Wie zich opmaakt een levensbericht op te stellen van Mr. Roelof Bylsma, Algemeen Rijksarchivaris, wien met ingang van 31 December 1945 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eervol ontslag uit 's Rijks dienst werd verleend, dient, ter juiste beoordeling van diens persoonlijkheid, zich wel voor ogen te houden, voor welke moeilijke omstandigheden deze functionaris zich gedurende de laatste jaren van zijn ambtsperiode gesteld zag. De oorlog en vooral de bezetting, die schier in alle geledingen van ons ambtelijk apparaat niet nagelaten heeft zijn invloed te doen gelden, heeft ook in het archivariaat zijn sporen achter gelaten. Een niet ingewijde zou allicht geneigd zijn dit beschouwend vak buiten de politieke invloeden te plaatsen. Niets bleek minder waar te zijn; de theorieën van bloed en bodem, waarmede de Sibbekunde, in de slechte betekenis van dit begrip, nauw verbonden was, zocht in het archiefwezen een uitgebreid arbeidsveld.
Bylsma heeft zich steeds op de hem eigen manier verzet tegen inmenging van de Duitse bezetters en vooral van hun Nederlandse handlangers en hij heeft de voldoening gehad het Rijksarchiefwezen nagenoeg ongeschonden uit de verwarring der oorlogsjaren aan zijn opvolger te kunnen overdragen. Dat dit alles echter op zijn laatste ambtsjaren een domper heeft gezet, behoeft wel geen betoog.
Hoe anders zal de jeugdige enthousiaste Bylsma, die in 1903 zijn intrede in het archiefwezen deed, zich het einde van zijn ambtelijke loopbaan hebben gedacht. Na zijn jeugd in Deventer en Middelburg te hebben doorgebracht - hij was in 1880 te Lochem geboren - ging hij aan de Universiteit te Utrecht in de rechten studeren, alwaar hij in 1903 op stellingen promoveerde. Een toevallige ontmoeting met Mr. Fruin, toen Rijksarchivaris in Zeeland, was aanleiding, dat hij kort na zijn afscheid van de Universiteit solliciteerde naar een betrekking bij het Gemeente-archief te Rotterdam. In Juni 1903 werd hij er als adj unctcommies werkzaam gesteld.
Het zal wel een vraag blijven of het archiefwezen bepaaldelijk aantrekkingskracht op Bylsma heeft gehad of dat hij slechts door een louter toeval in deze tak van dienst is gekomen. In zijn studententijd had hij blijk gegeven van litteraire begaafdheid, waarvan artikelen in de ‘Vox Studiosorum’ het bewijs leveren. Maar verder dan dit was het toch
niet gekomen. De archiefloopbaan, welke vaak gelegenheid schept tot historisch-litteraire arbeid, kan daarom voor hem aantrekkelijk zijn geweest en het komt mij voor, dat in dit licht bezien Bylsma's keuze, om deel uit te maken van de wetenschappelijke staf van het archief ener grote gemeente, begrijpelijk was. In Rotterdam, dat zijn vleugels in de jaren, dat Bylsma er werkte, meer en meer uitsloeg, bleek ook de belangstelling voor de geschiedenis der stad groeiende te zijn. Bylsma wist aan dit stijgend interesse te voldoen; hij heeft de geschiedkundige litteratuur over de stad weten te verrijken met tal van aangenaam leesbare artikelen vol wetenswaardigheden uit vroeger tijden. Zijn hoofdwerk in die jaren is wel geweest het uitstekende en ook typografisch zo goed verzorgde boek: ‘Rotterdams Welvaren’, dat door hem zelf, ook in latere jaren, steeds als zijn voornaamste werk is beschouwd.
Na gedurende dertien jaren te Rotterdam werkzaam te zijn geweest, in welke tijd hij in verschillend opzicht baanbrekend werk op het gebied van de inventarisatie van archieven verrichtte, trok zijn hart naar elders. De loopbaan bood hem op den duur geen vooruitzichten; hij wilde op hoger plan werkzaam zijn en toen er een vacature als hoofdcommies-chartermeester bij het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage kwam, wist hij die plaats te veroveren en zo kwam het, dat hij in 1916 van betrekking en woonplaats veranderde. Met schone herinneringen vertrok hij uit de stad aan de Maas, niet het minst, omdat hij daar op het Gemeente-archief zijn levensgezellin had leren kennen, die hem al de jaren van zijn gelukkige echt tot een ware steun is geweest.
Te 's-Gravenhage werd hij geplaatst bij een afdeling van het Algemeen Rijksarchief, die toen nog uitsluitend de Koloniale Archieven omvatte; later werd deze afdeling verenigd met die der Centrale Regeringsarchieven van vòòr 1795 en daardoor heeft hij in latere jaren zich ook met de archieven van de Staten-Generaal, de Raad van State e.a. kunnen bemoeien. Maar allereerst dus werd hem de ordening en inventarisering van archieven uit onze koloniën van Oost- en West-Indië opgedragen.
In die jaren was de leiding van het Algemeen Rijksarchief toevertrouwd aan Prof. Mr. R. Fruin, dezelfde, op wiens aandrang Bylsma in 1903 het archiefwezen als loopbaan had gekozen. Fruin had zich tot taak gesteld de aan zijn zorg toevertrouwde archieven allereerst voor het publiek toegankelijk te doen maken. Meer nog dan in Rotter-
dam stond ook daardoor bij Bylsma de inventariseringsarbeid op de voorgrond en hij heeft zich beijverd een groot aantal zeer bruikbare archiefinventarissen samen te stellen. Uit de aard der zaak liet deze arbeid weinig tijd over voor het publiceren van historische artikelen van enige omvang. Wel verschenen van zijn hand in verschillende tijdschriften lezenswaardige opstellen over allerlei onderwerpen, die bij de bewerking van de verschillende archieven zijn aandacht hadden getrokken. Een aardig succes heeft hij in diezelfde jaren weten te behalen, n.l. toen in een geschil over de souvereiniteit van Miangas, een klein eilandje in de Stille Zuidzee, het Permanente Hof van Arbitrage aan de hand van de door Bylsma verstrekte gegevens, uit oude archieven opgediept, een voor Nederland gunstige beslissing nam. Hoewel het eilandje slechts een speldeprik op de wereldkaart beduidt, is het feit toch zeker de vermelding waard, omdat Bylsma er mede aantoonde, dat actuele kwesties aan de hand van zeer oude archiefstukken tot een bevredigende oplossing gebracht kunnen worden.
Toen de reorganisatie van het Algemeen Rijksarchief, waarover hierboven gesproken is, haar beslag had gekregen en hij dus ook de zorg der Centrale Regeringsarchieven uit de tijd der Republiek aan zijn zorgen zag toevertrouwd, heeft Bylsma, vooral sedert 1922, toen hij als Rijksarchivaris en hoofd der nieuw geformeerde eerste afdeling van het Algemeen Rijksarchief optrad, zich intensief bezig gehouden met de bestudering van de ontwikkeling van de Staten-Generaal in de eerste jaren van zijn ontstaan in 1576. Hiervan getuigen verschillende inventarissen; in dit verband kan genoemd worden: de inventaris van de Regeringsarchieven der Geünieerde en Nader Geünieerde Nederlandsche Provinciën, 1576-1588, die, voorzien van talrijke inleidingen, een waardevolle uiteenzetting geeft van dat ingewikkelde en belangrijke tijdperk onzer Vaderlandsche Geschiedenis.
In 1933 werd Bylsma geroepen tot het hoogste ambt in het Archiefwezen; hij werd met ingang van de 1ste Januari van genoemd jaar als opvolger van Prof. Mr. Fruin benoemd tot Algemeen Rijksarchivaris. Met recht kon hij toen vol trots gewagen de opvolger te zijn van mannen als Van Wijn, Bakhuizen van den Brink en Fruin, hoewel hij nimmer de opvattingen, welke laatstgenoemde van de taak van het archiefwezen en zijn ambtenaren had, ten volle heeft kunnen onderschrijven.
De vele beslommeringen, welke het ambt van Algemeen Rijksar-
chivaris met zich brengt, hebben hem belet van toen af veel aan scheppende arbeid op inventarisatie-gebied te doen. Ook in andere opzichten heeft zijn grote werkzaamheid ingeboet. Een der oorzaken hiervan is, ongetwijfeld geweest het verlies van zijn echtgenote, waardoor hem veel steun kwam te ontvallen. Bylsma had enkele intieme vrienden, die echter alle buiten het archiefwezen stonden en het is duidelijk, dat hij bij het oplossen van archiefproblemen vaak de hulp van zijn vrouw inriep, die, ook al door haar arbeid aan het gemeente-archief van Rotterdam, waar zij destijds werkzaam was geweest, tot oordelen bevoegd was. Na een smartelijk lijden, dat een diepe indruk op de gevoelige ziel van Bylsma had gemaakt, ontviel hem zijn trouwe echtgenote, zijn toeverlaat bij vele moeilijkheden.
Bylsma trachtte zijn geest af te leiden. Een toeval bracht hem in aanraking met de oudste geschiedenis van Wassenaar en hij heeft, zich daarin verdiepende, vele belangrijke gegevens bijeengebracht, die hij in lezingen te Wassenaar, later ook te 's-Gravenhage, Leiden en elders, aan een geboeid gehoor wereldkundig heeft gemaakt. Het in 1930 aangekochte familie-archief Fagel was eveneens een bron, waaruit hij vele bijzonderheden over leden van dit geslacht, die vele belangrijke posten in de Republiek bekleedden, wist te putten. Ook andere tijdvakken onzer geschiedenis hadden zijn belangstelling, maar helaas zijn de door hem verzamelde gegevens niet meer in gedrukte vorm voor ons bewaard gebleven.
Midden 1946 had Bylsma gevolg gegeven aan een reeds lang door hem gekoesterde wens, nl. om zich in Vaassen, welk vredig Veluws dorp hem tijdens zijn bezoeken aan de hulp-archiefbewaarplaats in de ‘Cannenburgh’ vertrouwd was geworden, te vestigen. De rust daar en later te Apeldoorn, waar hij zich op advies van zijn dokter had gevestigd, zijn voor Bylsma met zijn buitengewoon actieve geest een beproeving geweest. Geheel onverwachts overleed hij daar de 28e Januari 1947.
Bylsma was een chef, die medeleefde met zijn ambtenaren, die steeds, als het nodig was, op zijn hulp konden rekenen. De nagedachtenis aan een dikwijls niet begrepen, maar vriendelijk en humaan mens zal bij allen, die hem gekend hebben, in ere blijven.
D.P.M. Graswinckel
Van de hand van Mr. R. Bylsma verschenen:
| 1909 | Inventarissen van de archieven der opgeheven gemeenten Delfshaven, Kralingen, Charlois en Katendrecht. |
| 1918 | Rotterdams Welvaren, 1550-1650. Rotterdam. |
| 1926 | De Regeringsarchieven der Geunieerde en der Nader Geunieerde Nederlandsche Provinciën, 1576 Sept.-1588 Mei. |
| 1916-1927 | Inventarissen van colleges of ambtenaren in Suriname, Curaçao, St. Eustatius, St. Martin en Saba, in: Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven, in de jaren 1916-1927. |
| 1926 | De Archieven van de Compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603, in: Verslagen enz. |
Voorts ongeveer tachtig artikelen van geschiedkundige en genealogische aard, verschenen in: het Nederlandsch Archievenblad (1924-1928, 1930-1933, 1938), Rotterdamsch Jaarboek (1910-1917), Maandblad ‘De Nederlandsche Leeuw’ (1930, 1933, 1935, 1938), West-Indische Gids (1919-1922), Wapenheraut (1913-1916), en in andere tijdschriften.