Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1964


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1963-1964. E.J. Brill, Leiden 1964  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

XIII De prijs voor meesterschap

Het advies van de Commissie voor Schone Letteren is in de beschrijvingsbrief afgedrukt:

De Commissie voor Schone Letteren van de Maatschappij beveelt met algemene stemmen S. Vestdijk aan als kandidaat voor de prijs voor Meesterschap.

De Commissie is van oordeel dat peil, veelzijdigheid en omvang van zijn oeuvre deze bekroning duidelijk rechtvaardigen. Inderdaad kent onze literatuur geen tweede schrijver die op zijn niveau op zo onderscheiden gebieden een (dusdanige creatieve) werkzaamheid heeft ontwikkeld. Dat men bij herhaling gemeend heeft te moeten spreken over

[p. 134]

‘het fenomeen-Vestdijk’ is een onmiskenbare aanwijzing voor de indruk van ontzag die zijn werk op zijn tijdgenoten heeft gemaakt.

Voor dat ontzag is alle reden. Vestdijk, in 1898 in Harlingen geboren en pas betrekkelijk laat, namelijk in 1932, met een bundel, ‘Verzen’ debuterend, heeft op de verschillende gebieden waarop hij zich bewoog steeds zeer persoonlijke en op hoog literair niveau staande prestaties geleverd. Dichter van een twintigtal bundels, heeft hij een poëzie geschreven die een bijzonder goed beeld geeft van zijn gecompliceerde persoonlijkheid; deze poëzie is intelligent en van een speciale gevoeligheid, die niet aan de oppervlakte maar in een mysterieuze kern te vinden is, een visionaire, grillige, kaleidoscopische poëzie, zoals men bij geen ander Nederlands dichter aantreft.

Het grote aantal romans en novellen dat Vestdijk schreef, openbaart een staalkaart van technisch kunnen die uniek is in de Nederlandse romankunst, maar daarbij een vermogen om door te dringen in de psyche van de mens en om zich te verplaatsen in historische en plaatselijke toestanden, dat zijn weerga niet heeft in de Nederlandse letterkunde.

Zijn talrijke essays op literair, filosofisch, musicologisch en ander gebied geven blijk van een ongewone eruditie, van een bijzondere geestelijke beweeglijkheid, van humor en ironie, en fonkelen herhaaldelijk van speelse invallen en verrassende vondsten.

Bij geen ander schrijver uit de hedendaagse Nederlandse literatuur ligt de kwalificatie ‘meesterschap’ zo voor de hand als bij S. Vestdijk. Op die gronden werden hem reeds lang geleden belangrijke prijzen toegekend, te beginnen met de Van der Hoogt-prijs van onze Maatschappij, na de oorlog gevolgd door de Constantijn Huygens-prijs en de P.C. Hooft-prijs.

In haar aanbeveling voor de toekenning van de Prijs voor Meesterschap, voortkomend uit oprechte bewondering, ziet de Commissie een daad van consequente billijkheid.

Het voorstel van het bestuur om dit advies te volgen, wordt zonder stemming aangenomen. De voorzitter betreurt het, dat de uitreiking van de prijs geen feestelijk karakter kan dragen. Mevr. Schot stelt daarop voor de heer Vestdijk alsnog uit te nodigen voor het diner. Na ampele discussie wordt hiertoe besloten. De heer Vestdijk bleek echter verhinderd te zijn. Over de in de vergadering gerezen en omstreden vraag, of voortaan ook niet de winnaars van de Van der Hoogt-prijs moeten worden uitgenodigd, zal het bestuur zich nog nader beraden.

[p. 135]

Na het noenmaal in Restaurant Van der Heijden heropent de voorzitter te half drie de vergadering. Na bij zijn gehoor te zijn ingeleid krijgt Dr. Brandt Corstius het woord voor het houden van zijn rede ‘Herman Gorter, de dichter (1864-1964)’ (zie blz. 14). De voorzitter dankt de spreker met een persoonlijk woord. Niet alleen is ons inzicht in Gorter's dichterschap verdiept, maar tevens zijn zowel aan Neerlandici als aan Comparatisten nieuwe wegen gewezen voor nader onderzoek.