Op 25 Juni 1953 overleed te Wilrijk bij Antwerpen, na een langdurige ziekte, Monseigneur Jules, Jozef, Paul, Maria van Nuffel.
Hij werd geboren op 21 Maart 1883 te Hemiksem, waar zijn vader geneesheer en burgemeester was. Hij studeerde aan het Klein, en later aan het Groot Seminarie te Mechelen, en werd op 25 Mei 1907 door Kardinaal Mercier tot priester gewijd. Reeds als seminarist werd het hem toegestaan, omwille van zijn buitengewone muzikale aanleg, zich verder te bekwamen in het orgelspel bij Oscar Depuydt, en in harmonie en contrapunt bij Edgar Tinel, de toenmalige directeur van het Lemmens Instituut. Later studeerde hij compositie bij baron J. Ryelandt te Brugge. Nog voor zijn wijding werd hij benoemd tot leraar in de muziek aan de afdeling Wijsbegeerte van het Klein Seminarie te Mechelen; van die datum af zou zijn gehele loopbaan zich in de aartsbisschoppelijke stad afspelen.
Na de dood van directeur Aloys Desmedt werd Jules Van Nuffel op 1 April 1918 benoemd tot directeur van het Lemmens Instituut, dat voortaan de naam Interdiocesaan Instituut voor Kerkmuziek zou dragen. Hij wist deze school, die tengevolge van de oorlog aan het kwijnen was gegaan, nieuw leven en bloei te schenken. Hij voegde aan het studieprogram een hogere afdeling toe, met o.m. cursussen in de muziekontleding en de koorleiding, de geschiedenis van de kerkmuziek. In 1925 doteerde hij het Instituut met een nieuw electrisch orgel, een der eerste in België. Het instrument werd in 1933 door de firma Klais uit Bonn omgebouwd: met zijn vier manualen en 66 registers overtreft het dat van alle Belgische conservatoria.
In 1916 had hij het St. Romboutskoor opgericht, waaraan hij een internationale faam zou schenken, om te voorzien in de dringende behoefte, de pontificale diensten op te luisteren. In 1926 werd hij benoemd tot ere-kanunnik van de St. Romboutskathedraal.
In zijn ijver voor de liturgische muziek nam Van Nuffel ook bedrijvig deel aan de St. Gregoriusvereniging, wier bestuurder hij werd in 1927 en wier werkzaamheid hij in 1938 geheel vernieuwde. Ook het tijdschrift MUSICA SACRA, orgaan van het Instituut en van de Vereniging, vond in hem een ijverig redacteur.
Als componist werkte hij mede aan de verjonging van de kerkmuziek
door een zestigtal werken, waarvan er veertig werden uitgegeven. Zij behelzen Vlaamse liederen, gelegenheidscantates, motetten en missen. Vooral moeten hier worden vermeld zijn befaamde Psalmen voor gemengd koor en orgel, en zijn drie TE DEUM's. Gedurende de oorlogsjaren 1940-'45 bracht hij, in samenwerking met professoren van het Instituut, de NOVA ORGANI HARMONIA tot stand, de harmonisatie in zeven bundels van al de gezangen uit het Graduale, ten behoeve van de begeleidende organisten.
In October 1933 werd kanuunik Van Nuffel aangesteld tot lector aan de Katholieke Universiteit te Leuven. Hij werd er belast met de Nederlandse cursus over de muziekgeschiedenis bij de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren. Sedert 1927 werden deze colleges in het Frans gegeven door Prof. Phil. Mousset. Bij diens overlijden in 1939 nam Van Nuffel ook de Franse cursus op zich.
Zijn colleges over de muziekgeschiedenis genoten weldra een bijzondere belangstelling. De kern van zijn onderwijs betrof steeds het contact met de kunstwerken zelf. Vele studenten werden ook aangetrokken door zijn kunstenaarstemperament en zijn faam als componist: deze lessen waren voor hen een verpozing na al te geleerde en dorre colleges.
De belangstelling, die hij aan de Universiteit wist te wekken voor de muziek, heeft ook geleid tot de oprichting van een volledige afdeling voor muziekwetenschap aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Hiertoe heeft Van Nuffel de grote stoot gegeven. 1 Thans doceren aan deze afdeling Prof. Dr. V. Denis en schrijver dezes. Door deze specialisatie in de muziekwetenschap kwam Leuven aan de spits te staan van de Belgische Universiteiten op dit gebied. Intussen was Kanunnik Van Nuffel in 1946, bij het jubileum van het St. Romboutskoor, verheven tot de waardigheid van Huisprelaat van Zijne Heiligheid. Met trots kon hij op de afgelegde weg terugblikken, toen in 1951 te Leuven de eerste doctorale promotie in de muziekwetenschap plaats vond.
Op het gebied van de muziekgeschiedenis heeft Van Nuffel zich een niet geringe verdienste verworven, door het initiatief te nemen voor de uitgave der werken van de Mechelse componist Philippus de Monte (1521-1603), keizerlijk kapelmeester te Praag, wiens roem zich met die van
Orlandus Lassus kan meten. Uitgaande van Dr. G. Van Doorslaer's studie ‘La vie et les oeuvres de Philippe de Monte’1 en in samenwerking met Prof. Dr. Ch. van den Borren, begon Van Nuffel in 1927 met het publiceren, in handige modern ingeklede afleveringen, van een reeks missen, motetten, geestelijke madrigalen, chansons en magnificats van deze in vergetelheid geraakte grootmeester onzer nationale toonkunst. Voor het opsporen der bronnen ondernam hij reizen in Duitsland, Oostenrijk, Tchecho-Slowakije en Italië. De musicologische voorarbeid: bronnenstudie, tekstcritiek en samenstelling der partituur, nam Van den Borren op zich; Van Nuffel voorzag de partituur van voordrachttekens voor de uitvoering en schreef de inleiding voor sommige afleveringen. In 1948, nadat de uitgave tengevolge van de oorlog was gestaakt, kon hij terugblikken op een reeks van 31 afleveringen, waarvan sommige ganse bundels motetten en madrigalen vertegenwoordigen2. Hij deed echter meer dan deze oude handschriften en drukken uit het stof der bibliotheken op te diepen en weer toegankelijk te maken. Met het St. Romboutskoor bracht hij jaar na jaar, op de hoogdagen, aesthetisch hoogstaande uitvoeringen van missen en motetten van de Mechelse meester, die door de toegestroomde muziekwereld, verrukt door de pracht van de pontificale diensten in de metropolitane kerk, telkens een openbaring waren. O.i. hebben deze uitvoeringen, vaak door de radio ook over de grenzen verspreid, de hergeboorte van de Monte's muziek in even belangrijke mate gediend als de uitgave van zijn werken. De geestdrift, die, bij de creatie van deze werken van Van Nuffel uitging, getuigt dat hij op die dagen zijn levensideaal in vervulling voelde gaan: de luister van de kerkmuziek herstellen in de moderne wereld. Niet alleen verrijkte hij hierdoor ons nationaal erfgoed en prikkelde hij de rechtmatige trots zijner stadgenoten over hun groot kunstverleden; maar hij leverde ook het bewijs, dat het Motu Proprio van Pius X over de kerkmuziek, door de herleving van de 16de-eeuwse polyphonie aan te bevelen, inderdaad de juiste weg had aangewezen.
In 1938, bij de stichting van de Kon. Vlaamse Academiën, werd Van Nuffel benoemd tot lid van de Klasse voor Schone Kunsten. Ook in de schoot van dit geleerde genootschap was hij een getrouw medewerker. Zijn tussenkomst op de zittingen en zijn werk in de Commissies getuigen
van het gezag, dat hij bij zijn collega's genoot. De Verslagen en Mededelingen bevatten verscheidene bijdragen van zijn hand: Philippus de Monte (17 Juni 1939); De gelijkzwevende en de ongelijkzwevende Temperatuur (16 November 1940); Dufay en zijn tijd (16 Juni 1945). In 1945 werd hij Bestuurder der Klasse voor Schone Kunsten en voor dat jaar ook Bestuurder van de gezamenlijke Academie.
Vanaf 1949 ging zijn gezondheid achteruit. Hij moest de vermoeiende leiding van het St. Romboutskoor overdragen aan Prof. J. Vijverman, die hem later als directeur van het Instituut zou opvolgen. Kort daarop bleek ook het voortzetten van zijn cursus te Leuven hem te zwaar. Hij bleef zich echter hardnekkig toewijden aan zijn Instituut, en het mooie studio van zijn woning te Mechelen bleef steeds gastvrij openstaan voor de velen, die zijn contact op prijs stelden. De wrede kwaal had echter ten slotte de overhand op zijn door overmatige arbeid verzwakt gestel, en hij moest naar het ziekenhuis worden overgebracht, waar hij na lange maanden verpleging op 25 Juni 1953 zacht de geest zou geven.
Het leven van Mgr. J. Van Nuffel heeft geheel in dienst gestaan van de luister van Gods Huis en de ijver voor de kerkmuziek. Hij was een sterke persoonlijkheid, een groot animator en een man van milde goedheid.
Hij was door de openbare besturen vereerd met de eretekens van Commandeur in de Kroonorde en Officier in de Leopoldsorde.
R.B. Lenaerts