In tegenstelling tot vele toonkunstenaars heeft Bernard van den Sigtenhorst Meyer in zijn jeugd allerminst blijk gegeven van een specifiek muzikale begaafdheid. Reeds vroeg openbaarde zich bij hem een kunstgevoeligheid die evenzeer op aanleg voor schilderen en teekenen als op litteraire mogelijkheden kon duiden. Eerst op zijn 17e jaar is hij begonnen piano te spelen en twee jaar later kon hij er toe besluiten, zich op een muzikale loopbaan te gaan toeleggen. Hij stelde zich onder leiding van J.B. De Pauw voor piano en van A.H. Tierie voor theorie; na twee jaar kwam hij op het Amsterdamsche Conservatorium, waar hij o.a. compositieles kreeg van Bernard Zweers. Na de voltooiing van zijn studie begaf hij zich eerst naar Parijs, waar hij een half jaar woonde, en vervolgens naar München en Weenen, om zich ook op de hoogte te stellen van de muzikale toestanden in Duitschland en Oostenrijk.
Aanvankelijk zag het er niet naar uit dat hij uitsluitend als musicus in zijn onderhoud zou kunnen voorzien. Hij moest een kantoorbetrekking aannemen en vond bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog een werkkring in London. Toen hij echter eind 1914 voor verlof naar Nederland terugkeerde, besloot hij hier te blijven en hij vestigde zich toen als leeraar voor piano en theorie te Hilversum. Na van 1917 tot 1919 in militaire dienst te zijn geweest, verhuisde hij naar Den Haag, waar hij tot zijn dood toe is blijven wonen. Hij leidde er als privaatleeraar en componist een betrekkelijk teruggetrokken bestaan dat alleen herhaaldelijk werd doorbroken door vaak langdurige concertreizen, die hij met de zanger-schilder-schrijver Rient van Santen (1882-1943) ondernam en die hem ook naar Oost-Indië brachten. Rient van Santen heeft op den iets jongeren musicus een diepgaande invloed uitgeoefend en hem vooral liefde en begrip voor Oostersche cultuur en religie bijgebracht; als dichter heeft bij hem bovendien tot zijn eerste vocale composities geïnspireerd.
Openbare functies heeft v.d.S.M. niet geambieerd; alleen als bestuurslid van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis (sinds 1931) is hij ook in organisatorisch verband actief geweest, en dat met een even nauwgezette en inspireerende toewijding als voor zijn paedagogisch en creatief werk kenmerkend was.
Zooals v.d.S.M. in maatschappelijk opzicht een opzichzelf staande en onafhankelijke figuur is gebleven, zoo is hij dat ook als componist geweest. Reeds het feit dat hij zich altijd verre heeft gehouden van het moderne symphonie-orkest is een zeldzaamheid bij componisten van zijn tijd. De overweging dat hij met zijn muziek tot de huiskamer wilde doordringen en niet tot het concertpodium, is daaraan zeker niet vreemd geweest. Met deze gedachtengang heeft v.d.S.M. vroeger dan wie ook van zijn generatie een zuiver begrip getoond voor de primaire beteekenis van de huismuziek voor de muzikale cultuur van een volk, en alleen al daarom verdient zijn naam in eere te worden gehouden.
Zijn oeuvre bestaat dan ook vrijwel geheel uit pianowerken, liederen, kamermuziek en a-cappella-koren, en is vastgelegd in een compositiestijl die voor het virtuozendom niet in aanmerking wil komen. Die stijl liet zich in den beginne als impressionistisch kenschetsen, en de voorliefde die de componist voor poëtische titels aan den dag legde, maakte dat de oppervlakkige beoordeelaar hem voor een Debussy-epigoon versleet. Toch blijkt ook in die vroege pianostukken en liederen de verwantschap met Debussy voornamelijk te berusten op de toepassing van exotische klankelementen. Voor v.d.S.M. heeft de melodische lijn altijd op de voorgrond gestaan en de klankkleur, die bij de Fransche impressionisten een wezenlijk bestanddeel van hun composities uitmaakt, is voor hem een bijkomstigheid gebleven. Bovendien heeft hij zich in zijn muzikale vormgeving eigenlijk van den aanvang af aan een classicisme gebonden, dat in latere jaren steeds meer op de strenge contrapuntische principes ging berusten, die voor de 16e en 17e eeuw kenmerkend zijn geweest. Dat hij daarbij in actualiteit niet bij zijn ‘modernere’ tijdgenooten achterbleef, kan b.v. uit de harmonische structuur van zijn tweede strijkkwartet (1947) blijken, waarin allerlei polytonale elementen zijn aan te treffen.
Die toenemende voorkeur voor een contrapuntische en zelfs abstracte schrijfwijze heeft v.d.S.M. zonder twijfel te danken aan zijn liefde voor de muziek van Sweelinck, welke zich in 1928 voor het eerst openbaarde, toen hij een Toccata van den Noordnederlandschen meester der Renaissance in moderne notatie uitgaf. De weerklank, die deze uitgave wekte, zal hem zelf verrast hebben; voor het eerst sedert het tot stand komen van de groote Sweelinckuitgave, welke de Duitsche musicoloog Max Seiffert in de jaren 1894-1901 voor de Vereeniging voor Nederland-
sche Muziekgeschiedenis had bezorgd, kwam Sweelinck's muziek buiten het domein van de musicologische belangstelling, en zij kreeg thans, drie eeuwen na de dood van haar schepper, de kans, haar levensvatbaarheid te bewijzen. In de volgende jaren heeft v.d.S.M. nog verscheidene composities van Sweelinck opnieuw uitgegeven, doch daarbij bleef het niet: liefde voor het kunstwerk wekte belangstelling voor den mensch, en zoo kwam hij er toe zich te verdiepen in de historische en biografische achtergronden van Sweelinck's muziek. In het Tijdschrift van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis publiceerde hij verscheidene artikelen over Sweelinck en zijn familie, waarin hij zich als een minutieus historicus ontpopte; in 1936 verscheen een voortreffelijk gedocumenteerde monografie over Jan P. Sweelinck en zijn instrumentale muziek, waarvan in 1946 een tweede druk het licht kon zien, en in 1948 liet hij een even zorgvuldig bewerkte studie over de vocale muziek van Sweelinck volgen, nadat hij reeds eerder met een populaire biografie den componist, die zoozeer zijn vereering had, in wijderen kring bekend had gemaakt. V.d.S.M. was dan ook de aangewezen man om na den dood van Max Seiffert de heruitgave van de groote Sweelinck-editie op zich te nemen, een opdracht die hem veel voldoening gaf. De nieuwe druk van de Cantiones sacrae heeft hij nog kunnen voltooien, maar het verschijnen ervan mocht hij helaas niet meer beleven.
Naarmate v.d.S.M. aan de Oostersch-mystieke invloeden van zijn jeugd ontgroeide, wendde hij zich in de tekstkeuze van zijn vocale composities tot Nederlandsche litteraire bronnen, waarvan vooral het dichtwerk van Jan Luyken veel voor hem is gaan beteekenen. Nadat hij reeds eenige der Zedelijke en stichtelijke gezangen van Luykenhad gecomponeerd, waagde hij zich aan Jesus en de Ziel, waarbij hij zich echter beperkte tot de gedichten daaruit - en wel tot een keuze van tweemaal dertien - die hij voor sopraan en orgel bestemde, en tot de erbij behoorende ‘Goddelijke antwoorden’ (Bijbelteksten), die voor vrouwenkoor a cappella werden gezet; aan elk der beide deelen gaat een voorspel voor orgel vooraf en het geheel wordt besloten door een ‘Amen’. In deze innerlijk bewogen maar uiterlijk ingetogen muziek - men zou haar een Nederlandsch pendant van Le miroir de Jésus van André Caplet kunnen noemen - heeft v.d.S.M. zijn scheppend vermogen wel het zuiverst tot uitdrukking kunnen brengen; daar ook heeft zijn muzikale stijl de meeste karakteristiek-Nederlandsche trekken, zooals deze uit de
liedkunst der 16e en 17e eeuw zijn af te leiden en die zich in dit werk laten herkennen door de strakke melodische lijnen die op een soberaccoordisch fundament berusten dat hier en daar door contrapuntische doorbrekingen wordt verlevendigd en waarboven zich de vaak recitativisch behandelde zangstem vrij kan verheffen. Zoo kan Jesus en de Ziel, waarvan slechts enkele fragmenten in druk zijn verschenen, beschouwd worden als een typeerend stuk Nederlandsche vocale compositiekunst, dat een grootere verbreiding verdient dan er tot nog toe aan ten deel is gevallen.
Wat Nederland met het verscheiden van Bernard van den Sigtenhorst Meyer heeft verloren is niet alleen af te meten naar zijn arbeid als componist, musicoloog en paedagoog; als mensch is hij door zijn hoffelijkheid en distinctie, zijn oprechtheid en onbaatzuchtigheid, zijn bescheidenheid en collegialiteit evenzeer een voorbeeld geweest als door zijn idealisme en zijn trouw in vriendschap. Men kan er zich achteraf alleen maar over verwonderen en verheugen dat in onze vervlakkende samenleving een man van zóó persoonlijke levensstijl de gaafheid van zijn talent en de noblesse van zijn karakter ongerept heeft kunnen bewaren.
Eduard Reeser
| 1915 | De witte reiger (Rien van Santen) voor zang en piano. Het Naardermeer (Rien van Santen) voor zang en piano. Van de bloemen. Vier pianostukken opus 1. Het oude China. Vier pianostukken opus 2. Bij den tempel (Rien van Santen en Noto Soeroto). Drie liederen voor zang en piano, opus 3. |
| 1917 | Van de vogels. Drie pianostukken, opus 4. Fluisteringen (Noto Soeroto). Drie liederen voor zang en piano opus 5. |
| 1918 | Stemmingen (Rient van Santen). Drie liederen voor zang en piano opus 6. Stabat Mater voor vocaal kwartet of gemengd koor a cappella opus 7. De verzoeking van Boeddha (Rient van Santen) voor soli, vrouwenkoor, strijkorkest, harpen en celesta opus 8. De bron van Badrah (Rient van Santen). Zangspel in één bedrijf, teruggetrokken. |
| 1919 | Het eeuwige lied (Rient van Santen) voor alt en strijkorkest, Ms. Zes gezichten op den Fuji. Zes pianostukken opus 9. Doode steden (Rient van Santen). Twee liederen voor zang en piano opus 10. Strijkkwartet no. I opus 13. |
| 1920 | De Maas. Drie pianostukken opus 11. St. Ouertin. Twee pianostukken opus 12. Oude Kasteelen. Drie pianostukken opus 14. |
| 1921 | Veltdeuntjes (P.C. Hooft). Vijf liederen voor zang en piano opus 15. Prélude voor piano opus 16 (Uitg. Senart, Parijs). |
| 1922 | Acht préludes voor piano opus 17. Het Lied der Wijsheid (vrij naar de hoofdstukken 7 en 8 van de Spreuken van Salomo) voor tenor en strijkorkest of orgel. Ms. Sonate no. I voor piano opus 18. |
| 1923 | Capri. Vier pianostukken opus 19. |
| 1924 | Variaties voor piano opus 20. Vijf geestelijke liederen (Jan Luyken) voor zang en piano of orgel opus 21. |
| 1925 | Introductie, thema en variaties voor viool-solo opus 22. |
| 1926 | Sonate no. II voor piano opus 23. Landelijke miniaturen (1e reeks) voor hobo- of fluitsolo opus 24. Sonate voor violoncel-solo opus 25. Sonate no. I voor viool en piano opus 26. Sprookjeswereld (1e bundel). Zes pianostukken opus 27. |
| 1927 | Voor- en tusschenspel bij De brief van den koning (Tagore) voor strijkkwartet. Ms. Liederen van den Nijl (Rient van Santen) voor sopraan en hobo of fluit opus 44. Drie hymnen voor viool en piano of orgel opus 28. |
| 1928 | Sprookjeswereld (2e bundel). Zes pianostukken opus 29. Sonatine No. I voor piano opus 30. |
| 1929 | Vijf geestelijke liederen (Jan Luyken e.a.) voor drie-en vierstemmig vrouwenkoor a cappella opus 31. Canticum fratris solis (St. Franciscus) voor gemengd koor of vocaal kwartet a cappella opus 33. |
| 1930 | Een vrouw die niet als singht en tuyt (Anna Roemer Visser) voor vierstemmig mannenkoor a cappella. Sonatine no. II voor piano opus 32. Sonatine voor hobo- of fluitsolo opus 34. |
| 1932 | Lofzangen (Jan Luyken). Vier geestelijke liederen voor zang en piano of orgel opus 35. |
| 1932-'38 | Jesus en de Ziel (Jan Luyken) voor sopraan en orgel en vrouwenkoor a cappella. Ms. Daaruit: Vier geestelijke liederen voor zang en piano of orgel opus 37. |
| 1935 | Passacaglia en fuga voor orgel opus 36. |
| 1938 | Sonate no. II voor viool en piano opus 38. |
| 1940 | De tuinman en de dood (P.N. van Eyck) voor vierstemmig mannenkoor a a cappella opus 39. |
| 1941 | Sweelinck-Fantasie voor orgel opus 41. |
| 1945 | Twee Capriccio's voor piano opus 42. |
| 1946 | Landelijke miniaturen (2e reeks) voor hobo- of fluitsolo opus 40. |
| 1947 | Strijkkwartet No. II opus 47 (Uitg. Donemus, Amsterdam). |
| 1948 | Sonatine no. III voor piano opus 43. |
| 1949 | Landelijke miniaturen (3e reeks) voor hobo- of fluitsolo opus 45. |
| 1952 | De lof der genever (Robbert Hennebo) voor vierstemmig mannenkoor a cappella opus 46. O land van mest en mist (P.A. de Genestet) voor vierstemmig mannenkoor a cappella opus 48. Trio voor twee violen en altviool opus 49. Wals-1952 voor piano 4-handig opus 50. De Zeven Intervallen voor piano 4-handig opus 51. |
| 1928 | e.v. Werken van J.P. Sweelinck, opnieuw uitgegeven en van teekens voorzien door B. van den Sigtenhorst Meyer. Toccata voor piano of orgel. Kleine toccata voor piano of orgel. Variaties over ‘Est-ce Mars’ voor piano of orgel. Fantasie op de manier van een echo voor piano of orgel. Chromatische Fantasie voor piano of orgel. Hexachord Fantasie voor piano of orgel. Variaties over ‘Ick voer al over Rhijn’ voor piano of orgel. Chromatische Fantasie voor strijkkwartet. Yeux, qui guidez mon âme voor vocaal terzet en piano. Psalmen voor gemengd koor a cappella (Uitg. Vereeniging voor Protestantsche Kerkmuziek). Cecilia-Lied (Dirck J. Sweelinck) voor vijfstemmig gemengd koor a cappella, waaraan toegevoegd Oculus non vidit, canon voor drie gelijke stemmen. |
| 1931 | Naar aanleiding van een Toccata van J. Pzn. Sweelinck. Tijdschrift van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis dl. XIII no. 3. |
| 1932 | Honderd jaar schalmeispelen te Haarlem, 1532-1635. Tijdschrift etc. dl. XIV, no. 1. |
| 1934 | De familie Sweelinck. Tijdschrift etc. dl. XIV no. 2. |
| 1935 | Jan Willemszoon Lotsy, Sweelinck's leermeester, ± 1545-1629. Tijdschrift etc. dl. XIV no. 4. Sweelinckiana. Tijdschrift etc. dl. XIV no. 4. |
| 1936 | Sweelinck's Pavana hispanica. Tijdschrift etc. dl. XV no. 1. |
| 1939 | De nakomelingen van Jan Pieterszoon Sweelinck. Tijdschrift etc. dl. XV no. 4. Een volledig exemplaar van het ‘Liore septieme’. Tijdschrift etc. dl. XV no. 4. |
| 1941 | Sweelinckiana. Tijdschrift etc. dl. XVI no. 2. |
| 1934 | Jan P. Sweelinck en zijn instrumentale muziek (Servire, Den Haag; 2e druk 1946). |
| 1941 | Jan P. Sweelinck (H.J.W. Becht, Amsterdam). |
| 1948 | De vocale muziek van Jan P. Sweelinck (Servire, Den Haag). |