terug  begin  verder
[p. 80]

Maria Simon Thomas
(Rotterdam, 16 september 1901 - Amsterdam, 22 november 1955)

Maria Simon Thomas werd geboren in Rotterdam, in deze stad bezocht zij de lagere school en het Erasmiaans gymnasium. Na een welgeslaagd eindexamen in 1919, ging zij een jaar naar het buitenland. In 1920 werd zij ingeschreven aan de Universiteit te Utrecht in de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte. Daar het oude Academische statuut nog van kracht was, viel het accent op de letteren, geschiedenis was bijvak. En juist de geschiedenis had haar voorkeur. Het statuut van 1921 opende nieuwe en wijdere perspectieven, de geschiedenis werd van bijvak haar hoofdvak, dit betekende echter niet dat de jonge studente aan de Nederlandse taal en letteren haar belangstelling onttrok. Maria Simon Thomas paarde aan een uitnemend verstand een warme liefde voor de studie, die zij ook in de bijvakken ruim opzette.

Maar de studente studeerde niet alleen, zij gaf ook en graag haar tijd aan het verenigingsleven en bekleedde verschillende bestuursfuncties in de U.V.S.V. en haar subverenigingen. In later jaren bleef zij een belangstellend honorair in het wel en wee van haar oude ‘Club’. De vriendschapsbanden aangeknoopt in de studente-jaren bleef zij aanhouden, want trouw was een sterke karakter-eigenschap van haar. Haar vriendschap werd gekenmerkt door trouw, hartelijkheid en bereidheid tot helpen, daar waar het nodig was. Bovendien had zij een onfeilbaar geheugen voor alles wat haar familie en vrienden aanging en een levendige belangstelling in hun lotgevallen.

Na in 1930 het doctoraal-examen in de letteren en wijsbegeerte met hoofdvak geschiedenis te hebben afgelegd, maakte Maria Simon Thomas een reis door Nederlands-Indië, waarna zij zich te Amsterdam vestigde en werkzaam was aan het Lichtbeelden-Instituut aldaar. Zij verzorgde hier de collectie-Indië en later de foto's en lichtbeelden betrekking hebbende op IJsland. Tevens ging zij werken aan haar proefschrift. Een reis over IJsland en het contact met Professor dr. A.G. van Hamel en Mejuffrouw dr. A. Kersbergen brachten haar op het denkbeeld een studie te wijden aan de handelsbetrekkingen van IJsland en Holland. Op 5 juli 1935 promoveerde Maria Simon Thomas cum laude aan de Utrechtse Universiteit op een proefschrift getiteld: Onze IJslandsvaarders in de 17e en 18e eeuw. Bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandsche handel en visscherij. Een kloek deel verlucht met talloze afbeeldingen en oude kaarten was

[p. 81]

het resultaat van enige jaren uiterst nauwgezet speurderswerk in de archieven in 's Gravenhage, Amsterdam, Den Briel, Kampen, Maassluis, Rotterdam, Vlaardingen en Zierikzee, maar ook in Kopenhagen, Stockholm en Reykjavik.

Maria Simon Thomas promoveerde bij Professor dr. G.W. Kernkamp en schreef: ‘Hooggeachte Promotor.. het moge U een voldoening zijn, dat de onderzoekingen, die Gij 35 jaar geleden in de Scandinavische archieven hebt ingesteld, mij van den beginne af aan hebben gesteund’. Even verder spreekt zij van het baanbrekende werk van haar promotor. Maar niet alleen de meester, ook de leerlinge verrichtte baanbrekend werk. Met name noem ik hierbij het minutieuze onderzoek dat zij heeft ingesteld en laten instellen in de notariële archieven in Amsterdam en Rotterdam. Haar parool was: ‘niets verwaarlozen’. Door de notariële archieven kreeg zij de beschikking over een zeer belangrijk materiaal aan personalia, die haar onontbeerlijk waren. Zij verklaarde immers: ‘Het ontbrak niet aan bronnen, die mij inlichtingen verschaften over de diplomatieke verwikkelingen, die, nu eens van meer, dan weer van minder beteekenis, tengevolge van den verboden handel of visscherij waren ontstaan, maar hiermede was slechts één zijde en zeker niet de meest levende van het verkeer van de Republiek met IJsland belicht’. Het waren de notariële archieven, die haar het levende materiaal gaven, waarnaar zij zocht. Zij wilde mensen zien. Zij wilde de walvisvaarders, de jagers, de vissers en de kooplieden aan het werk zien en het is haar gelukt. Haar boek geeft een boeiend verhaal van jacht, handel en visserij. Het is een stuk economische geschiedenis, gezet tegen de achtergrond van politieke verwikkelingen. Maar bovenal is het een relaas van mensen. Zij gaan voor ons leven de valkenvangers, de vissers, de schippers, de smokkelaars en kooplieden. Na twee inleidende hoofdstukken over de IJslandse handel tot 1602 en het Deense handelsmonopolie (1602-1787) worden achtereenvolgens behandeld: valkenvangst en valkeniers; de walvisvaart; vrachtvaart en handel; de kabeljauwvisserij. Nu is Maria Simon Thomas in haar element. Zij tovert uit tal van notariële acten en andere archivalische gegevens een zeer levendig beeld te voorschijn. Dat de doctor in spé niet alleen belangstelling had voor de aardige karakteriserende détails, maar ook voor de politieke achtergrond bewijst het hoofdstuk: ‘de Strijd over het Dominium Maris (1740-1742).’ In haar proefschrift toonde Maria Simon Thomas zich een gedegen historica met speurzin en gevoel voor détail èn grote lijn. Bovendien gaf zij blijk een

[p. 82]

goed schrijfster te zijn. Dit alles zou niet onopgemerkt blijven.

Na haar promotie bleef Maria Simon Thomas nog korte tijd werkzaam op het Lichtbeelden-instituut, terwijl zij in 1936 als secretaresse van de technische leider Ds. Frits Kuiper een werkzaam aandeel had in de voorbereiding en administratie van het Algemeen Doopsgezind Congres in Amsterdam, Elspeet en Witmarsum (29 juni-3 juli). Maar ook, hoe kon het anders, werd voor historische arbeid een beroep op haar gedaan. De Commissie voor Zeegeschiedenis van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen droeg haar op een Nederlandse uitgave samen te stellen uit het Duitse manuscript van de marine-historicus Dr. Friedrich Graefe over De Kapiteinsjaren van Maerten Harpertszoon Tromp. Het was niet alleen een vertaling, het was veeleer een bewerking en daarnaast een zorgvuldige collationering van de vele 17e eeuwse citaten, die zij gaf. Het boek zag in 1938 het licht. Spoedig daarna kwam het tot besprekingen met het Historisch Genootschap. In december 1940 aanvaardde Dr. Simon Thomas de taak van assistentie te verlenen aan Dr. J.C. Westermann bij de door het Historisch Genootschap voorgenomen brievenuitgave uit het in Leiden berustende archief van Daniël van der Meulen (1584-1600). Dr. Simon Thomas belastte zich met het afschrijven der laat zestiende-eeuwse brieven en het registreren hiervan.

Het jaar 1940 was een smartelijk jaar voor Maria Simon Thomas door het sneuvelen van haar jongste broer, met wie zij steeds zeer verbonden was geweest. In dit grote leed en in de moeilijke oorlogsjaren was haar het werken aan de brieven uit het archief-Van der Meulen een troost. Zij las brieven van mensen die ook te lijden hadden van vreemde overheersing en die veelal als Antwerpenaars hadden moeten uitwijken. Zij schreef hiervan: ‘Er was zoveel overeenkomst bij zoveel verschil; ons land herbergde toen, evenals de Republiek vroeger, immigranten met hun verlangen en heimwee. De groeiende moedeloosheid onder de burgerij van Antwerpen, het reikhalzend uitzien naar hulp van overzee, hebben wij haar ook niet gekend? De verzuchting waarom Europa toch niet als één man opstaat tegen den dwingeland, die reeds jaren te vuur en te zwaard de eertijds bloeiende gewesten verwoest, de meer dan eens door geruchten verwekte verwachting dat het met den Koning van Spanje ten einde loopt... dat er een betere tijd voor de Christenheid zal aanbreken, hebben wij in de oorlogsjaren niet ook zo gevoeld, gedacht en gehoopt?’

Door het ontijdig overlijden van Dr. Westermann werd in mei 1946 de gehele verzorging der uitgave aan Dr. Simon Thomas opgedragen. Had

[p. 83]

zij zich aanvankelijk vooral bezig gehouden met het lezen en copiëren der brieven, thans moest zij zich ook voorbereiden op de inleiding en annotatie der uitgave. Zij begon met zich op de hoogte te stellen van de litteratuur over Daniël van der Meulen en zijn correspondenten. Zij had dit, zoals zij zei, ook nodig omdat zij de gebeurtenissen al te zeer als ‘immigrant’ bezag, want: ‘men gaat niet ongestraft jarenlang met Van der Meulens, Della Failles en Schotten om zonder onder invloed van hun gedachtenwereld te komen’. Dit zich vereenzelvigen, dit meeleven met de brief-schrijvers was een typische eigenschap van deze historica. De belangstelling, die het wel en wee van verwanten en vrienden haar inboezemde, heeft zij geheel overgebracht op de objecten van haar studie. Zij heeft in de jaren dat zij aan de Van der Meulen-uitgave werkte, zich een nieuwe vrienden-kring geschapen in de 16e eeuwse Antwerpense immigranten, met wie zij even hartelijk meeleefde als met de mensen uit eigen tijd. Dr. Simon Thomas benaderde het verleden door en in de personen en hun dagelijkse besognes. Vandaar dat ieder détail voor haar van belang was en haar onderzoekingen zich steeds verder uitstrekten. Zij deed uitvoerige naspeuringen in het stedelijk archief te Antwerpen naar ouders en voorouders van Daniël van der Meulen en zijn vrouw Hesther della Faille, naar hun Antwerpens milieu en dat van de voornaamste correspondenten, in de eerste plaats de oudere broer Andries, schepen van Antwerpen. Dr. Simon Thomas kwam in contact met Baronne Antoine della Faille d'Huysse in Brussel, welke de familie-archieven van de drie nog bestaande takken der Della Failles onder haar berusting heeft. Daar de Baronne bezig was met het schrijven van een aantal biografieën van de Della Failles tot 1830, kwam het tot een vruchtbare uitwisseling van gegevens.

Het eigenlijke archief van Daniël Van der Meulen beslaat de jaren 1584-1600. In een lezing gehouden op het Philologen-congres te Groningen in april 1950 sprak Maria Simon Thomas: ‘Van het ogenblik af dat de nog geen dertigjarige Daniël van der Meulen als gedeputeerde voor Brabant ter Staten-Generaal binnen Delft verscheen tot zijn dood in 1600, vermoedelijk door de pest, heeft hij met prijzenswaardige nauwgezetheid alles bewaard wat hem aan brieven en papieren in handen kwam’. Daniël van der Meulen was koopman en het zijn de koopmans-brieven, inzicht gevende in het vroeg-kapitalistische zakenleven, die het eerst de aandacht trokken. Daar echter bleek dat de koopmans-brieven slechts door de familie-brieven te begrijpen waren, terwijl een scheiding tussen de twee

[p. 84]

soorten brieven dikwijls moeilijk vol te houden was, werd besloten een algemene chronologische uitgave voor te bereiden. Aan de eigenlijke brieven-publikatie zou een inleidend deel voorafgaan. Behalve een toelichting op de komende delen zou Maria Simon Thomas hierin de geschiedenis van het archief en die van Daniël van der Meulen en zijn verwanten geven. Reeds was een groot deel der Inleiding geschreven, ja bijna persklaar, toen de verraderlijke ziekte haar begon te besluipen. Hevige rugpijnen en een onoverwinbare moeheid maakten haar het werk onmogelijk. Noodgedwongen moest zij rust nemen, zij hoopte voor korte tijd om daarna met vernieuwde moed verder te kunnen gaan. Het heeft niet mogen zijn. Maria Simon Thomas heeft de vrucht van haar arbeid niet mogen zien. Een ander zal haar werk moeten voortzetten. Veel waardevol materiaal ligt te wachten. Hierbij denk ik aan het trouw bijgehouden Glossarium. Zij schreef hiervan: ‘oorspronkelijk opgezet als verklarende woordenlijst, maar al werkende uitgebreid tot een zakenregister. Het bevat de meest voorkomende Italiaanse, Spaanse en oud-Franse woorden en hun verbasteringen, plaatsnamen met hun verklaring; practisch alle waren en goederen met de prijzen per gebruikelijke hoeveelheid; stoffen als zijde, linnen, laken, e.d. met de technische termen van de bereiding; kruiden en medicijnen, eetwaren en planten; alle voorkomende geldsoorten met hun koersen in de opeenvolgende jaren. Door opneming van tekenende uitdrukkingen en zegswijzen ontstond een overzicht van de taal die tot een bepaald sociaal milieu hoort’.

Maria Simon Thomas ging heen een grote leegte achterlatende in de kring van familieleden en vrienden, want zij had een zeer aparte plaats. Maar ook in die der historici laat zij een leegte. Haar voorliefde in de geschiedenis voor de individuele mens in zijn leven van alledag gaf haar een eigen aanpak en juist daardoor bracht zij veel waardevols bijeen. Onnodig te zeggen dat zij hiertoe in staat was door grote vakkennis, helder inzicht en zeldzame nauwgezetheid.

 

M. Elisabeth Kluit

terug  begin  verder