Zijn interessant, ietwat Frans uiterlijk, het donker-rose hoofd met het steile donkergrijze haar, ogen die nu eens vragend, dan weer doordringend, soms verwonderd iemand konden aanblikken - het zal voor wie Henri Mayer kenden goed in het geheugen blijven. Zeer vaak mocht ik hem bij wekelijkse lunches naast Cornelis Veth tegenover mij zien zitten en zijn aardige verhalen van belevingen beluisteren. Zijn kennis van litteratuur, en dat niet enkel van de schone letteren, maar ook van velerlei wetenschappelijke boeken, was zeer groot, zijn persoonlijke bekendheid met de scheppende figuren onzer cultuur niet geringer. Voor velen heeft hij uit de mild vloeiende bron van zijn door lectuur en praktijk verworven kunde goede raad weten te putten en met zijn ervaring wist hij hun door hen zeer gewaardeerde diensten te bewijzen. Eens had ik de tekst van een ruim dertig jaren te voren gehouden redevoering nodig; hij herinnerde zich die zeer goed en beloofde mij een exemplaar daarvan uit zijn boekenschat te lenen, wat ook prompt geschiedde. Zijn adviezen en hulp ontsproten niet enkel uit parate kennis, maar steunden soms op zijn energieke speurzin.
Hij behoorde niet tot hen, die scheppende krachten zijn voor flonkerende groei der cultuur, maar tot die belangrijke groep van cultuurdragers zonder wie het creatieve werk zijn weg niet of zeer moeilijk naar de genieters vindt.
Deze tussenfunctie wortelde, behalve in zijn natuurlijke aanleg en belangstelling, in zijn maatschappelijke positie nl. zijn functie in de boekhandel, waarin hij, na een jeugdopleiding in het buitenland, tot zijn 76e jaar werkzaam is geweest, aanvankelijk tien jaar bij de Haagse boekhandel Cikot, daarna sedert 1 januari 1911 bij Nijhoff, waar hij in 1928 procuratiehouder werd en na het bereiken van de 65-jarige leeftijd de zeer geschatte adviseur is gebleven tot 1956.
Hier kon hij wat omvang en gehalte der litteratuur betreft, breed de vleugels uitslaan en met zijn voortreffelijk geheugen de kennis vergaren, die hem met vreugde zijn eigen levensontplooiing deed genieten en die voor velen van bijzonder nut is geweest. Zijn omvangrijke belangstelling voor de cultuur openbaarde zich ook in zijn lidmaatschap van vele plaatselijke en nationale instellingen en verenigingen, zoals Pulchri Studio, de Maatschappij der Nederlandse letterkunde en verscheidene
andere. Hij was daar een krachtig medelevend lid. Dat hij niet opging in een vage ‘Kulturseligkeit’, daartegen waakte reeds naast zijn nuchtere geest, de maatschappelijke grondslag van zijn leven in de realiteit van de boekhandel waardoor hij ook veel zeer zakelijke raad kon geven aan uitgevers en aan naar publicatie strevende auteurs.
Van een verbrokkeling van belangstelling in de zo wijde en veelbewogen wereldlitteratuur werd hij afgehouden behalve door zijn bijzondere belangstelling voor Heinrich Heine en voor E. Th. Hoffmann, door de concentratie zijner aandacht op de Franse cultuur en het Franse boek, een gerichtheid, nauw verbonden met zijn politieke voorkeur voor Frankrijk, die in de wereldoorlog 1914-1918 duidelijk aan het licht kwam.
Toen met 65 jaar, zijn positie bij Nijhoff veranderde, bleef hij de Franse afdeling leiden. Dat hij tijdens de Duitse bezetting in de jaren 1940-1945 aan de goede zijde stond en dit met ijver en toewijding voor clandestien werk, geheime lezingen enz., niemand had het van deze levendige Franse geest anders verwacht. Velen heeft hij ook in die tijd geholpen, ook met onderduiken. Zijn goed humeur en gevoel voor humor verlieten hem ook toen niet. Ik herinner me, met welk een smaak hij me een verhaal deed van het fanatisme van enkele Duitse trawanten, die bij Nijhoff kwamen verbieden dat werken werden verkocht van de Groningse hoogleraar Heymans, omdat zijn naam verdacht on-Arisch klonk! Verspreiding van clandestiene lectuur werd hem met succes toevertrouwd. Zijn werkzaamheid bij de ook op antiquarisch gebied zo goed geoutilleerde Nijhoff had hem de mogelijkheid geopend in 1933 een tentoonstelling van Nederlandse boekkunst te Praag tot een succes te maken.
Zoals gezegd, met verscheidene letterkundigen had hij niet alleen zakelijke, maar ook persoonlijke betrekkingen en vriendschapsbanden, ook met Vlaamse.
Bijzondere waardering koesterde hij voor de Nederlandse Amerikaan Hendrik Willem van Loon.
Als een speciale gave bezat hij het vermogen om jongeren in het uitgevers- en boekhandelsvak op te leiden en hier kon deze zo vriendelijke man een strengheid en veeleisendheid openbaren, die voortkwamen uit grondige kennis en zekerheid, welke bij de leerlingen vertrouwen wekten.
Dat door misverstanden dit levensbericht meer dan drie jaren na het overlijden verschijnt, heeft tenminste de lichtzijde, dat de naam van deze zeer bijzondere persoonlijkheid nu opnieuw in de openbaarheid wordt gebracht, al zouden ook zonder dat zijn vele vrienden en kennissen hem niet vergeten.
J.J. BOASSON