terug  begin  verder
[p. 125]

De voorzitter leest het verslag voor van de kascommissie, bestaande uit de heren Drs. J.L. van der Gouw en Dr. G.J. Hoenderdaal, die beiden verhinderd waren, luidende als volgt:

VII Financieel verslag

De kascommissie heeft de boeken en bescheiden, alsmede de jaarrekening over 1963 nagezien en in orde bevonden. Zij stelt voor aan de penningmeester décharge te verlenen onder dankzegging voor het nauwgezet beheer.

De commissie acht zich verplicht de aandacht te vestigen op het verontrustend feit, dat gedurende het jaar 1963 de uitgaven en de noodzakelijke reserveringen f 10.180,26 meer hebben bedragen dan de ontvangsten. Het batig saldo van 1 januari 1963, groot f 3670,74 is daardoor veranderd in een negatief saldo per 1 januari 1964 groot f 6.509,52. De commissie heeft geen posten gevonden waarop zou kunnen worden bezuinigd. Wel meent zij in overweging te moeten geven aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te verzoeken alsnog over te gaan tot uitbetaling van het restant van het over 1963 toegezegde subsidie groot f 15.000,- waarvan slechts f 10.000 over 1963 is uitgekeerd.

De commissie veroorlooft zich verder ter verbetering van de financiële toestand van de Maatschappij de navolgende vragen in overweging te geven:

 

1.
Behoort niet met het oog op de stijging van de algemene kosten de contributie te worden verhoogd?
2.
Kan ten aanzien van de bibliotheek, die thans ongeveer 1/3 van de totale uitgaven vergt, op de thans gevolgde weg worden voortgegaan?

 

Mevr. de Beaufort zou dit verslag gaarne van te voren gedrukt zien; de penningmeester antwoordt, dat dit technisch niet goed mogelijk is. De hr. Van Vriesland vraagt, wat de hr. de Groot ervan vindt, dat de bibliotheek ongeveer een derde van de totale uitgaven vergt; de bibliothecaris wijst in zijn antwoord op de vele lacunes, die er nog altijd zijn, hij acht de post zelfs nog te licht en meent, dat de zaak met het Ministerie van O.K.W. besproken moet worden. De hr. Sivirsky merkt op, dat bij dit onderhoud er op gewezen moet worden, dat de bibliotheek tot ieders beschikking staat; de voorz. antwoordt, dat dit ten departe-

[p. 126]

reeds onder de aandacht is gebracht. De hr. Den Tex betwijfelt het nut van een eigen bibliotheek naast de U.B. De voorz. wijst op de traditie, het door het Ministerie verleende subsidie, dat weliswaar in bescheiden mate, ook voor andere doeleinden wordt verleend, de secretaris herinnert aan de geschenken en de hr. Bomhoff tevens aan de verzorging door het U.B. personeel. De bibl. mag geen rompbibliotheek worden; hij dacht, dat de onder andere in verband daarmee vereiste uitgaven door het Rijk achteraf extra zouden worden gesubsidieerd. Helaas blijkt nu, dat zelfs de in uitzicht gestelde subsidies niet ten volle of te laat worden ontvangen. Nadat Mevr. Schot nog heeft geïnformeerd naar art. 33, lid 3 der Wet, stelt de hr. Den Tex voor in 't verslag van de bibliothecaris voortaan het bedrag van de begroting bij de uitgaven te vermelden: de bibliothecaris gaat daarmede accoord. Onder dankzegging aan de kascommissie wordt daarop aan de penningmeester décharge verleend.

terug  begin  verder