terug  begin  verder
[p. 136]

Fedde Schurer
Drachten 25 juli 1898 - Heerenveen 19 maart 1968

Wie leven en werk van de Friese dichter Fedde Schurer gaat beschrijven, moet zich al gauw rigoureuze beperkingen opleggen. Dat leven mag immers veelbewogen heten en dat werk veelzijdig. Het gaat hier allerminst om een dichterleven dat zich in geestelijke of maatschappelijke afzondering afspeelt. Dit leven, dat bijna zeventig jaar duurde, heeft haast onophoudelijk in de branding gestaan van strijd en actualiteit. Wel waren daarin momenten van distantiëring en inkeer, maar deze kwamen toch zeldzamer voor dan met vele andere dichters het geval is. Met hartstocht en sterke inzet van zijn persoonlijkheid heeft hij zijn tijd meebeleefd. Zijn dichterschap stond daarbij steeds centraal.

Fedde Schurer is als vierde en laatste kind te Drachten geboren uit een Fries en gereformeerd arbeidersgezin. Zijn vader, die zijn werk had op een scheepswerf, was Bouke Schurer, zijn moeder Grietje Wagenaar. In 1904 verhuizen de Schurers naar Lemmer, waar de jonge Fedde zijn gehele verdere jeugdjaren doorbrengt. De sfeer thuis was er een van soberheid en strenge rechtzinnigheid, al was ook een geest van blijmoedig piëtisme er niet vreemd. Na de lagere school werd de jongen als timmermansleerling bij een baas ter plaatse besteed, een werkkring, die zijn zoekende geest weinig boeide. Door zogenaamde Normaallessen in zijn omgeving te volgen ziet hij rond zijn twintigste kans de akte voor onderwijzer te behalen, die later gevolgd werd door de hoofdakte. Hij krijgt een aanstelling aan de Christelijke school in Lemmer en zou er tot 1930 blijven. Inmiddels ontwikkelt zich zijn literaire aanleg. Hij leest negentiende-eeuwse dichters als De Genestet, Da Costa en Ten Kate, maar ook Hollandse Tachtigers als Perk en Van Eeden leggen beslag op hem.

Van doorslaggevende betekenis ook voor zijn dichterschap wordt zijn kennismaking met de Friese literatuur en beweging van zijn dagen. In Friese periodieken als Frisia en Yn ús Eigen Tael verschijnen zijn eerste verzen. Na zijn huwelijk met zijn Lemster schoolcollega Willy de Vries in 1924 volgt het jaar daarop zijn poëziedebuut in gebundelde vorm, Fersen geheten. In deze jaren neemt hij reeds deel aan tijdschriftredacties en is hij een van de jongeren die vernieuwing brengt in het tot traditionalisme vervallen Kristlik Frysk Selskip. In politiek en maatschappelijk opzicht schaart hij zich in de smalle rijen van de Christelijk Democratische Unie en

[p. 137]

ontpopt zich in woord en geschrift als een pacifist en voorstander van nationale ontwapening. Dit in gereformeerde kring sterk afwijkend standpunt brengt hem in 1930 in conflict met zijn schoolbestuur en kerkeraad waarvan zijn afzetting als onderwijzer en uittreding als kerklidmaat het gevolg is. De schoolkwestie-Lemmer doet in Nederland in allerlei milieus veel politiek stof opwaaien. Schurer en zijn vrouw sluiten zich aan bij het zogenaamde Hersteld Verband en gaan later over tot de Nederlands Hervormde kerk. Zij verlaten ook Friesland en Schurer vindt in Amsterdam werk aan verschillende lagere scholen in de volkswijken. Zestien jaar zou dit verblijf in de hoofdstad duren. Hij vindt er vele artistieke en andere connecties. Zijn contact met ds. J.J. Buskes Jr., een van zijn vurige verdedigers in het schoolconflict, groeit er uit tot een levenslange vriendschap en wapenbroederschap. Hij sluit zich aan bij de Christelijke Auteurskring en staat in vruchtbaar verkeer met figuren als Henk van Randwijk, Hein de Bruin, Bert Bakker, Muus Jacobse, Jan H. de Groot e.a. Hij gaat intussen door met in het Fries te publiceren; zijn dichterschap verdiept en verbreedt zich. Ook in deze Amsterdamse tijd verschijnen er van hem poëziebundels, die tot de kern van zijn werk behoren. Enkele ervan zijn Utflecht (1930), Op alle winen (1936) en Fan twa wâllen (1940).

Ook de politiek laat hem in die jaren niet met rust. Voor de cdu heeft hij een tijdje zitting in de Provinciale Staten van Noord-Holland, maar de practische politiek was geen koek van zijn deeg. Toen in 1940, het jaar tevens dat hij als lid werd benoemd van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, de Duitse bezetting een aanvang nam, heeft Schurer zich buiten zijn schooltaak intensiever aan zijn literair werk kunnen geven. In deze jaren schreef hij (in Nederlands èn Fries) verzetspoëzie, was de animator van een illegaal poëzietijdschrift De Rattelwacht (dat maar één nummer beleefde) en zag kans zijn bijbels drama Simson, dat tegelijk in een eigen Nederlandse vertaling uitkwam, te voltooien. Tevens lukte het om zijn volledige berijming van de psalmen in het Fries af te maken, een gigantisch werk. Voor het eerste werd hem in 1945 de regeringsprijs voor verzetsliteratuur toegekend, voor Simson en psalmen in 1949 de Gysbert Japicxprijs, na de oorlog ingesteld door de Provincie Friesland. Uit zijn lidmaatschap van de Vereniging van Letterkundigen en pen blijkt tevens zijn erkenning als dichter.

Inmiddels is Schurer naar Friesland teruggekeerd. In 1945 verlaat hij met vrouw en geadopteerd zoontje Andrys de hoofdstad wegens zijn benoeming aan de Heerenveense (later:Friese) Koerier, waarvan hij met

[p. 138]

Sjoerd van der Schaaf het hoofdredacteurschap op zich neemt. Deze functie blijft hij achttien jaar vervullen. Zijn leidinggevende hoofdartikels vallen ook buiten het rayon van de krant op door hun vaak briljante en polemische stijl. Hij blijkt een vechter die zijn tegenstander scherp aanvalt, maar daarbij humor en barmhartigheid nooit uit het oog verliest. Een leidende rol speelt hij ook in het sinds 1946 verschijnende en door hem opgerichte literaire tijdschrift De Tsjerne, waarvoor hij in de bezettingstijd reeds zijn mederedakteuren had aangemonsterd; achttien jaar lang blijft hij dit blad als zodanig trouw. Dan maakt hij plaats voor jongeren.

In 1951 komt Fedde Schurer opnieuw over heel Nederland en ook daarbuiten in het nieuws wegens een rechtszaak. Een vlijmscherp Koerierartikel van hem tegen de praktijken van een Heerenveense kantonrechter die geen Fries voor zijn groene tafel duldt, lokt een beledigingsproces uit en als op 16 november de poorten van het Leeuwarder paleis van justitie, waar de zaak dient, voor een ganse schare sympathisanten gesloten blijven en dezen met gummiknuppel en brandspuit uiteen worden gejaagd, ontstaat een incident dat de geschiedenis is ingegaan als ‘Kneppelfreed’ (Knuppelvrijdag). Deze botsing tussen macht en recht veroorzaakt in het toen nog demonstratie-arme Nederland heel wat opschudding. Te Leeuwarden volgen protestvergaderingen van massaal karakter. Er komen drie ministers naar Friesland om partijen te polsen. Ook in hoger beroep, met als verdediger de schrijver mr. Abel Herzberg, wordt Schurer veroordeeld tot een geldboete. Deze straf werpt overigens wel positieve vruchten af: wettelijke regelingen voor het Fries bij het onderwijs en in het rechtsverkeer vloeien uit dit proces voort.

In 1954, het jaar van het mandement der bisschoppen dat aan katholieken het lidmaatschap van linkse organisaties verbiedt, raakt Schurer slaags met het Nederlandse episcopaat door zijn felle brochure Protestants protest. Een merkwaardige samenloop doet zich voor als in hetzelfde jaar de eeuwherdenking van Bonifatius plaats vindt en Schurer in opdracht zijn toneelspel Bonifatius schrijft, dat te Dokkum opvoeringen in Fries en Nederlands beleeft. Het jaar daarop voegt hij aan zijn psalmberijming die van alle Evangelische Gezangen toe, die tezamen als Psalm- en Gesangboek het licht zien. In deze tijd had hij al zitting in de brede Nederlandse kommissie die het nieuwe Liedboek voor de kerken voorbereidde. Lang heeft zijn medewerking niet geduurd. De dichter kon moeilijk onder het juk van exegeten en hebraici door en geloofde als berijmer niet in een zeker ‘collectief dichterschap’ dat K. Heeroma en ook M. Nijhoff voor de geest stond. Na het inle-

[p. 139]

veren van enkele proeven, waaraan braaf gevijld werd, bedankte hij. In het in 1973 verschenen Liedboek zijn toch nog twee van zijn psalmnadichtingen opgenomen.

Terwijl hij als dagbladredakteur aanblijft, wordt Schurer in 1956 voor de pvda lid van de Tweede Kamer en staat in zijn fractie pal voor zijn pacifistische idealen, al vindt hij in het achtergrondwerk niet altijd bevrediging. Deze functie legt hij in 1963, inmiddels vijfenzestig jaar geworden, neer, tegelijk met zijn arbeid voor de krant. Voor een dynamische geest met een sterk lichamelijk gestel als het zijne betekent dit afscheid geen non-actief. Hij werkt mee aan discussieforums voor de tv, is gecomitteerde bij onderwijzersexamens, spreekt voor deelnemers aan werkweken op volkshogescholen, leidt in en bij zijn woonplaats Heerenveen kerkdiensten en zit in een werkgroep voor een nieuwe Friese bijbelvertaling. Actief blijft hij ook als literair criticus, waarbij hij bij tijd en wijle protest aantekent tegen cynische openhartigheid in het sexuele bij het jongere Nederlandse en Friese schrijversgilde, wat hem door dezen allerminst in dank wordt afgenomen. Zijn verspreid verhalend proza verzamelt hij in de bundel Beam en bast (1963); een keuze uit zijn hoofdartikels verschijnt in datzelfde jaar onder de titel Brood op het water. Hij vertaalt poëzie van Werumeus Buning en van Rilke. In deze levensfase komen hem meer dan honderd verzen uit de pen, geschreven in lichte toets op thema's uit het Oude en Nieuwe Testament, die als De gitaer by it boek met muziek van Louise Godin worden gebundeld. Tenslotte werkt hij aan een beschrijving van eigen leven, schetsen die in 1969 als De bisleine spegel (De beslagen spiegel) posthuum in boekvorm verschijnen. Zijn vriend prof. J.H. Brouwer heeft later gezorgd voor een Nederlandse vertaling ervan. De dood was oorzaak dat aan deze autobiografie de laatste hoofdstukken ontbreken.

Die dood kwam voor Fedde Schurer op dinsdag 19 maart 1968 en overviel hem in zijn huis aan de J.H. Kruisstraat te Heerenveen. Een hartverlamming maakte, terwijl hij naar de telefoon ging, een abrupt einde aan zijn leven. Op 22 maart werden zijn stoffelijke resten, na een overvolle rouwdienst in de gereformeerde kerk ter plaatse, waarbij ds. R. Bijl en dr. J.J. Buskes voorgingen, te Groningen gecremeerd.

De levensgang was hiermee afgesloten van een man die de hem gul toegemeten gaven niet in een zweetdoek had weggelegd. Zijn lyriek, die in een elftal bundels was verschenen, een rijk geschakeerd oeuvre, kon in 1974 als Samle fersen in één band worden uitgegeven en vond bij Fries en niet-Fries gretig aftrek. Daarvóór, in 1971, was over Schurer en zijn werk een twee-

[p. 140]

talige beeldbiografie in de serie Skriuwers yn Byld uitgekomen, verzorgd door het Frysk Letterkundich Museum te Leeuwarden en in de handel gebracht door De Bezige Bij.

In Fedde Schurer bezat Friesland een rondborstig dichter die in een kleine taal van grote dingen zong, een strijder die het geweld verwierp en het onrecht niet kon velen, een kameraad die de vriendschap hoog schatte, een man die de liefde kende in vele facetten, een idealist en romanticus die wijdere verbanden zocht, een gelovige die wist van een ‘deze zijde’ en een ‘gene zijde’. Met hem ging een veelzijdig dichtertype heen zoals de Friese literatuur nog niet gekend had en waarschijnlijk niet gauw terug zal krijgen. Op het standbeeld dat in 1974 voor hem te Heerenveen werd opgericht staan de woorden: Dichter en Strider. Door deze twee woorden wordt de persoonlijkheid van Fedde Schurer treffend gekarakteriseerd.

 

d.a. tamminga

Voornaamste geschriften

Voor een overzicht van afzonderlijk verschenen werken van Schurer zie Fedde Schurer. Afzonderlijk verschenen werken i-xi. Een tot 1957 bijgewerkt overzicht op kaart van zijn publicaties. Uitgave van de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum in samenwerking met Fryske Akademy en Archief en Museum voor het Vlaamse cultuurleven, 1959. Biografische en bibliografische (lijst van afzonderlijk verschenen publicaties van en over de auteur) gegevens over Schurer zijn ook opgenomen in Fedde Schurer 1898-1968, als nummer 3 van de serie Skriuwers yn byld uitgegeven door het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaesjesintrum to Leeuwarden in 1971. Zie tenslotte ook Fedde Schurer, Samle fersen. Mei in ynlieding fan D.A. Tamminga. Baarn, Bosch & Keuning nv; Ljouwert, De Tille bv, 1974.

terug  begin  verder