Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1954-1955


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1953-1955. E.J. Brill, Leiden 1955  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 31]

Historie en historiografie van de slag aan het Manpad (1304)
Door F.W.N. Hugenholtz

In 1826 hield David Jacob van Lennep zijn beroemde ‘Verhandeling over het belangrijke van Hollands grond voor gevoel en verbeelding’. Het slot van deze verhandeling vormt de Duinzang, waaraan de volgende strofen zijn ontleend:

 
Was het vreemd, zoo na 't zinken van 't achtbaar geslacht,
 
(Toen, vervallen aan 't Henegouwsch Wapen,
 
't Land met Vlaand'ren in strijd nu verloren zich dacht,
 
En der Landzaten deugd scheen te slapen;)
 
 
 
Was het vreemd, zoo, bij 't zien van den Hollandschen leeuw,
 
Dien de Blinkert verhief van zijn kruinen,
 
Jong en oud met triomfen en jubelgeschreeuw,
 
Kwam uit Haarlem gestroomd naar de duinen?
 
 
 
Waar hun WITTE verscheen als een gift van omhoog;
 
Hij, de zoon van dien Floris zoo goedig,
 
Hij, het beeld van dien vader in houding en oog,
 
En niet min dan zijn vader kloekmoedig.
 
 
 
Toen riep alles ‘Te wapen bij de oude banier!
 
‘Fluks te wapen, gij dapp'ren en vromen!
 
Ziet, uw helper, uw heirvoogd, uw redder is hier,
 
Ziet, het Hollandsche bloed is gekomen’.
 
 
 
En om HAAMSTEDE drong zich de landzaat bijeen,
 
En de bloedige strijd werd gestreden,
 
En der Vlamingen hoogmoed verging en verdween,
 
Bij het Manpad met voeten getreden.

Deze poëtische uiting voert ons terstond in medias res: Wij staan in de duinen, op de historische grond bij Haarlem, die zo belangrijk is en was voor gevoel en verbeelding. Van Lenneps redevoering was, zoals

[p. 32]

Kalff zegt, ‘een mijlpaal op den ontwikkelingsweg der Nederlandsche romantiek’. Het spreekt dan ook vanzelf dat de lading der termen gevoel en verbeelding romantisch was, zodat het voor de historicus niet van gevaar ontbloot is wanneer hij ze overneemt. Toch wil ik het doen omdat het onderwerp mij gelegenheid zal bieden iets te zeggen over de geschienis van een gevoel en over het werken der verbeelding in de geschiedenis. Het zal zonder nadere uitleg duidelijk zijn, dat ik de geleende termen een andere lading geef.

Vooraf een korte inhoudsopgave, voorzover de titel van dit opstel daarover nog geen voldoende uitsluitsel geeft. Eerst spreek ik over de historie van de slag aan het Manpad, vervolgens wil ik in enigszins chronologische volgorde de geschiedschrijvers over de slag behandelen, om tenslotte een enkele opmerking te maken waartoe bestudering van historie en historiografie in dit geval aanleiding hebben gegeven.

D.J. van Lennep heeft niet alleen door zijn zang de herinnering levend gehouden aan de slag bij het Manpad. Hij was ook de initiatiefnemer tot de oprichting van een gedenknaald in 1817 op de historische plaats, vlak bij het buiten Het Huis te Manpad, dat hij er bewoonde. Op het gedenkteken staat te lezen: ‘Ter eere van Witte van Haamstede, Grave Floris' zoon van Holland, en van de brave burgers van Haarlem, die met hem de vreemde mannen langs dit pad verdreven d. XXVI April MCCCIIII. En ter eere van hen die tot ontzet van Haarlem bij dit Manpad hun leven waagden d. VIII Juli MDLXXIII’.

Wat is deze slag aan het Manpad geweest? Daartoe een enkel woord over de politiek-militaire toestand die tot de slag aanleiding heeft gegeven. Omstreeks het jaar 1300 was Vlaanderen bezet door zijn leenheer, de Franse koning Filips de Schone, die een einde wenste te maken aan de te grote autonomie der leenmannen. Het graafschap Holland, zelf met Vlaanderen reeds eeuwen telkens in strijd gewikkeld wegens het bezit van Zeeland bewesten Schelde, was sinds 1299 in handen van de Henegouwse gravenfamilie der Avesnes, erfvijanden der Vlaamse Dampierres en dus Frans georiënteerd. In 1302 vochten de Vlamingen zich vrij in een strijd beginnend met de Brugse Metten en culminerend in de Slag der Gulden Sporen, enkele jaren geleden nog herdacht1. De Fransen waren zo geslagen, hun moreel was dusdanig geknakt, dat de Vlamingen van hun

[p. 33]

kant vooreerst weinig te vrezen hadden. Dat gaf hun de gelegenheid een aantal oude rekeningen te gaan vereffenen met Frankrijks bondgenoot Henegouwen-Holland: Een Vlaams leger rukte het Zeeuwse eilandengebied binnen, gesteund door Zeeuwse adellijke ballingen, w.o. Jan van Renesse, die zich in de Guldensporenslag bijzonder had onderscheiden, ja zelfs op het kritieke ogenblik de Vlamingen de overwinning had bezorgd. Het jaar 1303 zag het eerste zware beleg van Zierikzee; even leek het alsof reeds toen het Hollandse vasteland zou worden aangevallen, doch een wapenstilstand tot Maart 1304 wendde dat gevaar nog af. Precies na afloop van het bestand, dat de Vlamingen plechtig in Den Haag hadden laten opzeggen, voeren de Vlaamse transportschepen ten tweeden male de Zeeuwse wateren binnen. De Hollandse hoofdmacht bevond zich op Duiveland, waar Utrechts Henegouwse bisschop Guy de gelederen was komen versterken. Door de Hollanders in het onzekere te laten omtrent de plaats waar zij aan land wilden gaan, stichtten de Vlamingen verwarring in de gelederen van hun vijanden. Door een bliksemsnel uitgevoerde landing kwam de strijd voor de gedesorganiseerde Hollanders nog als een verrassing en wel als een zeer onaangename. Zij werden totaal verslagen, Bisschop Guy van Utrecht werd gevangen, Willem van Oostervant, de latere graaf Willem III, trok zich met de resten van zijn leger terug in Zierikzee dat zo zijn tweede beleg te doorstaan kreeg. Enkele weken lang werd de stad vrijwel ononderbroken bestormd, doch toen dat niet baatte werd tot een georganiseerde blokkade besloten; wat voor het beleg niet nodig was, zette zich in Noordwaartse richting in beweging. Allereerst werd een aanval gedaan op Dordrecht, dat zich echter zo goed verweerde dat ook hier een geregeld beleg nodig bleek; troepen werden ervoor achtergelaten, de rest, een kleine rest, wandelde door Holland, bezette stad na stad zonder slag of stoot en stootte zich pas voor Haarlem weer het hoofd. Na deze vrijwel totale verovering trokken de Vlamingen, na uit de steden gijzelaars te hebben meegenomen en geïnterneerd in Gouda, naar Utrecht dat zich al evenmin verzette; deze stad zou enige eeuwen aan de korte Vlaamse tijd herinnerd blijven door haar constitutie, die in deze tijd kennelijk onder Zuidelijke invloed tot stand kwam1.

De Vlaamse macht benoorden de rivieren was geen lang leven beschoren. Nauwelijks een maand na de intocht volgde een overhaast ver-

[p. 34]

trek; wel bleef Jan van Renesse nog met een klein gevolg in Utrecht achter, doch spoedig blies ook hij de aftocht. Bij zijn terugkeer stierf hij ten gevolge van een ongeluk met een veerboot. De plotselinge verdwijning der Vlamingen uit Holland is een onweerlegbaar feit; de oorzaak ervan heet dan te zijn de beroemde slag bij het Manpad.

Wat deze slag nu geweest is, moet uiteindelijk in de geschiedbronnen worden onderzocht. Voordat we ons tot die bronnen wenden, is het echter gewenst te rade te gaan bij hen die in het recente verleden over deze zaken hebben gesproken. In de laatste samenvatting der Nederlandse geschiedenis, de Algemene Geschiedenis der Nederlanden, schrijft Prof. Niermeyer (deel II, blz. 304): ‘Hoe de Vlamingen uit Holland verjaagd werden, is bekend. Witte van Haamstede, het Manpad zijn klanken die een snaar in elk Hollands hart doen trillen. Sedert Wagenaar? Of sedert Melis Stoke?’ Hier klinkt enige twijfel aan de betekenis van de slag, ja zelfs aan de historiciteit ervan. Tot een bepaalde uitspraak komt Niermeyer niet. Hij had zich hierbij kunnen beroepen op een noot op blz. 112 van de in 1923 verdedigde dissertatie van de betreurde Berkelbach van den Sprenkel, die schreef: ‘De slag bij het Manpad wordt het eerst genoemd bij Joh. à Leydis, lib. XXVI, cap. 14, ed. Sweertius, Francofurti 1620, 240 en is uit deze vijftiende-eeuwse kroniek in de populaire historie beland’. Al zegt Berkelbach het niet met zoveel woorden, hij koestert ernstige twijfel. Zijn waarschuwing werd echter niet gehoord. Volledigheidshalve slaan we ook de iets oudere handboeken op, die van Blok, van Brugmans, van Geyl en van Gosses; zij spreken wel van een snelle bevrijding van het Hollands grondgebied, maar noemen geen bepaalde bevrijdingsslag. Vermoedelijk achtten deze auteurs het incident voor beschrijving niet belangrijk genoeg.

In een Amsterdamse dissertatie van 1954, die van A.W.E. Dek, De genealogie der graven van Holland, is intussen blijkbaar de twijfel verdwenen om door het oude geloof te worden vervangen; Witte van Haamstede wordt er door de auteur genoemd als de overwinnaar in meergenoemde veldslag1. Tenslotte een citaat uit een ander zeer recent geschrift, van de hand van J. Sabbe, verschenen in 1951 in de Handelingen van de Mij. voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, en getiteld: De vijandelijkheden tussen de Avesnes en de Dampierres in Zeeland, Holland en Utrecht van 1303 tot 1305. Sabbe zegt betreffende ons onderwerp

[p. 35]

letterlijk: ‘Met de Kennemers en de Friezen wist Witte van Haamstede een groep Vlamingen te Hellegem ten Zuiden van Haarlem te verrassen en volledig te verslaan1’. En daarmee is Sabbe, wiens studie van waarlijk exemplarische degelijkheid getuigt, de eerste Zuidnederlandse historicus die de slag bespreekt; voorheen was in de Belgische litteratuur dit gebeuren niet bekend.

De conclusie die hieruit kan worden getrokken is deze, dat de moderne historici niet unaniem overtuigd zijn van de historiciteit en/of het belang van de slag aan het Manpad; er zijn er die daaraan niet twijfelen, er zijn er die zich met enige voorzichtigheid in de materie schijnen te bewegen, er zijn er die er het zwijgen toe doen, het aan ons overlatend dit zwijgen te interpreteren.

Dit gebrek aan eensgezindheid der geleerden betreffende een roemrijk feit uit onze historie rechtvaardigt een nieuw onderzoek. We willen eigenlijk toch wel eens weten of Van Lenneps gedenkteken terecht of ten onrechte is verrezen. In de negentiende eeuw, toen de naald werd opgericht, was van dergelijke twijfel niets te bekennen; de Duinzang van Van Lennep bewijst het. En of we nu lezen in Arends Algemeene geschiedenis des Vaderlands, in Bosscha's Nederlands heldendaden te land - de hier besproken slag was een dier heldendaden - of in het Handboek der geschiedenis van het vaderland van Groen van Prinsterer, hun verhalen komen op hetzelfde neer; de strekking ervan is gelijk aan die van de Duinzang. Een kort citaat uit het Handboek van Groen kan de sfeer het best weergeven: ‘20 Maart, nederlaag bij Duiveland; Willem werpt zich in Zierikzee. Hooger nog moet de nood klimmen; de magtige Hertog van Brabant voegt een talrijk heir bij de tallooze scharen uit Vlaanderen herwaarts gestroomd; Holland veroverd tot aan den Haarlemmerhout; alleen door Haarlem en Dordrecht wordt de vijand gestuit. Het Land op het punt, naar menschelijke berekening, om als buit te worden verdeeld; naar Gods raad, om te worden verlost. Witte van Haemstede, zoon van Floris V, van den edelen vorst, slagtoffer zijner liefde voor het volk, ontplooit te Zandvoort de voorvaderlijke banier; doet ze, met Hollands leeuw, wapperen en blinken op duinen en strand; de fiere, jeugdige ridder trekt Haarlem binnen, omstuwd door de landzaten, ingehaald door de burgerij; verslaat de Vlamingen aan het Manpad. De geestdrift der ingezetenen, de schrik des vijands algemeen’.2.

[p. 36]

Het is nu meer dan tijd ons af te keren van de litteratuur. Indien we werkelijk de historie van de slag willen leren kennen, moeten we ons tot de bronnen, liefst tot de contemporaine bronnen wenden. We hebben het geluk voor deze eerste jaren van de veertiende eeuw gebruik te kunnen maken van de werken van twee Hollandse tijdgenoten, Melis Stoke, die een middelnederlandse rijmkroniek, en Willelmus, de Egmondse procurator, die een Latijnse geschiedenis in proza schreef. Melis Stoke bekleedde een belangrijke functie in de kanselarij van graaf Willem III, zodat we met reden mogen aannemen, dat hij goed was ingelicht over de gebeurtenissen van zijn tijd. Zijn kroniek, althans het laatste deel ervan dat tot 1305 loopt, schreef hij kort na het genoemde jaar, zodat de beschreven feiten nog fris in zijn geheugen lagen. We mogen dus stellen dat hij het jaar 1304 kon beschrijven uit eigen verse herinnering, puttend uit inlichtingen die zijn plaats ten hove hem kon verschaffen. Wat zegt nu Melis Stoke over de bevrijding van het graafschap Holland van de Vlaamse bezetting?1. Vanuit Zierikzee, door de Vlamingen belegerd, ontsnapt met klein gevolg per schip de zoon van Floris V, Witte van Haamstede, die zich op last van Willem III naar Kennemerland begeeft. Hij landt er in Zandvoort, laat zich omtrent de toestand inlichten, onthult wie hij is en verwekt grote blijdschap in Kennemerland en in Haarlem, waar hij door de bevolking vol vreugde wordt ingehaald. Hij laat zijn komst schriftelijk aan de andere Hollandse steden weten en krijgt toezegging van hun steun.

Wanneer Stoke op dit punt van zijn kroniek is aangeland, springt hij tamelijk abrupt over op een ander onderwerp, de opstand der Hollandse steden. Delft staat op, Leiden eveneens, maar iets voorzichtiger. De Leidenaars gaan eerst in diep geheim 's nachts naar Gouda, verrassen de stad en bevrijden de daar geïnterneerde gijzelaars. Schiedam komt in opstand, Dordrecht verjaagt zijn belegeraars en doet een plundertocht in Brabant, dat zich te elfder ure bij de Vlamingen had aangesloten om ook een stukje van de buit in de wacht te slepen. Schoonhoven, waar de Zeeuwse balling Nicolaas van Cats namens de Vlamingen het bewind voerde, werd belegerd. Het Vlaamse leger, dat zich te Utrecht bevond, vreesde te worden afgesneden van zijn basis en keerde haastig terug naar Zeeland, langs de IJsel. Alleen Jan van Renesse bleef nog enige tijd in Utrecht achter. Zo is Stoke's weergave van de gebeurtenissen in April en Mei van het jaar 1304. In het kort komt het dus hierop neer: De verschij-

[p. 37]

ning van Witte van Haamstede plus een louter stedelijke actie, waarin Witte van Haamstede geen enkele rol schijnt te spelen. Een bevrijdingsslag komt in dit verhaal niet voor.

Iets jonger dan Stoke was Willelmus Procurator, naar de mening van Vis, die aan hem in 1950 een proefschrift1 wijdde, geboren tussen 1292 en 1294, en dus in 1304 een jongen van tien of twaalf jaar. Het eerste gedeelte van zijn kroniek, waarin hij het jaar 1304 behandelt, schreef hij in 1321 of in 1322. Zijn mededelingen over de door ons onderzochte gebeurtenissen zal hij dus wel niet uit eigen herinnering of uit de eerste hand hebben geput. Daartegenover staat dat hij schreef in een omgeving waar herinneringen aan de eerste jaren van de veertiende eeuw nog levend waren, temeer omdat zich de zaken waarvoor wij ons interesseren afspelen in de buurt van Haarlem, waar Willelmus zijn jeugd en de eerste jaren van zijn volwassenheid doorbracht, de laatste in dienst der Brederodes. Uit een en ander kunnen we wel de conclusie trekken dat Willelmus redelijk goed kan zijn ingelicht. Over de bezetting en de bevrijding van 1304 is hij zeer kort: ‘Tegelijkertijd werd heel Noord-Holland door Heer Jan van Renesse onderworpen; gijzelaars werden gegeven. En kort maar krachtig gezegd: Heel Holland zou blijvend zijn onderworpen aan Gwijde, indien niet een zekere ridder (miles quidam), Witte genaamd, een natuurlijke zoon van graaf Floris, in het geheim uit Zierikzee was ontsnapt en overzee naar Kennemerland was gekomen. Maar nadat deze ridder bij Haarlem was verschenen, bloeide de geestkracht van velen, eerst dor, weder op en nadat een aanval was gedaan op de stad Gouda en op andere steden werden de gijzelaars bevrijd en alle met de Vlamingen gesloten verdragen verbroken’.2 Deze berichten zijn in wezen dezelfde als die Melis Stoke ons heeft geleverd; commentaar erop is niet nodig. Ook de Procurator noemt geen speciale bevrijdingsslag, geen slag aan het Manpad.

Tot zover de schrijvende tijdgenoten uit Holland. Volledigheidshalve verlaten we even het graafschap om te zien hoe de tegenpartij dezelfde historie heeft te boek gesteld. Ik kan er heel kort over zijn. De Vlaamse schrijvers uit de veertiende eeuw hebben voor het conflict met Henegouwen-Holland wel belangstelling, maar bij de meesten komt die belangstelling niet Noordelijker dan Zierikzee. De definitieve nederlaag der Vlamingen wordt geweten - en terecht - aan de Frans-Hollandse

[p. 38]

overwinning in de zeeslag bij Zierikzee. Nauwelijks een paar schrijvers vermelden iets van de Vlaamse aanwezigheid in Utrecht en Holland, zonder enige bijzonderheid overigens; hun vertrek wordt alleen door de nederlaag in Zeeland verklaard. Gezien in het geheel van het gewapend conflict tussen Vlaanderen en Holland was het gebeuren benoorden de grote rivieren inderdaad veel minder belangrijk dan de strijd om en bij Zierikzee, zowel te land als te water. We mogen zelfs wel aannemen dat de grote successen in Utrecht en Holland de Vlamingen danig verrast zullen hebben; hun strooptocht resulteerde er plotseling in een verovering, zonder veel bloedvergieten tot stand gebracht. Het bewijs van deze stelling zie ik in de plotselinge, nog lang niet noodzakelijke terugtocht. Deze opvatting kan nog steun vinden, wanneer wij ons afvragen van welke orde van grootte de legermacht was die deze snelle successen heeft geboekt. Op grond van verschillende cijfers die Sabbe ons verschaft, mogen we het Vlaamse leger dat na het einde van het bestand in Maart 1304 Zeeland binnentrok taxeren op maximaal 3500 man, de bemanning der schepen meegerekend. Dit leger leverde eerst een veldslag op Duiveland en bestormde gedurende enkele weken Zierikzee; voor deze stad werd het beleg geslagen. Wat aan manschappen daar niet nodig was, werd naar het Noorden gedirigeerd; van hen werd een deel voor Dordrecht achtergelaten om ook deze stad te belegeren. Met de resten wandelde men door Holland tot Haarlem toe, een poging deze stad te belegeren deed men niet, voor zover bekend. Men had er vermoedelijk geen soldaten voor beschikbaar. Tenslotte verdween de hoofdmacht naar Utrecht. Groot zal deze troep toch zeker niet geweest kunnen zijn. Wanneer wij het goed zien, waren er eigenlijk geen Vlamingen in Holland meer over, toen Witte van Haamstede verscheen; een slag aan het Manpad is alleen al onmogelijk bij gebrek aan tegenstanders. De niet-historiciteit van deze slag wordt ook bewezen door de rekeningen der Vlaamse steden uit deze tijd. Het is bekend hoe gedetailleerd dergelijke rekeningen plegen te zijn. Veel is eruit te leren betreffende het oorlogsbedrijf, geleden verliezen worden er niet in verbloemd. Geen enkele aanwijzing is er echter in te vinden dat in Holland, bij Haarlem of elders, verliezen aan mensen of oorlogsmaterialen zijn geleden. Ik kan dan ook geen andere conclusie aan dit betoog over de historie van de slag bij het Manpad verbinden dan deze: Een veldslag waardoor Holland werd bevrijd van de Vlaamse overheersing is nooit geleverd; de slag bij het Manpad is niet gestreden.

[p. 39]

Maar hoe komt het verhaal dan in de wereld? Op deze vraag is geen afdoende antwoord te geven. Wel is het mogelijk objectief te constateren op welk ogenblik de slag in de Noordnederlandse geschiedschrijving opduikt, maar het interessantste probleem: Hoe komt die allereerste auteur er aan? is tot dusverre niet opgelost.

De zgn. Divisiekroniek is zowel een einde als een begin. Verschenen in 1517, sluit deze kroniek de middeleeuwse historiografie af. Het is de verzameling van het meeste wat de middeleeuwers aan kennis omtrent het verleden van hun landen bezaten. Een begin is het omdat de Divisiekroniek de basis werd van de kennis die de moderne tijd omtrent de Middeleeuwen zou bezitten, tot op het moment dat eigen bestudering van die periode het beeld ingrijpend wijzigde. Bovendien was de Divisiekroniek tot Wagenaar toe eigenlijk hèt geschiedenisboek; talloze malen geëxeerpeerd, was het gedurende enkele eeuwen dè historische leesstof voor jong en oud. Wat in de Divisiekroniek stond, werd - zo zou men zonder veel overdrijving kunnen stellen - geestelijk eigendom van vele generaties; de meeste anecdotes en verhalen, waarmee lange jaren, misschien nu nog wel, het onderwijs in de middeleeuwse geschiedenis werd of wordt geïllustreerd, zijn uit de Divisiekroniek waarin zij verzameld werden afkomstig. Het is daarom verre van willekeurig, wanneer dit historiografisch onderzoek begint bij het jaar 1517 en dus met het raadplegen van de Divisiekroniek om te zien welk beeld men zich op de overgang van Middeleeuwen en Nieuwe Tijd van de gebeurtenissen van 1304 had gemaakt. Er staat dan het volgende te lezen1:

‘Als Heere Witte van Haemstede met luttel wapentuers binnen de stede van Haerlem was ghekomen heeft hy synen bannier mitten roode leeuwe ontwonden; terstondt zijn by hem gekomen alle dat volck uyt Kermerlant, uyt Waterlant ende veel uyt Oost ende West-Vrieslant, lovende God dat sy eenen hooftman hadden vanden rechten bloede van Hollandt gekomen wesende; ende als heere Witte sach dat sy alle waren bereydt mit hem te gaen is hy uytghegaen met ontwonden blinckende bannieren met een vreesselick geluyt van basuynen. Ende als sy quamen by Hillegom is hen daer te moete ghekomen met een groote menichte van Vlaminghen de President van Vlaenderen ende daer geviel eenen grooten strijt overmits de vreesselicke slaghen ende dat groote gecrij dat daer was van den genen die geslagen werden’. Het werd voor Witte een grote

[p. 40]

overwinning; de gesneuvelde Vlamingen werden ontkleed, hun kleren en wapens op een hoop gegooid. ‘Ende dese wech wordt op huyden noch desen dach ghenoemt oudt mannepat.’ Vervolgens gaat het zegevierende leger met Witte aan het hoofd naar de Hollandse steden: In Delft zouden in één straat 500 Vlamingen zijn omgebracht, vandaar dat die straat Vlamingstraat werd genoemd.

Het gehele verhaal is al compleet; tussen het relaas van de Divisiekroniek en dat van de geciteerde negentiende-eeuwse auteurs is eigenlijk geen enkel verschil. Op één merkwaardigheid die reeds zal zijn opgevallen wil ik de aandacht nog even vestigen. ‘Ende dese wech wordt op huyden noch desen dach ghenoemt oudt mannepat’. Ik heb eerst gedacht dat dit een drukfout was, maar ik geloof nu dat het een vergissing is geweest van een andere soort, waarmee we nog wel iets kunnen beginnen. De hele passage is een vrijwel letterlijke vertaling van het desbetreffende gedeelte uit de grote Latijnse kroniek van Johannes à Leydis, waarover straks. Nu zou deze kroniek pas in de 17de eeuw worden gedrukt, in 1517 waren er dus alleen maar een of twee handschriften van te raadplegen. Johannes à Leydis schreef, omstreeks 1490: ‘et deinceps via illa dicitur in hodiernum diem vulgariter Ant mannepat’.1 Cornelius Aurelius, de schrijver van de Divisiekroniek meende hier te lezen aut, wat niet onmogelijk is bij de grote gelijkenis van de u en de n, en veranderde de schrijfwijze in oudt. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat Aurelius in 1517 de naam van de slag voor het eerst hoorde; zeer bekend zal die naam toen dus nog niet geweest zijn.

De bron van de Divisiekroniek was dus hier Johannes à Leydis, die zijn kroniek omstreeks 1490 geschreven moet hebben. Aangezien zijn relaas al in de vrij letterlijke vertaling van Cornelius Aurelius is geciteerd, hoeft alleen maar op een enkel verschilpunt te worden gewezen: Zo sprak Johannes nog slechts van Kennemers en Friezen als bondgenoten van Witte van Haamstede; de Waterlanders zijn van Aurelius afkomstig. De merkwaardige titel President van Vlaanderen heeft hij ook: Praeses Flandriae, een niet te identificeren functionaris. Ondanks deze verschillen op ondergeschikte punten is het verhaal in zijn volledige vorm dus in ieder geval terug te voeren tot ± 1490, of nauwkeuriger 1484-1494, een decennium waarin volgens mededeling van de auteur zelf de kroniek in tweede redactie is tot stand gekomen. De eerste redactie moet van vóór

[p. 41]

1469 dateren en is niet gedrukt; het handschrift ervan bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek te Leiden. Beide redacties zijn in de hier behandelde passage volkomen gelijk op één belangrijk verschil na. In de eerste versie komt de zinsnede over de naam van de slag niet voor: Die is de auteur in 1469 blijkbaar nog niet bekend.

We vervolgen de weg terug en ontmoeten ons verhaal weer, maar iets minder volledig, in de Chronica de Hollant et ejus comitatu, omstreeks 1480 bewerkt door een Anonymus Latinus1. Deze vertelt ons van Witte's aankomst in Haarlem, ‘ubi dissolvit vexillum ex parte Wilhelmi Comitis’. Kennemers en Friezen vallen hem bij ‘et clamabant: Laus Deo, quod sanguis proprius Hollandiae nobis advenit’. En terstond trok ‘Dominus Wit’ uit tegen de Vlamingen en toen hij kwam ‘prope Hyghedom, vel ut modo Hillegom prope Haerlem’, ontmoette hij een menigte Vlamingen, die allen werden gedood en beroofd; de buit werd opgetast en bleef achter: ‘Hoc signum erit ad demonstrandum eis, cum redierint, quid eis ibi accederit’. Witte gaat dan naar Leiden en Delft waar hij nog 500 Vlamingen doodt. Het is het nu reeds langzamerhand bekende verhaal; alleen de naam van de slag wordt in deze kroniek nog niet genoemd.

Gaan wij nu nog iets verder terug, dan komen we bij het Oude Goudsche Kroniekje van ± 1440,2 de oudste bron van de slag: ‘Hierna tooch Heer Wit van Haemstede mit eenen hoghen vloet ende seylde buyten om ende quam tot Santvoort ende tooch binnen Haerlem. Daer hij zijn bannier ontwant mitten rooden leeu ende seyde het was een groote schande dat men also tlant opgeven soude sonder slach of sonder stoot’. De Kennemers en de Friezen zijn van de partij, wanneer Witte oprukt tegen de Vlamingen, die hij ontmoette bij Lisse onder hun aanvoerder Severijn(?) van Vlaanderen. Witte behaalt op dit leger de overwinning. Typisch dat na de overwinning Witte van Haamstede, althans volgens deze schrijver, niet blijkt op te rukken in Zuidelijke richting naar de Hollandse steden. De steden namelijk komen in opstand naar aanleiding van de heuglijke mare en schijnen alles zelf verder te hebben afgekund; van grote moordpartijen in de steden wordt in dit bericht niet gesproken. Dit is het vroegste bericht dat wij over een bevrijdingsslag bezitten. In de kronieken die kort voor 1440 zijn voltooid is van iets dergelijks nog geen sprake, zodat we kunnen besluiten dat tussen 1440 en 1490 het verhaal

[p. 42]

van de Slag bij het Manpad is ontstaan. Hoe het precies is ontstaan blijft duister, al geloof ik wel er enig licht op te kunnen werpen. Het verhaal namelijk duikt niet geheel en al plotseling op, er zijn in de vroegere geschiedschrijving, misschien te beginnen met Melis Stoke zelf, enige aanloopjes te vinden.

Stoke sluit zijn relaas over de historie van het hele jaar 1304 af met de verzen: ‘Ende mosten Hollant aldus laten, dat si sciere hadden ghewonnen ende dat si niet behouden connen. Des hadden si scande ende onnere. Si verloren an desen kere scepe, have ende oec liede’. Het is een opmerking die op het totale krijgsbedrijf van het genoemde jaar betrekking heeft en zeker niet alleen slaat op de handelingen van Witte van Haamstede alleen. Een halve eeuw na Stoke schreef Beka zijn kroniek; hij is over 1304 helaas erg kort.1 Hij vermeldt dat Witte te Zandvoort kwam ‘per turbulentum aequor’ (= de hoge vloed uit de Goudse kroniek), dat hij gijzelaars heeft bevrijd en Vlamingen ‘sine numero’ heeft gedood. Kort en onvolledig dus, maar niet onbelangrijk voor de verdere evolutie van het verhaal. Weer 50 jaar later, rond 1400, is er een onbekende schrijver2, die Witte laat arriveren met een Hoecboot, een bestaand scheepstype. Hoe weet deze auteur van 1400 wat geen zijner voorgangers heeft geweten, n.l. het type schip waarop Witte uit Zierikzee is ontkomen? De verklaring moet worden gezocht in een aardige vergissing van de schrijver; we staan hier weer voor een leesfout, waaruit blijkt dat ook de middeleeuwers zelf wel eens last met het schrift hadden. In het in die dagen gebruikelijke schrift immers is niet veel verschil tussen de woorden hoechvloet en hoeckboet; en zo werd Beka's ruwe zee tot een scheepje. Maar hoe hij dan ook in Holland kwam, hij verjoeg de Vlamingen en achtervolgde hen tot in Leiden toe.

Weer 25 jaren gaan voorbij; de auteur van een van de vele vermeerderde en vertaalde Beka's3 heeft in 1425 veel moeite gehad met het Latijn. Witte kon, zegt hij, wegens een ‘verstormde zee’ niet in Zandvoort komen, kwam blijkbaar te Haarlem aan, bevrijdde de gijzelaars en hij en zijn medestrijders ‘sloegen die Vlamingen doot, waer dat syse vonden’. Van dit stadium tot de veldslag, de latere slag bij het Manpad, was het nog maar een klein stapje. We kunnen dus de groei van het verhaal van de slag wel enigszins volgen: De Vlamingen worden verjaagd, maar daarbij

[p. 43]

blijft het niet, ze worden verjaagd en gedood, nagezeten tot in Leiden toe, ja zelfs tot in Delft. Deze achtervolging zal, naar het oordeel der Middeleeuwers, het gevolg moeten zijn geweest van een slag en die slag moet noodzakelijkerwijs zijn geleverd tussen Haarlem en Leiden, eerst bij Lisse, toen bij Hillegom, toen bij het Manpad. Het is mogelijk dat een reeds bestaand Manpad, door zijn naam alleen heeft bijgedragen tot de uiteindelijke localisatie van de slag1.

 

Naar aanleiding van historie en historiografie thans nog een enkele opmerking. De eerste betreft Witte van Haamstede.

Deze hoofdrolspeler in het drama van 1304 was een zoon van Floris V bij een dochter van de Heer van Heusden. In 1299 was hij beleend met de heerlijkheid van Haamstede. Wanneer men nu de slag bij het Manpad als niet-historisch afwijst, wat dan te denken van het optreden van Heer Witte? Ik vermeldde al eerder dat Stoke's verhaal compositorisch merkwaardig is. Hij geeft een vrij uitvoerige beschrijving van Witte's aankomst en blijde intocht in Haarlem. Plotseling gaat hij dan over op een nieuw hoofdstuk: ‘Hierbinnen eist also ghevallen, dat te Delf keren begonde’, waarna een verhaal volgt van de opstand in de verschillende steden en daarbij speelt Witte van Haamstede geen enkele rol meer. Hij komt, in de beschrijving van Stoke, aan de hele bevrijding niet meer te pas. Stoke legt bovendien door het gebruik van het woord ‘hierbinnen’ geen causaal verband tussen de komst van de ridder en de stedelijke opstanden, die hij als min of meer gelijktijdig voorstelt. De Procurator is veel beknopter, maar suggereert hetzelfde. Bij Beka, wiens verhaal, hoe beknopt het ook is, bepaald fouten vertoont, zien we Witte voor het eerst meedoen aan de stedelijke acties; de gelijktijdige Clerc uten lagen landen volgt geheel de visie van Stoke en Willelmus Procurator. Pas sinds 1400, als het verhaal van het Manpad in de maak is, zien we ook de rol van Witte groeien, maar dan mogen we aan onze fantaserende bronnen geen feitelijke gegevens meer ontlenen. Laten we tot Stoke terugkeren en ons afvragen wat hij heeft bedoeld. Heeft Witte het sein tot een algemene opstand gegeven of niet? Antwoord op die vraag krijgen we van Melis Stoke niet. Gelukkig bestaat er een kroniek-fragment uit de jaren 1337-13502, dat m.i. wèl een bevredigend

[p. 44]

antwoord geeft: ‘Nochtans hadden si (d.w.z. de Vlamingen) al Hollant beset met haren volcke sonder Dordrecht ende Haerlem. Maer Delf begon de eerste were tegen die Vlaminghe, ende sloegense uter stede, ende die die banier in de hant nam ende diet begreep, Hier Ockenberg, ende riep dat gekrij Hollant, Hollant. Die Vlamingen liepen daer si mochten. Tot Leyden quam die mare dat tot Delf soo vergaen was. Daer toghen sy uyt ter Goude, ende hadden daer hoir ghisele. Heer Witte van Haemstede quam tot Haerlem, ende ontwont syn standaert, daer die rode leeuwe in stont’. Dit komt er dus op neer, dat Witte arriveert nà het uitbreken van de opstand. En wanneer we ons van de toestand goed rekenschap geven, moeten we de voorstelling van dit fragment toch wel als zeer aannemelijk beschouwen. Graaf Jan II, de eerste graaf uit het Henegouwse Huis, ligt zwaar ziek te Valenciennes. Zijn jonge zoon voert namens hem de regering, doch is ingesloten in Zierikzee; het gravenhuis wankelt. In die omstandigheden zou het een uiterst gevaarlijke politiek geweest zijn om een telg van het voorafgaande gravenhuis, en nog wel een zoon van de gevierde Floris V, naar Holland te sturen. Het zou erop neerkomen dat met iemand die inderdaad op aanhankelijkheid kon rekenen eigenlijk Holland en Friesland overleverde in de niet al te gegronde hoop dat hij die landen later weer zou overdragen aan Willem van Henegouwen. Dat zou toch al te roekeloos geweest zijn; Willem van Henegouwen zal heus niet onbekend zijn geweest met de usurpatorische neigingen die jongere gravenzoons in het verleden reeds dikwijls hadden vertoond. Kortom, de zending van Witte van Haamstede, zoals ons die door de vijftiende-eeuwers wordt voorgesteld, klinkt al te onaannemelijk. Veel redelijker is het m.i. dan ook de opvatting van de schrijver van het geciteerde fragment te aanvaarden: Witte arriveert, met een lastbrief van Willem III, wanneer de bevrijding van Holland reeds goed aan de gang is; hij kan dan later niet als Hollands held en bevrijder gaan optreden ten detrimente van het Henegouwse Huis. Als zodanig is hij door Willem III dan ook bepaald niet beschouwd; uit alles blijkt dat Witte van Haamstede na 1304 geen enkele rol in de landszaken heeft gespeeld. De indruk wordt zelfs gewekt dat hij uit, althans niet in de gunst was.

 

Het bovenstaande is niet meer dan het relaas van een historisch en historiografisch onderzoek, men zou kunnen zeggen van een routineonderzoek, dat tot dusverre tot een tamelijk negatieve uitslag heeft moeten leiden. De slag aan het Manpad, een gebeurtenis die een ieder

[p. 45]

zich herinnert temidden van het weinige uit de historie dat in ons geheugen is blijven hangen, is niet gestreden. Dit bracht de verplichting mee ons bezig te houden met de vurige held van de Blinkerd. De opvatting omtrent zijn rol moest wel gewijzigd worden en misscheen is zijn aureool er een beetje bleker van geworden. En dat is allemaal nogal spijtig.

Gelukkig is het mogelijk het einde van dit opstel in een iets positiever toon te stellen. Ik meen namelijk dat het onderzoek heeft geleid tot een resultaat van iets algemener strekking. De materie is echter van dien aard dat het niet mogelijk is er lang over uit te weiden. Na de lezer zo'n tijd al te hebben beziggehouden met het werken van de verbeelding in de geschiedenis, tenslotte dan nog iets over de geschiedenis van een gevoel, een geschiedenis die alweer met Melis Stoke begint.

Heer Witte is aangekomen in Holland, maar heeft zich nog niet bekend gemaakt. ‘Hi dede vraghen, hoet daer stonde, ende of men iet gheweten conde van wien men wilde houden tlant. Men antworde hem te hant: Sgraven behoef eest noch ghehouden; dans niet bi menichs man scouden, dat niet upghegheven en es’. Er blijkt in het graafschap een ontstellende lauwheid te heersen, maar dat is niet het enige dat ons opvalt. Belangrijker is de hele feodale terminologie, waarin dit gesprek zou zijn gevoerd. Stoke, in 1305, denkt zich blijkbaar de verhouding tussen vorst en volk nog zeer leenrechtelijk, een denkwijze die ook uit zijn voorrede blijkt. Nadat Witte zich bekend gemaakt heeft, is er uitbundige vreugde ‘recht alse lude pleghen, de haren here willen zien, ende hieten willecome’. De vreugde is hier dus beschreven als een gevoel van blijdschap bij het weerzien van een geliefde heer. Leuzen of bepaalde strijdkreten vinden we bij Stoke niet genoemd, het enige is de kreet der Schiedamse vrouwen die hun mannen tijdens de opstand aanvuren: ‘Loep an, loep ane! Slawi doet onse viande’. Afgezien van dit laatste is het relaas van Stoke koel. Vergelijken we dat eens met het verhaal zoals we het vinden bij een Johannes à Leydis uit het einde van de vijftiende eeuw of bij andere vijftiende-eeuwse geschiedschrijvers! Letten we bijv. op de grote rol toegekend aan de banier met de rode leeuw, wapen van het Hollandse gravenhuis, Witte's wapen ook (leeuw met rad op de schouder). Dit wapen was bekend, reeds lang was men gewend eronder ten strijde te gaan onder het roepen van Hollant, Hollant. Witte kwam aan, toonde zijn standaard; men zag het wapen van de heer en riep Hollant, Hollant, zegt zonder opsmuk en objectief constaterend de kroniekschrijver van de

[p. 46]

veertiende eeuw. Hetzelfde had in 1200 kunnen gebeuren. Witte van Haamstede doet niet anders dan zich bekend maken door het Hollandse wapen, zijn wapen, te tonen; het is een vanouds gebruikelijke methode. In de gang van zaken ligt niets uitzonderlijks, men zou kunnen zeggen dat het geheel past in de militaire en feodale techniek.

Maar het wordt anders! De lectuur van deze zelfde geschiedenis in de vijftiende-eeuwse kronieken zal een ieder ervan overtuigen. Het verhaal wordt gekleurd, verwarmd door het sentiment: Het gevoel, een soort nationaal gevoel of regionaal patriotisme klinkt in de beschrijving duidelijk door, terwijl de elementen waaruit zij is opgebouwd eigenlijk dezelfde blijven: Witte is nu iemand die Holland ‘geliden’ durft en daarvoor dankt men God (1425). ‘Laus Deo, quod sanguis proprius Hollandie nobis advenit’ heet het in 1480. ‘Lovende God, dat sy eenen hooftman hadden van den rechten bloede van Hollandt gekomen wesende’, zegt de Divisiekroniek in het begin van de zestiende eeuw. M.i. zijn er duidelijke aanwijzingen dat een ontluikend patriotisme zich van het verhaal heeft meester gemaakt. Maar de zaak mag en moet eigenlijk omgekeerd worden: De geboorte van het verhaal is voor een zeer groot gedeelte zelfs te danken aan dit ontluikend besef. De eerste manifestaties ervan zijn te dateren op ± 1400.

Dit laatste doet de vraag rijzen of het mogelijk is historiografische studies, zoals de onderhavige, dienstbaar te maken aan de bestudering van de geschiedenis van het nationaal besef. Er zijn natuurlijk andere methoden die ons die geschiedenis doen kennen. Het lijkt mij echter niet zonder belang daarbij de historiografie in te schakelen. Verschillende zogenaamd nationale gebeurtenissen uit de Middeleeuwen zouden in de middeleeuwse geschiedschrijving moeten worden gevolgd om te zien hoe zich het verhaal ontwikkelt. Ik neem aan dat het mogelijk is op deze wijze tussen het ‘feodale’ verhaal van Stoke en een duidelijk zichtbaar door het regionaal patriotisme van twee eeuwen later gekleurde beschrijving verschillende tussenstadia te ontdekken en te dateren, waardoor we een beter inzicht in de ontwikkeling van dergelijke gevoelens zouden kunnen verwerven. Wat nu immers in de handboeken over deze materie is te lezen is onbevredigend, want ongedocumenteerd, en tegenstrijdig. Een enkel voorbeeld. Volgens Blok doet de plotselinge verschijning van Witte van Haamstede de oude liefde tot het gravenhuis herleven. Geyl zegt: ‘De gevoelens van Hollands gewestelijk patriottisme die de nieuwe Henegouwse vorsten niet voor zich hadden kunnen winnen, worden opgewekt

[p. 47]

door Floris' V natuurlijke zoon, Witte van Haamstede’. Niermeyer vraagt zich af: ‘Voelde men de oorlog enkel als een vorstengeschil? Of was de gehechtheid aan het oude, nationale, gravenhuis overgebracht op de nieuwe dynastie?’1.

Zo loopt dit betoog dus uit op een pleidooi voor ‘het belangrijke van Hollands historiografie voor de geschiedenis van gevoel en verbeelding’.