Arend Willem Mauritz Odé werd op 3 Juni 1887 te Schiedam geboren. Hij was het enige kind uit het tweede huwelijk van Gerrit Odé.
Doordat zijn vader een, zij het bescheiden, boekhandel hield, zat Odé reeds op jeugdige leeftijd midden in de boeken. De wetenschappelijke aanleg waarvan hij later blijk zou geven, heeft hij evenwel waarschijnlijk geërfd van zijn moeder Sophia Cornelia van den Pauwert, die een begaafde vrouw schijnt te zijn geweest. Haar overlijden in 1908 moet voor de jonge Odé een zwaar verlies hebben betekend.
Deze was toen reeds, na in 1904, dus op 17-jarige leeftijd, het eindexamen aan het gymnasium te hebben afgelegd, zijn litteraire studie te Leiden begonnen, waar Uhlenbeck, Verdam, Kalff, Speyer, Blok en Bussemaker zijn leermeesters werden. Vooral de eerste heeft op hem een diepe indruk gemaakt. Diens colleges en privatissima herinnerde hij zich later altijd gaarne en de dominerende invloed van deze persoonlijkheid heeft hem nooit verlaten.
Aan het eigenlijke studentenleven nam Odé over het algemeen weinig deel. Onder zijn, merendeels iets oudere studiegenoten te Leiden moeten o.a. professor dr. J. Josselin de Jongh, dr. J.J. de Gelder en Dr. M. van Blankestein worden genoemd. (Van Kopenhagen uit bezocht hij de laatste nogeens in Berlijn.)
Op raad van Uhlenbeck deed Odé in 1910 een reis naar IJsland, in die tijd iets ongewoons. Eveneens op Uhlenbecks advies begaf hij zich na zijn doctoraal examen (1912) naar Kopenhagen, om daar onder leiding van professor Holger Pedersen een dissertatie over het Keltische verbum voor te bereiden. In de Deense hoofdstad voelde hij zich uitstekend thuis. Op de universiteit verdiepte hij zich in tal van andere vakken. Een hechte vriendschap, die tot zijn dood duurde, verbond hem met de Pâlîkenner dr. Helmer Smith (later professor te Lund en Upsala). In 1914 leerde hij hier ook zijn latere vrouw, Augusta Frederika Carolina Timmer, dochter van een Haarlems medicus, kennen, die, na in Amsterdam bij professor Boer te hebben gestudeerd, in genoemd jaar naar Kopenhagen was gekomen voor het bewerken van een - nooit voltooid - proefschrift.
Nog in hetzelfde jaar moest Odé zijn studie plotseling afbreken, doordat hij, in verband met het uitbreken van de eerste wereldoorlog, voor
de militaire dienst in Nederland werd opgeroepen. Hij kon toen nog juist van de laatste gelegenheid gebruik maken om door Duitsland heen ons land te bereiken. Nadat hij in Brabant een tijd lang als gemeen soldaat had gediend en daarna bij de afdeling-censuur te Vlissingen was ingedeeld geweest, werd hij in 1916 uit de dienst ontslagen wegens zijn benoeming tot leraar aan de 3-jarige H.B.S. te Warffum. Op 19 October 1916 trad hij in het huwelijk. Het echtpaar vond een woning in Usquert.
Het verblijf in het noorden duurde slechts kort. Reeds in 1917 werd Odé benoemd tot leraar aan het gymnasium te Delft, de school waaraan hij zijn gehele verdere leven verbonden zou blijven, sinds 1930 tevens als conrector. Hij doceerde er Nederlands en Aardrijkskunde. Met volle toewijding heeft hij zich, zolang zijn krachten het toelieten, van zijn dubbele taak gekweten.
In 1924 promoveerde Odé cum laude op zijn bekende dissertatie over de uitgangen met -r van het deponens en het passivum in de Indoeuropese talen. In een tijd dat er van het Tochaars en het Hettiets nog niet zo heel veel bekend was, betoogt Odé reeds dat er, waarschijnlijk in Zuidoost-Europa, vóór de splitsing in centum- en satemtalen, een Indo-europese groep van volken moet hebben geleefd bij wie het suffix -r als exponent voor het passivum en het impersonale diende. Het proefschrift, dat zowel door Pedersen als door Uhlenbeck was goedgekeurd, heeft tot heden zijn waarde behouden.
Enige jaren later, in 1926, verscheen als no. 6 van Serie A in Deel 61 van de Mededelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde, Odé's verhandeling over Das schwache Präteritum in den Germanischen Sprachen. Hierin verdedigt Odé de ontwikkeling van het zwakke preteritum uit oude vormen op -to (waarin -to de verborgen agens aanduidt). Met Sverdrûp schrijft hij dan got. kunpa toe aan een wisselend accent van het participium op -to.
Het volgend jaar zagen als no. 3 van Serie A in Deel 63 van de Mededelingen Odé's Reflexe von Tabu und Noa in den Indogermanischen Sprachen het licht. In deze studie, die sterk de aandacht trok, laat de schrijver de zeer verschillende richtingen zien waarin zich, met de mana-idee als achtergrond, de betekenissen van woorden uit de taboe-noasfeer kunnen ontwikkelen.
Getuigen de genoemde publicaties - een opsomming van tijdschriftartikelen blijft hier achterwege - van een gedegen studie, hetzelfde geldt van zijn gefundeerde betogen in de Leidse Linguistenkring, waar-
van hij sedert de oprichting lid was. In 1934 volgde zijn benoeming tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.
Ook in latere jaren bleef Odé niet alleen de vaktijdschriften met grote nauwgezetheid volgen, ook op andere gebieden breidde hij, in samenwerking met collega's, zijn kennis voortdurend uit. De studie der Slavische talen, door hem onder leiding van professor Van Wijk begonnen, nam hij weer op, samen met zijn collega dr. J. Bouman. Met dr. K.S.J.M. de Vreese studeerde hij Sanskriet, Hettiets en Tochaars.
Veel tijd besteedde Odé ook aan maatschappelijk werk. Jaren lang was hij secretaris van Pro Juventute en kwam hij wekelijks met de ambtenaar van de kinderwetten samen in een adviescommissie voor moeilijke kinderen. Zijn grootste liefde had echter de Openbare Leeszaal te Delft, waarvan hij van 1933 tot aan zijn overlijden voorzitter was. Onder zijn leiding werden met name de historische en de theologische afdeling van de boekerij aanzienlijk uitgebreid. In Odé's tijd kwam ook een verbouwing tot stand, die wel niet afdoende was, maar de geschiktheid van het gebouw voor studiedoeleinden toch aanmerkelijk verhoogde.
In de hongerwinter 1944-45, toen de rector der school zich schuil moest houden, nam Odé het moeilijke rectoraat waar. Niettegenstaande, doordat het gymnasiumgebouw was opgeëist, de klassen over de gehele stad verspreid waren, trachtte Odé, met inspanning van alle krachten, het onderwijs gaande te houden. Kort vóór de bevrijding bleek dat hij te veel van zich zelf had gevergd. Een ernstige longtuberculose had hem aangetast.
Lange tijd was Odé aan het ziekbed gebonden. Daar bereikte hem in September '45 nog het droevige bericht dat zijn oudste zoon, die in 1940 naar Indië was vertrokken, in Japanse krijgsgevangenschap was gestorven. Zwaar heeft hem dit gedrukt. Toch kon Odé in het najaar van '46 zijn schooltaak weer hervatten.
Het herstel leek volledig. Hoewel hem in 1947 een nieuwe slag had getroffen, toen zijn toekomstige schoonzoon, zendeling op Borneo, plotseling was overleden, ondernam Odé in '49 nog blijmoedig een reis naar Wallis, met vrouw en dochter. Het jaar daarop volgde echter een nieuwe inzinking.
De oude ziekte openbaarde zich weer, thans in het voetgewricht. Zijn schooltaak gaf Odé echter pas op toen het doceren hem volstrekt
onmogelijk werd. Enige dagen nadat zijn dochter, die na het overlijden van haar verloofde haar medische studie had voltooid, einde Januari '51 als zendelingsarts naar West-Afrika was vertrokken, werd hij bedlegerig. Een operatie, die aanvankelijk enige verbetering scheen te beloven, kon geen baat meer brengen. Op 27 September maakte een trombose in de hersenen een einde aan een werkzaam leven.
Met Odé is een stoere werker en een edel mens heengegaan. Een stille figuur, die zich nimmer op de voorgrond wilde stellen, maar een man die ieder met wie hij omging, voor zich innam door de adel van zijn karakter. Een man die niet alleen de wetenschap grote diensten heeft bewezen, doch ook door zijn sociaal werk zeer velen aan zich heeft verplicht.
H.E. Buiskool