terug  begin  verder
[p. 92]

Henri Ekhard Greve
(Ambarawa (Java), 30 december 1878 - 's-Gravenhage, 24 december 1957)

Henri Ekhard Greve werd op 30 december 1878 te Ambarawa op Java geboren als zoon van een officier. Als jong kind verloor hij reeds zijn moeder, zodat van een normaal gezinsleven in Indië weinig sprake was. Op vrij jonge leeftijd naar Nederland gekomen bezocht hij in Den Haag de bekende Nutsschool in de De Ruyterstraat en daarna het Stedelijk Gymnasium, dat toen nog in het Westeinde gevestigd was. Zijn reeds vroeg optredende journalistieke neigingen speelden hem daar parten, zodat hij van school verwisselde en zijn laatste gymnasiumjaren in Kampen doorbracht. Het is daar, dat hij vriendschap sloot met de later als historicus en leraar aan het Haagse gymnasium bekende Dr. H.A. Leenmans. Greve's lust tot literair en journalistiek werk kon hij in Kampen ten volle uitleven, doordat hij in de redactie zat van het nieuw opgerichte tijdschrift Nuntius Gymnasiorum en daarvan in 1896 en 1897 de eerste twee jaargangen met redactionele stukken en bijdragen in dicht en ondicht onder allerlei schuilletters en schuilnamen hielp vullen. In één stuk over de oude latijnse school van Kampen getuigt hij ook al vroeg van zijn historische belangstelling.

In 1897 komt hij als student bij de Amsterdamse Universiteit aan, waar hij rechten gaat studeren. Als corpslid werd hij lid van het destijds door E.W. Moes opgerichte dispuut ‘Clio’, dat tal van belangrijke figuren onder zijn leden telde, van wie verschillende later hoogleraar zijn geworden aan de universiteit van hun studie. Te noemen vallen W.A. Bonger, de latere hoogleraar in de sociologie, J.J. van Loghem, later hoogleraar in de gezondheidsleer, K.H. Bouman, later hoogleraar in de psychiatrie. In 1894 was H.E. van Gelder, de bekende archivaris en museumdirecteur van Den Haag lid geworden, in het volgende jaar H. Bolkestein, de latere hoogleraar in de oude geschiedenis te Utrecht en de dichter C.S. Adama van Scheltema. Tegelijk met Greve werd ook N.W. Posthumus, de latere hoogleraar in de economische geschiedenis lid. Bovendien was Clio geliëerd met een ander dispuut ‘Unica’, dat ook door zijn leden op de voorgrond trad. Zo had Greve een interessante vriendenkring, zeer geschikt om aan zijn studentenjaren de waarde te geven, die voor velen onzer de omgang met medestudenten heeft gehad.

Het spreekt haast vanzelf, dat Greve ook in zijn studententijd zich in geschrifte zou manifesteren. Van het studentencongres te Turijn in

[p. 93]

1898 schreef hij reisbrieven in het Algemeen Handelsblad, maar vooral in de jaren 1899-1901 ontplooien zich zijn journalistieke en literaire gaven door zijn geregelde medewerking aan het studentenweekblad Propria Cures, waarvan hij in de jaren 1900-1901 redactielid was. In zijn boekbesprekingen zien wij reeds alle facetten, die ook later kenmerkend zijn voor deze merkwaardige geest: de literatuur leeft voor hem, hij heeft belangstelling voor sociale en socialistische onderwerpen, zijn voorliefde gaat uit naar de karikatuur. Hij begint ook met wat hij tot op late leeftijd heeft volgehouden: de opening van een vaste rubriek, ditmaal getiteld ‘Van nacht tot nacht’ onder het pseudoniem Charles. Naam en pseudoniem waren beide natuurlijk geïnspireerd op Charles Boissevain's journalistieke arbeid, terwijl voor de ingewijde in de titel van de rubriek nog wel een extra toespeling stak. Het waren bijdragen, die weinig twijfel lieten omtrent de zeer geavanceerde politieke overtuiging van de schrijver in een stijl, die stellig geestig is, al zal hij de huidige lezer minder aanspreken dan de toenmalige. Dat het peil van de rubriek waardering vond, valt af te leiden uit het feit, dat deze in 1903 op verzoek van Tak in De Kroniek werd voortgezet.

Greve was inmiddels na zijn candidaatsexamen van studierichting veranderd: hij was Nederlandse letteren gaan studeren en zijn belangstelling ging de kant van de kunstgeschiedenis uit. Hij was zeer kunstzinnig aangelegd, had veel belangstelling voor de tekenkunst en tekende zelf niet onverdienstelijk. Telkens zien wij hem in zijn studiejaren en ook nog in de eerste tijd daarna zich bezig houden met de prentkunst, bij voorkeur de politieke prent en de karikatuur. Voor het Zondagsblad van Het Volk heeft hij in 1903 een aantal tekeningen vervaardigd, in het volgende jaar is een belangrijk gedeelte van zijn publicaties gewijd aan karikatuur in de geschiedenis en het heden.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat Greve naast zijn studie in de Nederlandse letteren, waarin hij zijn candidaatsexamen aflegde, ook nog een prijsvraag op het gebied van de kunstgeschiedenis beantwoordde. In 1900 was door de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam een prijsvraag uitgeschreven, waarbij verlangd werd: ‘Eene systematische uiteenzetting en rangschikking van de gegevens, die Carel van Mander in ‘Het leven der doorluchtige Nederlandsche en Hoogduytsche schilders’ (1604) aan zijn verschillende bronnen, zoo gedrukte als schriftelijke en mondelinge mededelingen, eigen herinneringen of verzamelingen van kunstwerken heeft ontleend.’

[p. 94]

In 1901 zond Greve hierop een antwoord in, dat met goud werd bekroond. Het werk, dat omgewerkt en uitgebreid in 1903 in de Quellenstudien zur holländischen Kunstgeschichte werd uitgegeven, is de grondslag gebleven voor elke studie over Van Mander's Schilderboek.

Greve was door deze studie in aanraking gekomen met E.W. Moes en ging onder diens leiding aan het Rijks Prentenkabinet als volontair werken. Alles wees er op, dat hij zich blijvend aan de kunstgeschiedenis zou verbinden. Zijn verloving met Mej. Boeke, de dochter van de bekende Doopsgezinde predikant, waar hij veel aan huis kwam, maakte het echter noodzakelijk af te studeren en aan een betrekking te denken. Helaas was er op dit ogenblik in de museumwereld geen vacature in zicht. Greve is toen verder in de staatswetenschappen gaan studeren en het is Moes geweest, die zijn aandacht op de volksbibliotheken gericht heeft voor een proefschrift. Na in 1906 een vervolgartikel in De Kroniek te hebben gepubliceerd over Het vraagstuk der openbare leesmusea in Amsterdam promoveerde Greve in hetzelfde jaar tot Doctor in de Staatswetenschappen bij de Amsterdamse Universiteit op een proefschrift Openbare leesmusea en volksbibliotheken. Met deze dissertatie heeft Greve zeer principieel de kwestie van de public library gesteld: de volksbibliotheken, die ‘in haar boekenkeuze en werkwijze waren afgestemd op geestelijke philanthropie’, de leesmusea of leescabinetten, die voor de beter gesitueerden bestemd waren, maar ‘wegens hooge lidmaatschaps-contributies praktisch gesloten voor de breede massa der bevolking’ en daartegenover dan de openbare leesmusea, die ‘zich de bestemming opleggen, aan ieder de hulpmiddelen te verschaffen, die hij ter ontspanning en zelfontwikkeling verlangt’. Het is dit laatste bibliotheektype, weldra ten onzent als Openbare Leeszaal en Bibliotheek bekend, dat Greve van dat ogenblik af in ons land ging propageren.

Want het jaar 1906 is wel het beslissende moment in Greve's leven geweest. Sindsdien concentreert zijn publicistische werkzaamheid zich vrijwel geheel op de Openbare Leeszaalgedachte en zet hij zich als organisator in om deze gedachte vorm te geven. Hij zoekt zich ook een positie in het bibliotheekwezen: eerst van 1906-1910 als ambtenaar bij de Bibliotheek der Tweede Kamer, dan van 1910-1918 als conservator bij de Koninklijke Bibliotheek, waar hij als hoofd van de afdeling Documentatie optrad en de zorg had voor de uitgave van het Repertorium op de Nederlandsche Tijdschriften. Van 1914-1916 geeft deze afdeling de serie ‘Documenten voor de econo-

[p. 95]
mische crisis van Nederland in oorlogsgevaar’ uit, geheel een schepping van Greve, waarvoor nog steeds belangstelling bestaat.

Maar al werkte hij in de Koninklijke Bibliotheek, zijn hart was bij de Openbare Leeszaal. Sinds 1909 had hij als bestuurslid van deze instelling de functie van bibliothecaris vervuld en toen in 1919 de personeelsformatie definitief werd geregeld, werd Greve directeur en nam daarmede voorgoed afscheid van de wetenschappelijke bibliotheek.

Hiermede werd een reeds lang bestaande toestand formeel bekrachtigd. Sinds 1906 vertoont de bibliografie van Greve's werk een volkomen ander beeld: het is met slechts enkele uitzonderingen een voortdurende stroom van artikelen en rapporten over het openbare bibliotheekwezen. Zijn in 1907 nog enkele bijdragen tot zijn rubrieken ‘Van nacht tot nacht’ en ‘Van week tot week’ te signaleren en enige artikelen over karikaturen in 1908, wanneer Greve de redactie op zich neemt van het in zijn tweede jaargang zijnde tijdschrift ‘De Boekzaal’, overwegen de publicaties over het bibliotheekwezen nog meer. In het daaropvolgende jaar werd ‘De Boekzaal’ het officiële tijdschrift van de op Greve's initiatief op 18 april 1908 te Utrecht opgerichte ‘Vereeniging van Openbare Leeszalen in Nederland’. Greve, wiens dissertatie inmiddels in Leipzig in een Duitse vertaling was uitgegeven, werd meer en meer de centrale figuur bij alle initiatieven, op het gebied van het openbare bibliotheekwezen genomen. Hij bekleedde het secretariaat in de nieuwe vereniging, een functie, die hij in de sinds 1911 herdoopte ‘Centrale Vereniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken’ tot 1951 heeft vervuld. Van de in 1911 ingestelde Commissie van Toezicht werd Greve de secretaris, wat hij eveneens tot 1951 gebleven is. In de in 1916 door de C.V. opgerichte Opleidingscommissie had Greve zitting. Van 1916 tot 1948 was hij de Redactievoorzitter van het tijdschrift ‘Bibliotheekleven’, dat als gemeenschappelijk orgaan van de C.V. en van de Nederlandse vereniging van bibliothecarissen werd opgericht en nog steeds bestaat.

Dit alles deed Greve naast het directoraat van de Haagse Openbare Leeszaal, die onder zijn beheer tot een modelinstelling gegroeid is, jarenlang het voorbeeld voor andere. Hij deed dit alles ook naast zijn werkzaamheid als docent: eerst gedurende de jaren 1914-1916 als privaatdocent in de bibliotheconomie en bibliografie aan de Amsterdamze Universiteit, later als docent aan de verschillende cursussen, die door de Opleidingscommissie werden georganiseerd. Hij heeft de theorie van deze lessen neergelegd in twee werkjes over: Praktijk en

[p. 96]
theorie der titelbeschrijving (1930) en Theorie van den catalogus (1941), waarin de typische scherpzinnigheid en formuleringsgave, die zovele zijner publicaties kenmerken, duidelijk in het licht treden.

De ontwikkeling van het openbare bibliotheekwezen is in ons land zeer moeizaam gegaan. Twee wereldoorlogen en bezuinigingscampagnes hebben een normale groei belemmerd, terwijl ook op het terrein van de politiek de moeilijkheden vele waren. Greve heeft veel daarvan in zijn bij het 25-jarig bestaan der C.V. verschenen standaardwerk Geschiedenis der Leeszaalbeweging in Nederland (1933) beschreven. Hij wist toen nog niet, welke rampspoed de Tweede Wereldoorlog voor de openbare bibliotheken brengen zou. Bij het begin van de Duitse bezetting was Greve al in de zestig en hoewel uiterlijk nog heel flink en levendig over zijn hoogtepunt heen. De bezettingsjaren zijn stellig niet zijn beste jaren geweest en toen hij, in 1944 na Dr. Molhuysen's dood ook nog inspecteur van de Openbare Leeszalen geworden, na de oorlog weer zou gaan opbouwen, wat zulk een ernstige schade geleden had, moest hij vooral na zijn aftreden als Directeur van de Haagse Openbare Leeszaal in 1949 ervaren, dat er een andere tijd was aangebroken. Zijn schepping, de Openbare Leeszaal, de Centrale Vereniging en ook zijn eigen persoon stonden aan aanvallen in de pers bloot, er vormden zich groeperingen buiten de C.V. en de eenheid van het openbare bibliotheekwezen, waarop men zo trots geweest was, scheen een eind te zullen nemen. Greve heeft zich dit zeer aangetrokken en zijn zo verwonderlijke physieke en geestelijke kracht heeft hem in die jaren begeven. In 1951 moest hij zijn functies in het verenigingsverband neerleggen.

Op 24 december 1957 is Greve na een jarenlange ziekte overleden. In deze laatste zes jaren heeft zich ondanks grote moeilijkheden de openbare bibliotheek in Nederland sterk ontwikkeld, al is dat op een geheel andere wijze geschied dan Greve en zijn mede-pioniers zich dat hadden gedacht. Dat dit alles buiten hem om is gegaan, stemt droevig, maar de naam van Greve blijft onherroepelijk verbonden aan de Centrale Vereniging, wier activiteit, zij het in andere verhoudingen, nog steeds groeit en aan de Openbare bibliotheek, die in de typische vorm, zoals wij die in Nederland kennen, hoofdzakelijk zijn werk is.

 

L. Brummel

 

Voor Greve's geschriften zij verwezen naar: Mary A. Pit, Bibliographie van het werk van Dr. H.E. Greve ter gelegenheid van zijn vijf- en zestigsten verjaardag op 30 december 1943. Nijmegen, 1944.

terug  begin  verder