse gymnasium afgelopen te hebben behaalde de jonge Brouwer de acte Frans M.O., waarna hij een semester de colleges van Eugène Rambert aan de Academie te Lausanne in Franse letterkunde volgde en vervolgens die van Prof. Stapper aan de Parijse Sorbonne. De voorliefde van den jongen man ging dus wel zeer bepaaldelijk naar de letteren uit. Hoe hij dan toch in de journalistiek belandde? Parijs bereidde zich voor op de grote wereldtentoonstelling van 1889 en Brouwer meende, zijn levensonderhoud te Parijs wel te kunnen bekostigen indien hij wat bijdragen voor Nederlandse bladen schreef. Hij had er succes mee, het Utrechts Dagblad, de Provinciale Zwolse, het Handelsblad en de Leeuwarder Courant accepteerden zijn pennevruchten, die levendig en goed gesteld waren en handelden over onderwerpen waar de algemene belangstelling naar uitging. Intussen behield hij contact met het letterkundig leven te Parijs en smaakte hij het genoegen tot lid te worden aangenomen van de Cercle Saint Simon, een litterair-historisch genootschap uit die dagen in de Franse hoofdstad. Hij genoot zeer van dat lidmaatschap, vooral van de lezingen die figuren als Loti, Tiersot, Vogué, zelve ook lid ervan, hielden. Geregeld schreef hij daarover naar zijn couranten en voorts publiceerde hij in no. 11 van de jaargang 1891 van De Gids een uitvoerig opstel over het door Victor Hugo nagelaten gedicht ‘Dieu’.

De Parijse wereldtentoonstelling was intussen achter den rug, maar

[p. 94]

Brouwer bleef als vast medewerker o.a. aan de Leeuwarder Courant verbonden, waarin hij zijn Parijsche Echo's publiceerde. Deze bijdragen verhoogden het peil van dit, thans ons oudste, blad (29 Juli bestaat het 200 jaar) ze vormden in feite de eerste buitenlandse correspondentie met een persoonlijk cachet in dat orgaan. Zo goed vielen ze in den smaak dat, toen in 1892 de leidende redacteur, Dr Coronel overleed, de directie Brouwer aanzocht om hem op te volgen. Hij aanvaardde zulks met ingang van 1 Januari 1893 en kreeg alras den, bij de Leeuwarder Courant tot dusver niet gebruikelijke, titel van hoofdredacteur. Met recht, want onder Brouwers leiding ontwikkelde zich dit, steeds nogal kleurloos gebleven, blad, dat sedert zijn geboorte in den meest strikten zin ‘journal d'information’ was geweest, tot een bijzonder levendig en fris orgaan. En niet alleen dat Brouwer zijn fraai gestyleerde artikelen over alle mogelijke onderwerpen in de Leeuwarder Courant schreef, hij oefende ook een stimulerenden en bevruchtenden invloed uit op het culturele leven van zijn woonplaats.

Zo richtte hij al heel gauw, in 1894, met Prof. Van Hamel uit Groningen, te Leeuwarden een afdeling van de Alliance Française op en in 1905 stichtte hij met Ds Niemeyer uit Bolsward de Ver. v. Vrijzinnig-Hervormden in Friesland, voor welke vereniging hij in 1908 een uitvoerige verhandeling over de inrichting van onze godsdienstoefeningen hield. Voorts bekleedde hij een aantal bestuurslidmaatschappen, gelijk dat in provinciesteden gebruikelijk is, was medeoprichter van de Industrie- en Huishoudschool en trad, als zeer gewild spreker, herhaalde malen op voor de destijds zeer bezochte ‘Populair Wetenschappelijke Lezingen’. Nimmer werd hij zijn oude liefde, de Franse letteren, ontrouw en de Leeuwarders, als alle bewoners van provinciesteden gauw met het geven van bijnamen, spraken al spoedig alleen nog van ‘Monsieur Brouèr’.

In 1899 huwde Bothenius Brouwer met Catharina Bloembergen, dochter van een Leeuwarder notabele. Hij behoorde toen tot de bepaald populaire figuren van de stad; zijn hoffelijkheid, zijn fijne, Franse, geest en zijn warme belangstelling in personen en zaken namen ieder voor hem in. Gans Friesland verslond zijn ‘buitenlandse overzichten’, vooral toen de Boerenoorlog de toch al emotionele Friezen in heftige beroering bracht en men in Brouwer een hartstochtelijk vertolker van de heersende verontwaardiging en van de vurige verering voor de heldhaftige Boeren vond. Zijn opvolgers, ook schrijver dezer regelen,

[p. 95]

hebben later nog wel moeten horen dat zij konden schrijven zo goed zij wilden ‘maar zoals Brouwer het in den Boerenoorlog deed ... nee, daar haalt niets bij!’

In 1910 aanvaardde Brouwer een benoeming tot directeur-hoofdredacteur van de Arnhemse Courant en thans was het de beurt van de Gelderse hoofdstad om van zijn journalistieke- en artistieke gaven te genieten. Had hij in 1902, bij het 150-jarig bestaan van de Leeuwarder Courant, een boekje geschreven over de geschiedenis van dat blad, in 1914, toen de Arnhemsche Courant haar eeuwfeest vierde, publiceerde hij een geschrift over de geschiedenis van wat toen Gelre's toonaangevend orgaan was. Voorts was Bothenius Brouwer o.a. voorzitter van de Arnhemsche Orkestvereniging en bestuurslid van de Volksuniversiteit.

Tijdens de oorlogsjaren schreef hij een reeks monografieën voor de uitgave ‘Neêrlands Welvaart’, waarvan hij de leiding had.

In 1922 werd Bothenius Brouwer benoemd tot hoofdredacteur van de toenmalige ‘Nieuwe Courant’ in Den Haag. Ook in de residentie nam hij ijverig deel aan het culturele leven en, natuurlijk!, was hij er bestuurslid van de Alliance Française. Op 65-jarigen leeftijd, in 1926, trok Brouwer zich terug uit de actieve journalistiek. Maar rust schonk hij zijn pen niet. Integendeel; hij had nu den tijd om zich geheel te wijden aan wat hem ongetwijfeld steeds het liefst was geweest - zijn historisch-litterairen arbeid. Was daarvan reeds een proeve verschenen in zijn, in 1928 door Thieme en Co. te Zutphen uitgegeven Drie afstammelingen van den Zwijger, uit zijn stille werkkamer te Wassenaar begonnen nu de Historische Figuren te voorschijn te komen, resultaten van brede en intelligente onderzoekingen op het gebied der geschiedenis. Ze verschenen in een aantal provinciale dagbladen, verenigd in de organisatie ‘De Locale Pers’, waarvan Brouwer secretaris-penningmeester bleef, en in 1941 bundelden Thieme en Co. er een aantal van. Het zal niemand verbazen, dat Brouwer begon bij Frankrijks nationale heldin en heilige, Jeanne d'Arc. Maar ook figuren van geheel andere geaardheid, zoals Frederik de Grote en Philips II vonden zijn belangstelling.

Brouwer, bij uitstek een érudiet en humanist, bracht steeds den menselijken kant naar voren en heeft, juist omdat hij meestal schreef voor het betrekkelijk eenvoudige publiek van de provinciale bladen, er krachtig toe bijgedragen om een dieper en beter begrip te vestigen dan het geijkte van de figuren welke hij behandelde. In dat opzicht

[p. 96]

heeft hij in ons nationale leven een functie vervuld, waarvan de betekenis niet onderschat mag worden. Tenslotte is hij zelf in zekeren zin een ‘historische figuur’ geworden. Nestor van de Nederlandse journalistiek, vertegenwoordigde hij er een geestesgesteldheid die allengs zeer zeldzaam werd. Voor de jongeren was hij een voorbeeld, dat helaas te zelden werd nagevolgd en waarvoor, in de omstandigheden waarin de dagbladwereld van thans moet werken, wellicht ook geen gelegenheid meer bestaat. Maar zij, die het voorrecht genieten, A.J. Bothenius Brouwer gekend te hebben, voelen zich daardoor in bijzondere mate verrijkt.

De verdiensten van den overledene zijn bij diverse gelegenheden erkend. Hij was Ridder in de Orde van Oranje Nassau, Ridder van het Legioen van Eer, Ridder van de Kroon van België, drager van het witte Mobilisatiekruis 1914-'18 en begiftigd met de grote zilveren medaille van het Franse ministerie van onderwijs.

 

J.W.J. Witsen Elias

Lijst van geschriften

1902De Leeuwarder Courant 1752 - 29 Juli - 1902, gedenkboek bij het 150-jarig bestaan van de Leeuwarder Courant.
1928Drie Afstammelingen van den Zwijger. Zutphen.
1941Historische Figuren. Zutphen.
1914-1934Monografieën in ‘Neêrlands Welvaart’, uitgave Bureau Industria Amsterdam.
Lindeteves-Stokvis Technische Exportmij.
Int. Crediet en Handelsver. Rotterdam.
Rotterdam-Canada Hypotheekbank.
Nederlandse Bank voor Zuid-Afrika.
Holland-Amerika Lijn.
Mij. tot exploitatie van Bruinkoolvelden ‘Carisborg’.
De Levensverzekeringsbank ‘Rotterdam’.
N.V. Hollandiafabrieken Kattenburg en Co.
Westersuiker Raffinaderij.
De Bas en Co.
De Nederlanden van 1845.
Mij. van Assurantie, Disconteering en Beleening der Stad Rotterdam Ao 1720.
N.V. Furness Scheepvaart- en Agenturenmij.
De Kon. Zeepfabrieken ‘De Duif’ voorheen Chr. Pleines.

prepostterug  begin  verder