Tijdens de gevechten nabij Nijmegen in het winterhalfjaar 1944-1945 hadden mijn vrouw en ik met een paar anderen een gastvrij onderdak gevonden in het huis aan de Rijksstraatweg 47 te Ubbergen, waar Maria Hüffer met haar twee zusters woonde. Het was het laatste huis, van de stad af gerekend, dat niet door evacuatie was ontruimd. De Duitse mortieren stonden zowel noordwaarts als naar het oosten op een afstand van slechts 3 km opgesteld. Dag en nacht vlogen projectielen hoog boven ons dak over en weer. Aan dit maandenlange artillerieduel scheen geen einde te komen. Telkens dreunde het huis van de passerende zware tanks en ander vervaarlijk oorlogstuig. Soms zagen wij granaten in de nabijheid inslaan of kwam een bom gierend naar beneden.
Het was in deze sfeer, dat wij avond op avond - vaak bij het spaarzame licht van petroleumlamp of kaars - rondom een grote tafel gezeten waren. Maria Hüffer werkte dan aan het persklaar maken van haar Bronnen voor de Geschiedenis van de abdij van Rijnsburg. Zij was hieraan bezig met een regelmaat en een overgave, welke bewonderenswaardig waren. Dit trekje typeert haar grote trouw aan het studieobject, dat haar leven zozeer heeft gevuld. Haar zin voor het vastleggen van feiten en gebeurtenissen uitte zich ook toen door het aanleggen van een dagboek. Zij heeft dit nauwgezet bijgehouden met een boeiende climax, uitlopend op de dag van 's Lands algehele bevrijding.
Het eerste schoolonderwijs had zij genoten op de Mariaschool te Haarlem. Daarna is zij gedurende enkele jaren leerlinge geweest van de zusters Ursulinen op een kostschool te Boppard. Zij gevoelde zich aangetrokken tot het onderwijs. Te Münster in Westfalen, uit welke stad haar familie stamde, heeft zij met goed gevolg het examen voor onderwijzeres afgelegd en behaalde zij tevens de akten Frans en Engels. Uit deze periode van haar leven zijn haar steeds bijzonder bijgebleven de lessen van prof. Bautz. Deze wist haar voorliefde voor de geschiedenis zo aan te moedigen, dat zij later daarover steeds met grote waardering heeft gesproken.
Uit verlangen om onderwijs te geven aan kinderen uit behoeftige gezinnen is zij toen, uit Duitsland teruggekeerd, zich ook gaan bekwamen voor de Nederlandse akte als onderwijzeres. In de zogenaamde
armenschool van ‘Sacré Coeur’, welke destijds te Nijmegen bestond, werd haar de zo begeerde gelegenheid geboden om haar roeping te volgen. Een toenemende doofheid was echter oorzaak, dat deze werkzaamheid niet van lange duur heeft mogen zijn.
Van huis uit had zij de liefde voor de historie meegekregen. Deze had zij vermoedelijk geërfd van vaders- zowel als van moederszijde, van de families Hüffer en Wilde. Toen zij het onderwijs vaarwel moest zeggen, is zij gaarne ingegaan op het voorstel van haar moeder om zich te gaan toeleggen op een of andere studie. Reeds als elfjarig kind was haar belangstelling gewekt door een verhaal uit Van Lennep's De Roos van Dekama, dat Mevrouw Hüffer-Wilde aan haar kinderen had voorgelezen. Daarin wordt van Madsy Dekatria gezegd: ‘zij zat te paard als een Rijnsburgsche non’.
Deze passage was in haar jeugdige fantasie zó blijven nawerken, dat Maria Hüffer zich thans voornam zich te gaan verdiepen in de geschiedenis van deze kloostervrouwen. Zij nam de litteratuur door en vooral het werk, dat Dr. G. Schotel daarover omstreeks het midden der vorige eeuw had geschreven. Van lieverlede ging zij dieper delven. De eerste aanraking met de oude archiefstukken - het waren Middeleeuwse rekeningen van Rijnsburg, welke het Algemeen Rijksarchief te haren behoeve naar het gemeentearchief van Nijmegen had gezonden - maakte haar wel duidelijk, dat zij zich eerst ter dege had voor te bereiden.
Haar doofheid was echter voor haar een beletsel om lessen of colleges te volgen, zodat zij op zelfstudie was aangewezen. Met haar groot concentratievermogen en intellectuele begaafdheid wist zij zich allengs de nodige kennis van het latijn, het middelnederlands, de paleografie, de diplomatiek, de chronologie, de bronnencritiek, de historische combinatie e.d. eigen te maken. In 1919 debuteerde zij met een kleine bijdrage over Oude oorkonden en liturgische jaarkring, welke de aandacht trok van Pater Bonaventura Kruitwagen O.F.M. Deze leerde haar kennen en heeft haar sindsdien met zijn grote ervaring en kennis bijgestaan. De eerste proeve van haar critische aanleg en historische objectiviteit was het boek De adellijke vrouwenabdij van Rijnsburg 1133-1574, dat in 1922 van de pers kwam met een inleiding van Pater Kruitwagen. Het was de neerslag van een acht jaren lange energieke arbeid.
Deze bewerking dwong zoveel respect af, dat haar twee jaren later vanwege de toenmalige Commissie voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën de opdracht gewerd om een uitgave van de Rijnsburgse ge-
schiedbronnen voor te bereiden. Aan deze opdracht heeft zij haar beste krachten gegeven. Toen evenwel het werk reeds gedeeltelijk persklaar was, moest ‘wegens de ongelukkige staat van 's lands financiën’ van het drukken worden afgezien. Intussen had Maria Hüffer in 1923 het lidmaatschap van onze Maatschappij verworven. Haar talrijke reizen in Italië, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland wist zij vaak dienstbaar te maken aan haar navorsingen. Vele archiefverzamelingen en bibliotheken in het buitenland heeft zij bezocht. Ook in Rijnsburg kwam zij gaarne om van uitkomsten van het oudheidkundig onderzoek ter plaatse kennis te nemen.
Na verloop van jaren was de mogelijkheid om de Rijnsburgse bronnen in druk uit te geven weder geopend. Met hernieuwde ijver heeft zij zich toen gezet aan het voltooien van haar levenswerk, dat thans vergemakkelijkt werd door de in 1933 verschenen inventaris van het archief van Rijnsburg, samengesteld door de Heer J. Bruggeman. Dat omvangrijke werk was tot een goed einde gebracht toen een slopende kwaal haar lichaamskrachten ondermijnde. Maria Hüffer is gestorven 30 Augustus 1951, het jaar waarin de delen 31 en 32 van de kleine serie der Rijks Geschiedkundige Publicatiën het licht zagen.
Zij is in haar leven gestuwd door een diep geloof. Zij was een biddende ziel. Met een kinderlijk en blij gemoed paarde zij een natuurlijke eenvoud en goedheid aan een groot plichtsgevoel en ook aan een zin voor humor. Haar voor velen verborgen strenge levenswijze uitte zich naar buiten door een stipte dagorde. Zij is lid geweest van de Derde Orde van Sint Franciscus van Assisië. Op haar doodsprentje liet Maria Hüffer afdrukken de verzuchting van de H. Clara: ‘Mijn God, ik dank U, dat Gij mij hebt geschapen’.
H.J.J. Scholtens
| 1919 | Oude oorkonden en liturgische jaarkring. De Katholiek, deel 155, blz. 224-227. |
| 1922 | De adellijke vrouwenabdij van Rijnsburg 1133-1574. Nijmegen. |
| 1922 | Algemeen overzicht van de beteekenis van de abdij van Rijnsburg op geestelijk en wereldlijk gebied. De Katholiek, deel 162, blz. 273-288. |
| 1923 | De Saksische abdij Stötterlingenburg, stamklooster van de abdij van Rijnsburg. De Katholiek, deel 164, blz. 375-391. |
| 1926 | Middeleeuwsche jaarstijlen in Nederland. Hist. Tijdschrift, V, blz. 65-75. |
| 1926 | De jaarstijl van de abdij van Rijnsburg. Hist. Tijdschrift, V, blz. 240-258. |
| 1926 | Sint Adelbert van Egmond, apostel van Kennemerland. Oosterhout. |
| 1928 | Opgave van een onderzoek naar bronnen betreffende de geschiedenis van de abdij van Rijnsburg. Ned. Archievenblad, XXXV, blz. 127-138. |
| 1928 | De jaarstijl der abdijen van Egmond en Rijnsburg. Studia Catholica, IV, blz. 216-228. |
| 1933 | De abdij van Rijnsburg en haar betrekkingen tot andere kloosters. Hist. Tijdschrift, XII, blz. 257-270, 362-390. |
| 1934 | De inkomsten van de abdij van Rijnsburg na haar verwoesting. Hist. Tijdschrift, XIII, blz. 332-335. |
| 1937 | Die Reformen in der Abtei Rijnsburg im 15 Jahrhundert. Münster i.W. XXI en 198 blz. |
| 1938 | Iets over de ‘vier maarschalken’ en hunne vereering, voornamelijk in het oude bisdom Utrecht. Studiën, CXXX, blz. 439-448, 498-505. |
| 1939 | De abdij van Egmond, een centrum ter voortzetting van Sint Willibrord's werk. Studiën CXXXII, blz. 327-339. |
| 1941 | De Eenhoorn. Studiën, CXXXV, blz. 57-65, 126-133. |
| 1951. | Bronnen voor de geschiedenis der abdij Rijnsburg, 1e deel (delen 31 en 32 van de kleine serie der Rijks Geschiedkundige Publicatiën). |