Clara Hammerich voltooide kort voor haar dood haar memoires die in enigszins bewerkte vorm - samen met de herinneringen van haar man, de befaamde germanist Louis L. Hammerich - in 1973 in boekvorm zijn verschenen onder de titel Duo, Clara og Louis Hammerichs erindringer.
Tal van gegevens voor dit levensbericht zijn ontleend aan deze memoires waarin achter een ontwapenende oppervlakkigheid een vrouw met zeer bijzondere kwaliteiten schuil gaat, die zich in Denemarken voor de Nederlandse en Vlaamse schrijvers inzette met een werkcapaciteit, een kundigheid en een enthousiasme die het grootste respect afdwingen.
Clara Hammerich - Claes voor haar talloze vrienden en vriendinnen - was trots op haar voorgeslacht dat van vaders- en moederszijde vele dominees, hereboeren, militairen en hoge ambtenaren telde.
Haar eigen vader, predikantszoon, was boekhandelaar in Roskilde. Zo raakte zij al heel vroeg vertrouwd met de wereld van het boek. Tijdens haar schooljaren gaf ze duidelijk blijk van een goede talenaanleg en na haar eindexamen was ze een jaar in Genève. Daarna begon ze een kantoorcarrière, die ze combineerde met een vrolijk studentenleven, dank zij haar verloving met de slechts twee jaar oudere Louis Hammerich met wie ze al bevriend was op school in Roskilde. In 1917 trouwde het paar en in 1918 werden ze in opdracht van het Deens Rode Kruis voor een jaar uitgezonden naar Berlijn. Later, in 1921, volgde nog een internationale opdracht in Parijs. Louis Hammerich had zich in verband met zijn germanistische studie reeds enige jaren beziggehouden met het Nederlands. In 1925 - hij was toen al ruim drie jaar hoogleraar! - bracht de kleine familie (er was inmiddels een zoon geboren) een studieverlof door in Nederland, en wel in Hilversum.
In deze vijf maanden werden vriendschappen voor het leven gesloten onder andere met Hammerichs collega A.G. van Hamel. Hier ook legde Clara de grondslag voor haar kennis van Nederland en de Nederlandse taal. Met De opstandigen en met Merijntje Gijzens jeugd in de koffer keerde ze terug naar Kopenhagen. Het zouden haar eerste vertalingen uit het Nederlands worden. De opstandigen bleek al spoedig een groot succes te worden, maar Merijntje kon het niet maken... In 1931 volgde Het beloofde land van Ina Boudier-Bakker. Met Jo van Ammers-Küller (vijftien titels) en Ina Bou-
Als men de lange lijst van Clara Hammerichs vertalingen nader beziet, overwegen de goed in de markt liggende auteurs. Naast de reeds genoemden bijvoorbeeld Piet Bakker, A. den Doolaard, Anne de Vries, An Rutgers van der Loeff, Arij den Hertog en Karel Eykman, elk met een reeks titels. Wie uit eigen ervaring weet hoe moeilijk het samenspel van vertaler en uitgever is, wanneer het om plaatsen van literair werk uit de zogenaamde kleine talen gaat, verwondert zich niet over de lijst en stelt vast dat het Clara Hammerich toch óók lukte om werk van een Maria Dermoût, een Anton Koolhaas, Willem Elsschot, Gerard Walschap en Filip de Pillecyn gepubliceerd te krijgen, weliswaar zonder dat dit bij het lezerspubliek merkbare sporen achterliet. De vertalingen van Gilliams Elias of het gevecht met de nachtegalen en Teirlincks Marie Speermalie behoren tot de vertalingen die onuitgegeven bleven liggen; een lot dat helaas niet zeldzaam is voor een nederlandstalig boek van allure.
In de late herfst van haar leven zette Clara Hammerich de kroon op haar werk voor onze letterkunde met de uitgave van twee omvangrijke bloemlezingen, beide ingeleid door haar man prof. dr. Louis L. Hammerich. De eerste, van 1966, is gewijd aan Vlaams proza, de tweede bloemlezing uitsluitend aan Noord-Nederlands proza. Dat deze uitgaven tot stand kwamen met officiële steun van Belgische, Nederlandse en Deense zijde heeft haar een zeer grote voldoening geschonken.
Clara Hammerichs verdiensten werden trouwens reeds vroeg erkend. In 1933 immers werd ze al tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde verkozen. In 1954 resp. 1957 vielen haar koninklijke onderscheidingen van Deense en Nederlandse zijde ten deel.
Nederlands was niet de enige taal waaruit Clara Hammerich vertaalde. Tot haar productie behoort het werk van Fallada, Hellmuth Krist, Irmgard Keun, Neumann en vooral Stefan Zweig. Daarnaast vertaalde ze vele Engelse en Franse romans, kunstboeken, populair-wetenschappelijke werken van velerlei aard, om nog maar te zwijgen van de talloze losse novellen en artikelen die hun weg vonden naar Deense dag- en weekbladen. Alles bij elkaar ruim driehonderdvijftig titels. Als redactie-secretaresse van het indrukwekkende standaardwerk Holland-Danmark (1946) verzette ze veel waardevol werk.
Als men haar vroeg, hoe ze het klaar speelde naast al haar andere activiteiten en reizen zoveel te presteren, was haar antwoord: ‘Oh, vertalen doe
ik 's morgens in bed, en op reis, zo tussen neus en lippen door, in de verloren uurtjes!’
Het is niet verwonderlijk dat Clara Hammerich nauw betrokken was bij de oprichting van het Deense verbond van vertalers (1944). Van 1948 tot 1970 was zij vice-voorzitter van deze vakvereniging, die onder meer heeft bereikt dat thans alle Deense vertalers de zogenaamde bibliotheekpenning ontvangen.
In 1963 ontving ze ter gelegenheid van haar veertigjarig vertaalstersjubileum de Deense Vertalersprijs, in 1970 gevolgd door een legaat.
Claes Hammerich was een stralende verschijning, een uitgesproken extravert type vrouw voor wie het contact van mens tot mens een levensvoorwaarde was. Ze wist een sfeer van festivitas om zich heen te scheppen. Op congressen en conferenties kwamen haar spontane contactuele eigenschappen en haar sprankelende conversatie - waarin ze soms ook heel raak en vinnig uit de hoek kon schieten - voortreffelijk tot hun recht.
In 1931 trad ze toe tot de Pen en vertegenwoordigde een week later Denemarken op het congres in Nederland. Dit congres luidde een lange reeks van feestelijke ervaringen en langdurige vriendschappen in, die zij steeds weer productief wist te maken in haar contacten met Deense uitgevers. Van 1961 tot 1965 was zij, die altijd met zoveel verve naar buiten optrad en tal van bijeenkomsten organiseerde, presidente van de Deense Pen.
Organiseren was trouwens haar lust en haar leven. Dat blijkt ook uit haar activiteiten binnen de Soroptimistenbeweging. Bij de oprichting van de eerste Deense Soroptimistenclub werd zij onmiddellijk secretaresse. Van de tweeënveertig clubs die Denemarken thans telt, heeft Clara er zesendertig persoonlijk gestart. Het ‘sorren’-werk was een kolfje naar haar hand: het betekende immers weer nieuwe en boeiende contacten en ook reizen tot ver buiten de grenzen van Europa, vooral in haar functie van presidente der Europese federatie.
En dan was er vanaf 1955 nog de wekelijkse ‘brievenbus’ in een Deens weekblad, die ze tot vlak voor haar dood verzorgde! Het is aandoenlijk te lezen hoe Clara en haar hooggeleerde echtgenoot zich niet zelden gezamenlijk bogen over de meest uiteenlopende vragen die binnenstroomden. Hier als in zoveel andere en belangrijkere levenssituaties vangen we een glimp op van de innige verbondenheid tussen deze twee sterke en zo zeer verschillende mensen, die de kunst verstonden elkaar de vrijheid te geven die ze ieder voor zich nodig hadden.
‘Det gaelder om at kunne sige baade goddag og farvel’, zo luidde haar vertaling van het Nederlandse ‘er is een tijd van komen en van gaan’, een spreekwijze die op een groot deel van haar leven van toepassing is geweest. Voor de zeer velen in Nederland en België die deze vrouw, die met zoveel allure op de bres stond voor onze Nederlandse letterkunde, waardeerden, is het nu een definitief ‘farvel’ geworden.
amy van marken
Jo van Ammers-Küller, De oprørske (De opstandigen). 1927.
A.M. de Jong, Merinus Gejsens barndom (Merijntje Gijzens jeugd: Het verraad). 1928.
Marie Schmitz, Den store hjemvé (Het grote heimwee). 1929.
Jo van Ammers-Küller, På skillevejen (De opstandigen ii: Vrouwenkruistocht). 1930.
Jo van Ammers-Küller, Maskerade (Maskerade). 1931.
Ina Boudier-Bakker, Det forjaettede land (Het beloofde land). 1931.
Ina Boudier Bakker, Det banker på døren (De klop op de deur). 1931-32.
Cissy van Marxveld, Borgemesterens tvillinger (De stormers). 1931.
Jo van Ammers-Küller, Tantalus (Tantalus). 1932.
Jo van Ammers-Küller, Eva of aeblet (De opstandigen iii: De appel en Eva). 1932.
Jo van Ammers-Küller, Ej blot til lyst (Het huis der vreugden). 1933.
Jo van Ammers-Küller, Jenny Heysten (Jenny Heysten). 1934.
Jo van Ammers-Küller, Ildprøven (Frans van Altena's vuurproef). 1934.
Jo van Ammers-Küller, Prins Inkognito (Prins Incognito). 1935.
Ina Boudier-Bakker, Hjertets armod (Armoede). 1935.
Jo van Ammers-Küller, Konge, dame, knaegt i: Patrioterne (Heren, knechten, vrouwen i: De patriotten). 1936.
Ina Boudier-Bakker, Fru Jacoba (Vrouw Jacob). 1936.
Jo van Ammers-Küller, Konge, dame, knaegt ii: Hjerter er trumf (Heren, knechten en vrouwen ii: De sans-culotten). 1936.
Ina Boudier-Bakker, jets spejl (Het spiegeltje). 1937.
Antoon Coolen, De tre brødre (De drie gebroeders). 1937.
Willem Elsschot, Adèle (Tsjip). 1937.
Anne de Vries, Bartje (Bartje). 1937.
Jo van Ammers-Küller, Konge, dame, knaegt iii: Vundet spil, Huset med de to dore (Heren, knechten en vrouwen iii: De getrouwen). 1938-1942.
Ina Boudier-Bakker, Mødre (Naar de overkant; Moeders; Paul). 1938.
Mien Labberton, Det støre sporgsmål (De grote vraag). 1938.
Th. Van Schelven, Hvad får De ud af livet? (Wat maakt U van Uw leven?). 1938.
Ina Boudier-Bakker, Den store vej (Aan den grooten weg). 1939.
Arij den Hertog, Kvinder til Jacatra (Vrouwen van Jacatra). 1939.
Jo van Ammers-Küller, Elselina (Elzelina). 1940.
Kitty de Josselin de Jong, Familien på Enk (De appel en de stam). 1940.
Hans Nesna, Hollands skaebnetime (Toen het vaderland riep). 1940.
Jan Gerhard Toonder, Ung mand slår sig igennem (Een man zet door). 1940.
Anne de Vries, Hilde (Hilde). 1940.
Piet Bakker, Braending (Branding). 1941.
Anne de Vries, Bartje søger lykken (Bartje zoekt het geluk). 1941.
Gerard Walschap, Et menneske der vil det gode (Een mens van goeden wil). 1941.
Cor Bruyn, Strandens folk (Sil de strandjutter). 1942.
Piet Bakker, Frans (Ciske de rat). 1943.
Arij den Hertog, Maegtige Holland (Machtig Holland). 1943.
Piet Bakker, Frans vokser op (Ciske groeit op). 1944.
Leonard Huizinga, Den 7. dag (De zevende dag). 1945.
Kitty de Josselin de Jong, Svaret (Het antwoord). 1945.
Arij den Hertog, Mor Sigbrit (Sybrecht Willemsdochter). 1946.
Anne de Vries, Rotteungen (Ratje, een jongen van de straat). 1947.
Piet Bakker, Frans bliver mand (Ciske de man). 1948.
Piet Bakker, Barndom i gyden (Jeugd in de pijp). 1949.
Ina Boudier-Bakker, Guld af strå (Goud uit stro). 1951.
Antoon Coolen, Under Guds himmel (Kinderen van ons volk). 1953.
Anne de Vries, Vi lever kun én gang (Wij leven maar eens). 1953.
Piet Bakker, Kidnappet (Kidnap). 1954.
A. den Doolaard, Digerne brister (Het verjaagde water). 1954.
Pierre H. Dubois, Med fingeren på laeben (Een vinger op de lippen). 1954.
An Rutgers van der Loeff-Basenau, Nybyggerbørn (De kinderkaravaan). 1955.
A. den Doolaard, Albanerdrengen (De herberg met het hoefijzer). 1956.
Clare Lennart, Den rosenrøde stad (Stad met rose huizen). 1956.
An Rutgers van der Loeff-Basenau, I kamp mod lavinerne (Lawines razen). 1956.
A. den Doolaard, Land bag Guds ryg (Het land achter Gods rug). 1956.
Cornelie A. Mees, Demeters datter (Demeters dochter). 1957.
Jacoba van Velde, Den store sal (De grote zaal). 1957.
An Rutgers van der Loeff-Basenau, Den dødsdømte landsby (Ze verdrinken ons dorp). 1958.
Maria Dermoût, De titusinde ting (De tienduizend dingen). 1959.
Jef Last, Bontot og hans ven (Bontot en Koese). 1960.
L.D. Brongersma en G.F. Venema, Det ukendte Ny-Guinea (Het witte hart van Nieuw-Guinea). 1961.
Jo Elsendoorn, I Coyamas fodspor (In het voetspoor van Coyama). 1961.
Gerard Knuttel, Vincent van Gogh (Vincent van Gogh). 1963.
Filip de Pillecijn, Naervaerelse (De aanwezigheid). 1963.
An Rutgers van der Loeff-Basenau, Graekerdrengens flugt (Vlucht, Wassili, vlucht!). 1963.
Anne de Vries, Panokko og hans venner (Panokko en zijn vrienden). 1963.
J.H. van den Berg, Psykologi ved en sygeseng (Psychologie van het ziekbed). 1964.
Anne de Vries, Panokko i urskoven (Panokko en de wildernis). 1964.
Anne de Vries, Panokko og de hvide mennesker (Panokko en de witte mensen). 1965.
Nyere flamsk prosa. En antologi. 1966.
Karel Eykman (red.) Hvad Bibelen fortaeller (naar de serie Wat de Bijbel ons vertelt). 1967-1971.
Anton Koolhaas, En blomst i morgen (Een bloem voor morgen uit Vleugels voor een rat). 1967.
Jaap ter Haar, Boris (Boris). 1968.
Nyere hollandsk prosa. En antologi. 1968.
Karel Eykman, Den nye by (De nieuwe stad). 1971.
Karel Eykman, Da Gud skabte jorden (Het begin). 1971.
Voorts heeft Clara Hammerich nog een aantal teksten van kinderboeken vertaald, onder andere van Clinge Doorenbos, Jeanne Koning, Dick Laan, Willy Schermele en Else Stam.