Joseph Cochez werd geboren te Eksaarde (Oost-Vlaanderen - België) op 28 maart 1884. Grieks-Latijnse Humaniora deed hij aan het St.-Barbaracollege te Gent, en reeds toen gaf hij blijken van een meer dan gewone begaafdheid voor de oude talen. Hij studeerde Wijsbegeerte en Theologie aan de bisschoppelijke seminaries te Sint-Niklaas en te Gent, en werd tot priester gewijd op 2 september 1906.
Om zijn uitzonderlijke hoedanigheden werd hij in 1905 door zijn bisschop naar de Universiteit te Leuven gezonden om er klassieke filologie te studeren. Hij werd ‘summa cum laude’ gepromoveerd tot doctor in de wijsbegeerte en letteren in 1909 op een proefschrift betiteld: L'Un, principe suprême dans la philosophie de Plotin. Door deze filosofisch-filologische studie, voltooid onder de leiding van de professoren De Wulf en Remy, was hij erin geslaagd een nauwkeurig antwoord te geven op de twee vragen betreffende de volgorde van Plotinos' Enneaden en de evolutie van zijn filosofische gedachte.
Joseph Cochez had zich al dadelijk laten gelden als een veelbelovend jong geleerde. In 1910 werd hij uitgeroepen tot eerste laureaat in de door de Regering uitgeschreven wedstrijd voor reisbeurzen.
Na zijn studiën aan de Universiteit werd hij tot leraar benoemd aan het bisschoppelijk college te Ronse. De hem toegekende reisbeurs deed hem in 1910 een eerste maal zijn leraarschap onderbreken. Hij trok naar Parijs, naar Rome, naar Griekenland en naar Berlijn waar hij de colleges volgde van Wilamowitz, Harnack, Heinze en Norden.
Ondertussen vergat hij Plotinos niet; hij publiceerde nog twee artikels1 en een uitgebreide, merkwaardige studie, L'Esthétique de Plotin, waardoor hij in 1912 de eerste prijs behaalde in de Universitaire wedstrijd door de Regering uitgeschreven.2
Hij kwam terug naar het college te Ronse, maar wederom niet voor lang. Toen, in augustus 1914, de eerste wereldoorlog uitbrak, trok hij op als oorlogsvrijwilliger; hij werd aangesteld tot aalmoezenier van de
‘King Albert's Hospitals’ te Londen. Toen de oorlog beëindigd was, bleef hij nog tot in 1920 legeraalmoezenier bij het Belgisch bezettingsleger in Duitsland.
Na de demobilisatie hervatte hij zijn lessen aan het college te Ronse en zijn wetenschappelijke bedrijvigheid. Hij publiceerde enkele artikels over Homeros, de Ilias en de Mykeense beschaving, en koos daarin een duidelijke en oorspronkelijke positie in het probleem over auteur en chronologie van de homerische gedichten.3
In 1921 begon de Katholieke Universiteit te Leuven, onder de stuwing vooral van Kan. Prof. J. Sencie, sommige colleges te vernederlandsen. Voor de eerste Nederlandse leerstoel van Latijn werd door de academische overheid beroep gedaan op Joseph Cochez; hij werd tot professor benoemd aan de Faculteit van de Wijsbegeerte en Letteren in 1921.
Het kon verwondering wekken dat men voor Latijn beroep deed op iemand die tot dan toe zich in de Griekse literatuur had gespecialiseerd. Maar Joseph Cochez was degelijk voorbereid tot zijn nieuwe leeropdracht: zijn vele studiereizen, zijn bekendheid met de betreffende literatuur, zijn brede wetenschappelijke belangstelling, zijn solide eruditie, zijn grondige kennis van de klassieke oudheid hadden hem geschikt gemaakt voor de belangrijke opdracht waarmee hij werd belast.
Van meet af bevestigde hij zijn meesterschap, en zijn gezag is steeds groeiende gegaan tijdens de vijfendertig jaren van zijn professoraat.
Toen Joseph Cochez te Leuven benoemd werd, was het Frans de taal waarin het universitair onderwijs in België gegeven werd. Joseph Cochez was de eerste die Latijn in het Nederlands zou doceren. Hij was zich er dan ook diep van bewust dat hij de initiator moest zijn van een nieuwe traditie, en dit besef van zijn zware verantwoordelijkheid heeft steeds zijn professoraat geleid.
Hij wilde zijn Vlaamse studenten, classici, juristen, romanisten, historici, opleiden en bekwamen tot echt wetenschappelijke arbeid in het Nederlands, en het is zijn grote verdienste geweest daarin te zijn geslaagd.
Zijn professorale opdracht was uitermate zwaar, en werd met de jaren zwaarder, vooreerst door de belangrijke cursussen waarvan hij geleidelijk aan de titularis werd: verklaring van Latijnse schrijvers zowel in de candidaats- als in de doctoraats- of licentiejaren, encyclopedie van de
klassieke filologie, filologische oefeningen over het Latijn, geschiedenis van de Latijnse literatuur, Griekse en Latijnse paleografie, - maar ook door het gestadig aangroeien van het aantal studenten, classici vooral, die hij, als de ‘latinist’, te leiden had: van meer dan honderd proefschriften is hij de promotor geweest.
Deze opvatting van zijn professoraat was ook beslissend voor zijn verdere publicaties. Nog éénmaal schreef hij over Plotinos;4 al wat hij daarbuiten publiceerde, was hem geïnspireerd door de pedagogische kommer die zijn oorsprong vond in de opdracht die hem in 1921 werd toevertrouwd.
Hij oordeelde, terecht, dat men voor een degelijke kommentaar moet kunnen beschikken over een korrekte tekst. Daarom trok hij geregeld, tijdens de grote vacantie, naar Italië om er in de Vatikaanse bibliotheek of in de Laurentiana of elders de handschriften van de werken die hij in zijn colleges zou verklaren, na te pluizen. Zo was ook zijn eerste werk de uitgave, voorzien van het nodige kritisch apparaat, van Ciceros Pro Sulla.5
Om zijn studenten in te wijden in de Paleografie, gaf hij, in samenwerking met zijn collega Prof. T. Lefort, een Paleografisch Album uit van Griekse handschriften.6
Hij bezorgde eveneens een zeer verdienstelijke inleiding tot de
klassieke filologie in een brochure die hij, in samenwerking met Prof. J. Vergote, een van zijn oudleerlingen, publiceerde.7
De vernederlandsing van het hoger onderwijs stelde hem nog voor een andere zware moeilijkheid: er was in Vlaanderen geen Nederlandstalig wetenschappelijk tijdschrift voor klassieke filologie. Prof. Cochez waagde het, in 1929, een eigen tijdschrift te stichten, Philologische Studiën, waarin ook zijn collega's en de beste onder zijn studenten de resultaten van hun opzoekingen konden publiceren. Spijt de inspanningen van zijn stichter moest dit tijdschrift ten gevolge van de oorlog ophouden te verschijnen.8
Hij heeft in zijn lange carrière vele werken van Latijnse auteurs verklaard, maar zijn voorkeur ging toch spontaan naar de dichters, inzonderheid Vergilius en Horatius, omdat hij zelf een zeer gevoelige, dichterlijke aanleg had9 en als bij intuïtie de poëzie aanvoelde van de gedichten die hij verklaarde. In deze exegese gaf hij dan ook een toepassing van de ‘genetische methode’, d.w.z. de verklaring van een letterkundig werk door het naspeuren van de ‘genesis’, van al de omstandigheden waarin dit werk ontstaan is, zoals hij dat deed voor sommige oden van Horatius.10 ‘Meent niet,’ zegt hij, ‘dat ge ooit het gedicht zult verstaan met het spraakkundig, stylistisch en logisch te ontleden of ook met het te vertalen. Ontleding is dikwijls ontlijving en vertaling verraad.’ Hij is wellicht soms te ver gegaan in de konkrete toepassing van zijn principe; hij was echter wijs genoeg om niet te verdwalen, en bovendien hechtte hij het nodige belang aan de spraakkundige kommentaar en aan de stylistische verklaring; maar zijn poëtische intuïtie voerde hem verder, voorbij de ‘materiële’ verklaring van de tekst, tot het volledig harmoniëren met het dichterlijk gemoed van Vergilius of Horatius.
Met de jaren was Prof. Cochez de beroemde latinist geworden, op
wie voortdurend beroep gedaan werd wanneer er een Latijnse oorkonde moest opgesteld worden, of een huldeadres, of een inscriptie b.v. op een ‘lapis primarius’. Honderden teksten heeft hij zo vervaardigd voor de Universiteit of voor anderen, steeds met een elegantie, een oratorische zwier of een dichterlijke innigheid, die het sprekend bewijs zullen blijven van zijn uitzonderlijk talent en ongeëvenaarde vaardigheid. Bij zijn zeventigste verjaardag werd, door toedoen van zijn oudstudenten, een bloemlezing van deze teksten uitgegeven.11
Na een langdurige ziekte overleed Prof. Cochez te Leuven, op 27 juli 1956. Hij was Groot-officier in de Kroonorde, Commandeur in de Leopoldsorde, en vereerd met het Burgerlijk Kruis van 1e klas, de Herinneringsmedaille 1914-1918, de Overwinningsmedaille en andere onderscheidingen.
J.A. Aerts