terug  begin  verder
[p. 115]

Kornelis Sneyders de Vogel
(Schiedam, 27 december 1876 - Groningen, 26 augustus 1958)

Kornelis Sneyders de Vogel werd op 27 december 1876 te Schiedam geboren. Hij bezocht het gymnasium in zijn geboortestad, studeerde vervolgens klassieke letteren te Leiden en promoveerde daar in 1903 op een proefschrift: Quaestiones ad coniunctivi usum in posteriore latinitate pertinentes. Van 1901 tot 1904 volgde hij te Parijs colleges aan de Sorbonne, de Ecole des Hautes Etudes, de Ecole des Chartes en het Collège de France. Bovendien studeerde hij enige tijd te Toulouse oud-Provençaals, onder leiding van de bekende Provençalist Jeanroy. Dit vak zou steeds zijn warme belangstelling behouden.

Na zijn terugkeer in het vaderland verwierf hij het diploma Frans m.o.B. In die dagen waren de middelbare aktes het enige middel om onderwijsbevoegdheid te verkrijgen in de moderne talen. Gedurende enige jaren was Sneyders vervolgens werkzaam bij het gymnasiaal onderwijs, o.a. te Assen. In 1907 werd hij benoemd tot lector in de Romaanse filologie te Leiden. Hij aanvaardde dit ambt met een openbare les over De studie van het later Latijn. In 1920 bezette hij, als opvolger van Salverda de Grave, de oudste leerstoel voor Romaanse filologie in Nederland met een rede: Enige opmerkingen over de kennis der Oudheid in de middeleeuwen. Kort na zijn ambtsaanvaarding trad tot zijn vreugde het nieuwe Academisch Statuut in werking. Het universitaire onderwijs in de moderne talen, dat tot dusver noodgedwongen in de eerste plaats gericht was geweest op de middelbare-akteëxamens, kon zich nu eindelijk in wetenschappelijker zin ontplooien. Maar het zou nog jaren duren, voor er docenten aangesteld werden in andere Romaanse talen dan het Frans, en dus beperkte het onderwijs in de Romanistiek zich voor Sneyders niet tot het Franse taalgebied, maar omvatte tevens Provençaals, en gedurende vele jaren oud-Spaans en oud-Italiaans, terwijl hij ook vulgair Latijn doceerde. Van een wetenschappelijke staf was toen nog geen sprake. Als enige hulp bij zijn veelomvattende taak had Sneyders (behalve natuurlijk de lector voor de literatuur, zijn trouwe vriend en medewerker Emile Boulan) slechts een assistent voor de taalbeheersing van het moderne Frans.

Toch scheen al dat werk hem nooit zwaar te vallen, en hij vond steeds nog tijd om zich te interesseren voor het wel en wee van zijn studenten, die hij met raad en daad bleef bijstaan, lang nadat zij de academie ver-

[p. 116]

laten hadden. Voor velen hunner was hij een perfekte vriend. Hoezeer zijn leerlingen hem waardeerden, is op overtuigende wijze gebleken bij de waarlijk grootse hulde, die hem bij zijn afscheid in 1947 gebracht is.

De traditie getrouw heeft Sneyders een groot deel van zijn energie gegeven, eerst als lid, later als voorzitter, aan de examencommissies Frans m.o. en l.o. Daarnaast had hij een zeer actief aandeel aan de redactionele werkzaamheden van Neophilologus, het tijdschrift tot welks oprichting in 1916 hij mede de stoot heeft gegeven. De vele bijdragen, die hij in de loop der jaren in Neophilologus heeft gepubliceerd vormen zeker niet het minst belangrijke gedeelte van zijn wetenschappelijk werk, waarvan de bibliografie in het Sneyders de Vogel-nummer (1947) van dit tijdschrift tien volle bladzijden beslaat.

Op dit werk heeft zijn aanvankelijke studierichting een zeer duidelijk stempel gedrukt. Zijn belangstelling ging steeds uit naar de invloed van het Latijn op het ontstaan der Romaanse talen en op de middeleeuwse letterkunde. Noemen wij hier slechts zijn Syntaxe historique du français (eerste druk 1919, tweede druk 1926), die zeker representatief genoemd mag worden voor de grammaticale studiën in het eerste kwart dezer eeuw. Daarnaast zij vermeld de uitgave - in samenwerking met L.-F. Flutre uit Lyon - van Li Fait des Romains (1937-38), die als een der meest erudiete tekstuitgaven op dit gebied mag gelden.

Een groot aantal Romaanse proefschriften zijn onder de leiding van Sneyders tot stand gekomen.

Echter beperkte zijn activiteit zich niet tot het toch reeds zeer uitgebreide gebied der Romanistiek Ook voor de Nederlandse taal- en letterkunde heeft hij zich geïnteresseerd, zoals blijkt uit de rede, die hij in 1918 heeft gehouden, als voorzitter, op de jaarlijkse vergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, en die gewijd was aan een beschouwing over de moedertaal.

Zijn grote verdiensten werden o.a. erkend door ere-doctoraten, verleend door de universiteiten van Montpellier en Lyon, en door binnen- en buitenlandse onderscheidingen.

Bij velen leeft deze bescheiden en blijmoedige geleerde in dankbare herinnering voort.

 

A.H. van der Weel

 

Een bibliografie van Sneyders de Vogel's geschriften, samengesteld door zijn zoon, Dr. K. Sneyders de Vogel Jr., is verschenen in het Sneyders de Vogel-nummer van Neophilologus (1947). Ik meen daarnaar te mogen verwijzen.

terug  begin  verder