|
|
|
| |
| | | |
Holger Pedersen
(Gelballe (Oost-Jutland), 7 April 1867 - Kopenhagen, 25 October 1953)
De deense taalkundige Holger Pedersen, die gedurende vele jaren hoogleraar in Kopenhagen is geweest, werd in het dorp Gelballe in Oost-Jutland, niet ver van de stad Kolding, geboren en bezocht de school in Ripen (deens Ribe) in West-Jutland. Deze twee steden zijn niet ver van elkander verwijderd - het is Jutland op z'n smalst - en ze waren allebei enkele jaren voor de geboorte van Holger Pedersen plotseling grenssteden geworden, toen Denemarken in 1864 het hertogdom Sleeswijk aan Pruisen had moeten afstaan. De sterke nationale gevoelens van Holger Pedersen staan vermoedelijk in verband met indrukken uit zijn prille jeugd. Weliswaar is hij gedurende het grootste gedeelte van zijn leven in nauw contakt gebleven met de duitse wetenschap en wel heeft hij zijn meeste geschriften in het Duits gepubliceerd, maar hij was nooit produits, en gedurende vier lustra na het uitbreken van de eerste wereldoorlog heeft hij zijn publicaties in andere talen laten drukken, tot door de samenwerking met de hethitoloog Albrecht Götze de duitse taal weer een natuurlijk middel van uitdrukking voor hem werd.
Afgezien van zijn proefschrift en een - uitmuntend - russisch leerboek voor studenten heeft hij slechts één boek in zijn moedertaal geschreven, het typische werk over de taalkunde van de 19de eeuw (Sprogvidenskaben i det 19. Aarhundrede, 1924); maar aan het belangrijke, tijdens de eerste wereldoorlog helaas verdwenen scandinavische tijdschrift Nordisk Tidsskrift for Filologi heeft hij wetenschappelijke opstellen gestuurd, en hij heeft niet zelden in populaire deense tijdschriften (ook school- en jeugdbladen!) en couranten iets van zijn reizen verteld of culturele en nationale vraagstukken behandeld. Hij was - zoals de meesten van zijn vooruitstrevende generatie - aanhanger van een verbeterde deense spelling, en hij was diep verontwaardigd, toen de wijziging, die in 1947 eindelijk kwam, niet in alle opzichten aan zijn wetenschappelijke eisen bleek te voldoen.
Dat Holger Pedersen in Jutland is opgegroeid, heeft veel voor hem betekend. In Denemarken verzetten de Jutten zich het meest tegen de culturele heerschappij van Kopenhagen, en ze zijn heel trots op hun eigen aard. Tegenwoordig is de nivellering voortgeschreden, maar een veertig jaar geleden spraken zelfs beschaafde mensen in de jutse steden nog altijd een sterk locaal getinte taal; zo ook Holger Pedersen. Ja, zijn uitspraak
| | | |
was soms voor de kopenhaagse studenten moeilijk te begrijpen: toen hij eens verklaarde, dat in een zo juist geëxpliceerde tekst het russische woord lošadka niet eenvoudig ‘klein paard’, maar ‘slecht paard, knol’ betekende, gebruikte hij daarvoor een woord kriek (met een roffelende dentale r en een i zo scherp als een zweepslag), waar wij het gewone deense krikke (met zachte huig-r en een doffe i) niet in herkenden. Gedurende de laatste decenniën van zijn leven heeft hij echter zijn uitspraak gewijzigd en heeft gewoon beschaafd Deens gesproken, met een lichte jutse tongval.
Zijn uiterlijk heeft eigenlijk altijd getoond dat hij uit een eenvoudig dorpsmilieu afkomstig was; met patriciërs voelde hij geen affiniteit. Maar hij was in alle opzichten een zo sterk intellect en hij had een zo krachtige wil, dat hij onberispelijk en met ere de hoge posities heeft bekleed tot welke hij is opgeklommen: hij is rector van de Universiteit van Kopenhagen geweest (hetwelk in Denemarken meer betekent dan in de meeste landen) en president van de deense Academie van Wetenschappen, en hij heeft de heel hoge onderscheiding van het Grootkruis van de Dannebrogsorde ontvangen. Hij was doctor honoris causa aan negen universiteiten en lid van vele geleerde sociëteiten (sedert 1914 van onze Maatschappij). Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd hem door een internationale kring van geleerden een gewichtige feestbundel, Mélanges linguistiques, aangeboden.
Zijn vader was onderwijzer, en Holger Pedersen heeft onbetwistbaar paedagogische aanleg getoond: hij heeft altijd dat gegeven wat voor de studenten essentieel was, hij heeft in zijn colleges noch stokpaardjes bereden noch door een geestrijk betoog willen uitblinken. Tegenover zijn leerlingen was hij zacht en vriendelijk en hij heeft veel gedaan om aan de behoeftigen onder hen beurzen te verschaffen, maar indien hij oppervlakkig vertoon vermoedde, wilde hij dat, zelfs na vele jaren, niet vergeven. - Ik verraad nauwelijks een vakgeheim, wanneer ik erken, dat sommige hoogleraren niet zo precies zijn met het begin en misschien nog minder met het afsluiten van hun colleges. Niet aldus Holger Pedersen: hij begon stipt 1 1/2 minuut na het kwartier en verliet 45 minuten later de katheder weer. Hij was vastberaden en trouw, erkentelijk jegens zijn school, zijn jeugdvrienden en zijn leraren.
Onder hen zijn bijzonder vooraanstaande geleerden geweest: de comparatist Vilhelm Thomsen, de slavist Karl Verner, de runoloog Ludvig Wimmer, de germanist en semitist Herman Möller. Hij is b.v. trouw gebleven aan de - misschien juiste! - conceptie van Wimmer over de oor- | | | | sprong van de runen en aan de ideeën van Möller over indogermaanse laryngalen en over een genetische samenhang tussen het Indogermaans en het Semitisch. Hij heeft zijn gedachten zorgvuldig opgebouwd en fel verdedigd. Maar hij heeft - in tegenstelling tot wat de meesten hebben vermoed - meestal weten te scheiden tussen persoonlijke vijandschap en wetenschappelijk verschil van mening. ‘Après moi le déluge’ heeft hij gezegd, toen hij van de universiteit afscheid nam en wist, dat zijn geliefd vak, de indogermaanse taalgeschiedenis, nu in Kopenhagen haast niet meer zou worden beoefend. Maar dat heeft hem niet belet om jegens zijn opvolger, de structuralist Louis Hjelmslev, vriendschappelijke gevoelens te koesteren en daar ook uitdrukking aan te geven.
Zijn handschrift was mooi, hij gebruikte geen schrijfmachine, evenmin had hij een secretaris: brieven beantwoordde hij persoonlijk en zorgvuldig, maar hij had le talent de la brièveté. Zijn betoog in een academische verhandeling was weliswaar niet luisterrijk, het was echter onovertrefbaar in pittige duidelijkheid.
Hij maakte de indruk onpractisch te zijn, maar was het niet. De meesten, die hem kenden, zouden denken, dat hij alleen achter een schrijftafel of tussen boeken thuisbehoorde, maar Holger Pedersen heeft lange en moeilijke studiereizen gemaakt en onder primitieve toestanden weten te leven, b.v. in Lithuanië, in Albanië en op de Araneilanden. Zijn taalkennis was buitengewoon, en hij stelde aan zich zelf grotere eisen dan aan anderen. ‘Pas nadat je 500 bladzijden hebt gelezen, begin je taalgevoel te krijgen’. In alle klassen van de indogermaanse talen bezat hij zelf practische taalkennis. Talen als Armeens of Albanees heeft hij niet alleen gesproken maar kunnen schrijven. Zijn uitspraak was uiterst verzorgd. Hij heeft ook zijn taalkennis systematisch bijgehouden; iedere Vrijdagochtend las hij b.v. Fins. Maar hij heeft niet onnodig gepraat - in Dublin zei men van hem en een groot Iers geleerde, dat die twee in alle keltische tongvallen konden zitten zwijgen.
Het hoofdwerk van Holger Pedersen is zonder twijfel zijn behandeling van de keltische talen, vooral in drie boeken te vinden: Aspirationen i Irsk (1897, proefschrift), Vergleichende Grammatik der keltischen Sprachen (1909-13), A Concise Comparative Celtic Grammar (met Henry Lewis samen, 1937); het jongste onder deze drie werken heeft de twee oudere niet volkomen overbodig gemaakt. Ze zijn alle in drie karakteristieke opzichten volmaakt: in de beschrijving van de toestand van de enkele tongvallen, in het aantonen van hun onderlinge samenhang en in het inpassen
| | | |
in het kader van de indogermaanse talen. Het valt nauwelijks te loochenen dat hij - om een benaming te gebruiken die een halve eeuw lang een scheldwoord is geweest - ‘Junggrammatiker’ was. Historische klankleer en morphologie en (heel sterk!) etymologie hebben zijn bijzondere aandacht getrokken, syntaxis of lexicographie of de banden tussen cultuur en taal veel minder, wijsgerige taalkunde helemaal niet. Maar, bij alle eerbied tegenover zijn leermeesters, was hij een heel oorspronkelijke geest.
Op het gebied van de slavistiek heeft hij geen groot boek geschreven, maar zijn - reeds in 1893 geschreven - zeer gewichtige opstel ‘Das indogermanische s im Slavischen’ heeft in vele opzichten de grondslag gelegd voor de latere opvatting van de slavische klankleer. De ingewikkelde geschiedenis van het Armeens heeft hij waarschijnlijk meer verduidelijkt dan iemand anders (met uitzondering van de ‘ontdekker’ Hübschmann), vooral door Les pronoms démonstratifs de l'ancien arménien (1905) - een bijzonder rijk boek dat van alles en nog wat in de indogermaanse taalgeschiedenis nieuwe en verrassende inzichten brengt. Ook tot de kennis van het Albanees heeft hij veel bijgedragen.
Heel vroeg al overschrijdt hij de grenzen van de van ouds bekende indogermaanse talen, zo in een opstel over het Lykisch van 1898. Dit zou een lievelingswerk van zijn ouderdom worden. Maar ofschoon het Tochaars in 1908 was ontdekten het indogermaans karakter van het Hethitisch in 1915 door Hrožny was aangetoond, moesten decenniën voorbijgaan, voordat voldoende teksten bekend werden. Zo komt het dat Holger Pedersen in zijn gedurende de jaren direct na de eerste wereldoorlog verschenen belangrijke bijdragen tot zijn centrale werkgebied, de algemene indogermaanse taalgeschiedenis - b.v. La cinquième déclinaison latine, 1925 - van de ‘nieuwe’ talen nog maar heel schuchter gebruik maakt. Maar gedurende de laatste twintig jaren van zijn leven heeft hij zich het meest met deze talen beziggehouden. De twee hoofdwerken zijn Hittitisch und die anderen indoeuropäischen Sprachen (1938) en Tocharisch vom Gesichtspunkt der indoeuropäischen Sprachvergleichung (1941). De titels zijn karakteristiek, vooral de eerste: programmatisch tegen een theorie van Sturtevant gekant. In Lykisch und Hittitisch (1945) sluit hij onmiddellijk bij het bovengenoemde werk van zijn jeugd (en nagelaten studies van Vilhelm Thomsen aan). Opvallend is in deze werken - zoals trouwens altijd bij hem - enerzijds zijn soberheid, de energie waarmede hij de beschrijving van feiten nastreeft, anderzijds zijn associatievermogen: hoe hij de nieuwe feiten aan van ouds bekende verschijnselen vastknoopt en zodoende de
| | | |
‘nieuwe’ talen uit hun schijnbare geïsoleerdheid trekt om ze in de kring van de ‘oude’ talen te plaatsen.
Dit was mogelijk voor hem, omdat door de ‘nieuwe’ talen, vooral door het aloude Hethitisch, de juistheid is gebleken van theorieën, die in zijn jeugd door slechts weinig anderen werden verdedigd, b.v. de laryngaaltheorie van de Saussure en Herman Möller, die door Holger Pedersen zelfstandig en eenvoudig verder uitgewerkt is.
Met geniale voorbarigheid had Herman Möller gemeend een genetische verwantschap tussen het Indogermaans en een oersemitische taal te kunnen aantonen. Holger Pedersen is, naast de gelovige Cuny en de sceptische Sarauw, een van de weinigen geweest, die voldoende kennis bezaten, om deze grootse gedachte juist te kunnen waarderen en kritiseren (Die indogermanisch-semitische Hypothese und die indogermanische Lautlehre, 1908). Hij heeft - zoals ook anderen, b.v. Collinder - de hieraan parallel lopende gedachte van een verwantschap tussen het Indogermaans en het Fins-Oegrisch onderzocht en is langzamerhand, met zekere reserves, tot een positief resultaat gekomen (Zur Frage nach der Urverwandtschaft des Indoeuropäischen mit dem Ugrofinnischen, 1933). Ja, hij heeft zelfs voor deze drie grote taalgroepen (en misschien een of andere taalgroep in Azië) de term ‘nostratische talen’ geschapen, om aan te geven, dat wij hier, te midden van de talloze talen op aarde, een reeks van talen hebben, die, misschien door oude genetische verwantschap, nauwer dan andere met de onze samen hangen. Een werkhypothese, die meer dan hypothesen van een nog grotere samenhang de mogelijkheid heeft om voor de internationale taalkunde vruchtbaar te zijn en te blijven. Buiten de kring van de ‘nostratische talen’ zijn de studies van Holger Pedersen zelden getreden; een geleerde als C.C. Uhlenbeck heeft hij ten zeerste gewaardeerd, maar op zijn gedachten is hij niet nader ingegaan.
Niet alles wat Holger Pedersen heeft vermoed, zal blijken juist te zijn. Maar tot nog toe ervaart men, dat het gevaarlijk is zijn resultaten zonder diepgaand onderzoek af te wijzen. Hij was een zoon der aarde, die in de sterrenwereld van de talen het verleden en de toekomst heeft weten te ontwaren.
L.L. Hammerich
|
|
|