Naarmate men ouder wordt komen dikwijs jeugdherinneringen steeds sterker op de voorgrond. Zo denk ik dikwijls aan de vele gelukkige uren in mijn prille jeugd doorgebracht met mijn oudste vriend Koos Uri, sedert de eerste dag van de lagere school. Koos en Kees waren in die lagere schooljaren onafscheidelijk, zoiets als Max und Moritz, maar dan zonder de ondeugende streken. Wij leefden allebei met onze fantasieën en onze gedachten voortdurend in het verleden, in de wereld van ridders en sprookjes en van de romans van Walter Scott, later in de tijd van Napoleon, van wie wij de veldslagen met onze soldaatjes naspeelden. Ook de indianenromantiek van Karl May bevruchtte onze verbeelding. Jeugdimpressies drukken dikwijs hun stempel op het hele latere leven. De oude stad Delft, toen nog rustig en vol sfeer van de zeventiende eeuw, het twaalfde lustrum van het Delfts Studentencorps in 1908 met de intocht van Lorenzo de Medici in Florence, een feest van middeleeuwse kleurenpracht. Uri heeft dat ook altijd zo gevoeld: de invloed van de omgeving, vooral in de jeugd, maar ook in latere jaren, op de ontwikkeling van een schrijver. Vandaar dat hij in zijn biografieën van schrijvers hun diverse verhuizingen altijd zo trouw vermeldde, zoals een criticus hem eens verweet.
In de middelbare schooljaren raakten wij wat uit elkaar. Hij ging naar de H.B.S., ik naar het Gymnasium. Eigenlijk jammer, die keuze van de H.B.S., want zijn hele aanleg ging duidelijk in de richting van literatuur en geschiedenis. Die literaire aanleg, de vlotte stijl, had hij waarschijnlijk van zijn vader die zijn loopbaan als journalist begonnen was, later chef werd van de reclameafdeling van de Oliefabriek Calvé Delft. Koos was een harde werker. Ook de exacte vakken, die hem in het minst niet interesseerden, wist hij onder de knie te krijgen en in 1922 deed hij eindexamen. De studie van Nederlandse Letteren en Geschiedenis werd in de eerste jaren verzwaard door het werken voor het aanvullend Staatsexamen. Dat was wel een handicap. Pas in December 1932 volgde het doctoraalexamen, dat hem de bevoegdheid gaf om Nederlands en Geschiedenis te doceren. Als docent in deze beide vakken aanvaardde hij toen een tijdelijke betrekking aan H.B.S. en Gymnasium te Gorinchem, tot het eind van de cursus 1933.
In twee jaar tijds schreef hij vervolgens zijn proefschrift over Leven
Na een tijdelijk leeraarschap in Den Haag aan H.B.S. en Lyceum, ging Uri in Augustus 1936 naar Nederlands Indië. Daar werd hij leraar aan het Lyceum der Carpentier Alting Stichting te Batavia. In 1939 ging hij over in dienst van het Gouvernement. In die jaren hield hij ook een aantal radiolezingen over literatuur en schreef hij artikelen over literaire en historische onderwerpen in Nederlands-Indische tijdschriften. Toen kwam de oorlog. In 1941 werd hij als landstormman gemobiliseerd, met het gevolg natuurlijk, dat hij in Maart 1942 in Japanse krijgsgevangenschap raakte. Hij verbleef eerst in kampen op Java, later in Thailand, tot de bevrijding in 1945. Zijn nuchtere kijk op de dingen en zijn gevoel voor humor hielden hem er bovenop, hoewel hij ziek werd door ondervoeding. Na verpleging in Thailand kon hij in Mei 1946 met verlof naar Holland vertrekken. Hij liep toen in het begin nog moeilijk als gevolg van zijn ziekte, maar hij was weer vol goede moed om in Augustus 1947 naar Indië terug te gaan, thans als leraar aan de H.B.S. te Makassar. In December 1948 werd hij tot Hoogleraar in de Nederlandse Letterkunde benoemd aan de Universiteit van Indonesië te Djakarta. Door de politieke ontwikkeling was dat hoogleraarschap niet van lange duur. In Augustus 1952 ging hij met verlof naar Holland, waar hij in 1953 werd gepensioneerd. Hij was er de man niet naar om rustig van zijn pensioen te gaan genieten en zich nu eens uitsluitend te gaan wijden aan de lectuur van al die literaire en historische werken, waaraan hij in zijn werkzaam leven niet was toegekomen. Uri was een zeer belezen man, dat blijkt uit al zijn geschriften en hij bleef ook lezen, maar daarnaast moest hij iets omhanden hebben dat hem in geregeld contact bracht met anderen. Een wetenschappelijke betrekking aan bibliotheek of universiteit bleek niet te vinden en dus werd hij weer
tijdelijk leraar aan middelbare scholen in Den Haag en Delft. Hij doceerde graag, vooral in de hogere klassen.
Ondertussen verschenen nog verschillende artikelen van zijn hand en in 1955 een bewerking van zijn collegestof aan de Universiteit van Djakarta in boekvorm: Vlucht der Verbeelding, Studies over de Neo-Romantiek bij Twaalf Proza-Schrijvers en Schrijfsters van de Periode 1890-1920, een vlot geschreven boek, dat niet de pretentie heeft een standaardwerk te zijn over de neo-romantiek, maar om lezers en studerenden vertrouwd te maken met een aantal auteurs waarvan sommige wellicht door de een niet en door de ander wel tot deze literaire richting gerekend zullen worden.
Uri is pas laat getrouwd, in 1956 met Maartje Rosina Lensveld. Die laatste levensjaren met zijn vrouw in hun mooie flat aan de Gevers Deynootweg te Scheveningen zullen zeker tot de prettigste van zijn leven hebben behoord. 's Zomers maakten zij samen per auto mooie reizen o.a. naar Zuid Frankrijk en Spanje. In Madrid deed hij ook nasporingen naar oude Spaanse edities van de roman van Parthenopeus van Blois, die leidden tot een heruitgave van het enig bekende exemplaar van de Nederlandse prozabewerking van deze ridderroman: De Historie van Partinoples van Bleys, gedrukt te Amsterdam door Ot Barent Smient in 1644. Deze herdruk verscheen als deel XIV van de Nederlandse Volksboeken, opnieuw uitgegeven vanwege de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Uri was sinds 1939 lid der Maatschappij.
Zovelen die tijdens de oorlog op middelbare leeftijd in concentratiekampen hebben gezeten en de doorgestane ellende ogenschijnlijk goed te boven zijn gekomen, blijken thans, nu zij om en bij de zestig zijn, toch in die tijd een knauw voor hun leven te hebben gekregen. Zo helaas ook Uri. Een hevig hartgebrek openbaarde zich in 1962. Dat heeft hem ook psychisch zeer terneer gedrukt. Hij kon tenslotte het leven niet meer aan, ondanks de liefderijke zorgen van zijn vrouw en op 23 Februari 1963 sleepte een tweede hartaanval hem ten grave.
W.C. BRAAT
| 1935 | Leven en Werken van Arij Prins, een Bijdrage tot de Studie van de Beweging van Tachtig. (Dissertatie Leiden) Delft. |
| 1936 | De Bode van Arij Prins, met voorwoord van Dr. S.P. Uri. De Stem. |
| 1939-'46 | Van Gobineau tot Güntur. Ontstaan en Ontwikkeling der Rastheorieën. Kritiek en Opbouw (Algem. onafh. Indisch tijdschr.) 2e jaarg. Nr 20; 21, 22 en 24. 3e jaarg. Nr 1. |
| 1940 | Een Litteraire Faculteit zonder Nederlands? Koloniale Studiën 1940, Nr.1. |
| 1941 | Het leven van Cervantes. De Fakkel Nr 3, Batavia. |
| 1941 | Huizinga, de Cultuurproever. Nieuw Neerlandia Nr 1. |
| 1941 | Verwey, de Dichter-Ziener. Nieuw Neerlandia Nr 2. |
| 1941 | Romein, de Historisch-Materialist. Nieuw Neerlandia Nr 3. |
| 1947 | Arij Prins als Schilder. Pen en Penseel, bijzonder nummer van Critisch Bulletin. |
| 1949 | De Romantische lijn in het Beeld der Nederlandse Letteren. Inaugurele rede, Djakarta 25 Febr. 1949. |
| 1949 | De Betekenis van P.H. van Moerkerken. Critisch Bulletin. |
| 1949 | De Ontwikkeling van F. Bordewijk. Critisch Bulletin. |
| 1950 | Inleiding bij de Gids v.d. Universiteit van Indonesiē voor het Academiejaar 1949/50. Batavia. |
| 1952 | De Burcht van Saone. Tijdschr. v. Gesch. 65. |
| 1952 | Het Leven van de Boeddha in het Middelnederlands. De Nieuwe Taalgids. |
| 1953 | Huxley bestrijdt de duivels (The Devils of London). Critisch Bulletin. |
| 1953 | Some Remarks on Parthenopeus de Blois I & II, Neophilologus 2e Jaarg. |
| 1953 | Beeldende Kunst als Inspiratie voor Van Eijck's Medousa. De Nieuwe Taalgids 46. |
| 1953 | Romantische Doodsstrijd of Doodsstrijd van de Romantiek? (Bespr. van The Romantic Agony, by Mario Praz). Critisch Bulletin. |
| 1954 | De Onzichtbare Geliefde. Een onderzoek naar de Verspreiding van een Verhaaltype over de Wereld. Oriëntatie Nr. 46. |
| 1954 | Hoe een Roman van Couperus Ontstond (De Ongelukkige) Crit. Bull. |
| 1954 | Een ononthuld Geheim van de Geschiedenis (André Frank, d'Eon, Chevalier et Chevalière, Paris 1953) Crit. Bull. |
| 1955 | Vlucht der Verbeelding, Studies over de Neo-Romantiek bij Twaalf Proza-Schrijvers en Schrijfsters van de Periode 1890-1920. Gron. |
| 1955 | De Vliegende Hollander in de Nieuwere Nederlandse Poëzie. De Nieuwe Taalgids 48,5. |
| 1955 | De Burcht van Krak of de Krak van Moab. Tijdschr. v. Gesch. 68. |
| 1956 | De Mythen van Robert Graves (The Greek Myths, by Robert Graves. Penguin Books 1955). Critisch Bulletin. |
| 1956 | Nogmaals de Neoromantiek. Levende Talen. |
| 1956 | De Zoon van Busken Huet. De Nieuwe Taalgids. |
| 1958 | Twee Chinese Keizerinnen (C.P. Fitzgerald, The Empress Woe, London 1956 en Pearl S. Buck, Imperial Woman, a Novel, London 1956) Tijdschr. v. Gesch. 71. |
| 1960 | Het Tournooi in de 12e en 13e Eeuw. Tijdschr. v. Gesch. 73. |
| 1962 | De Historie van Partinoples, Grave van Bleys. Naar de Druk van Ot Barentsz. Smient, Amsterdam 1644. Heruitgave Ned. Volksb. XIV, Leiden, E.J. Brill. |
| 1962 | Le Chateau du Pape à Peñiscola. Bull. Intern. Burgeninstitut 17. |
| 1963 | De Middelnederlandse Parthenopeusfragmenten en het Oudfranse Origineel. Spiegel der Letteren 6. |
| 1963 | De Vertalingen en Bewerkingen van de Oud-Franse Parthenopeus de Blois. Levende Talen. |