Catrien Ypes - zoals zij bij voorkeur ondertekende - behoorde al tot de ‘gezaghebbende’ ouderejaars toen ik voor het eerst de nieuwe behuizing van de Neerlandistiek in Amsterdam mocht betreden. Die was destijds op de bovenste verdieping van de Oudemanhuispoort-uitbreiding aan de Kloveniersburgwal. In het - ons eerstejaars toen groot en belangrijk lijkende - Seminarium (de ramen uitzicht gevend over de bomen van de gracht naar de mooie Zuiderkerktoren, carillon en al), leken alle draden van toekomstige vakgeleerdheid samen te komen. Hier stonden de boeken die je nodig kon hebben, hier zaten de hoogleraren in de tussen-kwartiertjes; hier werkten op alle andere tijden de ouderejaars, verdiept in hun mysterieuze taken. Het leek mij - groentje - allemaal hoogst belangwekkend.
In die lang vervlogen tijden waren er voor het Nederlands twee hoogleraren aangesteld: één voor taalkunde, één voor letterkunde; wij kenden geen lectoren, geen ‘medewerkers’ in allerlei rangen en standen, geen assistenten. Een candidaat knapte - waar nodig - kleine administratieve klusjes op voor de proffen. Er bestond verder geen inspraak, er waren geen openlijke protesten al kankerden en mopperden wij studenten wel degelijk in stilte. De eerstejaars gebruikten (of verknoeiden) vele maanden ‘om er in te komen’, want er was geen opvang of ‘begeleiding’. De ouderejaars lichtten ons zo nu en dan voor; bovendien bestonden er de bijeenkomsten van helios, waarin de candidaten èchte lezingen hielden!
Maar zoals middelbare school-leerlingen instinctief weten wat hun leraren waard zijn en welke capaciteiten mede-scholieren hebben, zo had ons ‘eerste jaar’ al gauw en als vanzelf dóór hoe het met de rangorde van de candidaten was gesteld. Catrien Ypes was ‘knap’ en belangrijk, dat wil zeggen iemand met een sterke ondergrond, ernstig, rustig en gedegen werkend, van een wel-bezonken oordeel; een jonge vrouw die wist wat ze wilde en op wie men kon vertrouwen. Ze was kunstzinnig en idealistisch, terwijl haar gevoel van humor haar gelukkig behoedde voor tè-braaf-zijn.
Ik vond dat ze onverwachte en boeiende bijvakken had gekozen: Zweeds bij R.C. Boer, en Italiaans bij R. Guarnieri; later zag ik pas in hoe zeer zij daarmee afweek van haar mede-candidaten, die veel liever ‘Geschiedenis’ namen als veiliger voor een extra-onderwijsbevoegdheid. Ik weet niet of toen al haar vele reizen naar Italië een aanvang namen: onze
generatie werd bepaald niet verwend met studiebeurzen en/of reissubsidies.
Ze sloot haar opleiding af op 13 juli 1934 met de verdediging van haar proefschrift: Petrarca in de Nederlandse letterkunde. Het is een uitgebreid werk van 395 pagina's, en het verwierf cum laude. De critiek en de internationale wetenschap hebben het gewaardeerd als een grondige studie over het Nederlandse Petrarkisme (wat het natuurlijk ook ìs), meer dan als een boek over Petrarca en zijn invloed (wat zij feitelijk bedoelde), en dat schijnt haar toch te hebben teleurgesteld.
Wat mij nu bijzonder treft in het gebruikelijke dissertatie-woord-vooraf is haar dank-alinea aan dr. A. Zijderveld, dadelijk na de aanhef aan haar promotor (J. Prinsen J. Lz.) en vóór alle andere universitaire docenten (zelfs vóór Guarnieri). Hier ontmoeten wij Catrien Ypes onder die grote groep van Amsterdamse academici die steeds dankbaar zijn gebleven voor het eerlijke, nuchtere èn bezielende onderwijs van Zijderveld, eerst op de Handelsschool (men leze Jacques Presser!) en later op het (Barlaeus-) Gymnasium.
Zijderveld is haar ongetwijfeld tot voorbeeld geweest in haar loopbaan als lerares Nederlands. Zij heeft twee scholen gediend: het Gymnasium te Kampen, en dat te Arnhem. In Arnhem heeft zij het erg prettig gevonden, en ik ontleen nu enkele bijzonderheden aan de toespraak die haar naaste collega dr. H. Bonger (ook een ‘lid’ van de Zijderveld-kring) bij haar afscheid heeft gehouden. Dat afscheid vond plaats na vele moeilijke en dapper doorstane maanden, want het lot heeft Catrien Ypes tussen 1965 en 1968 flink op de proef gesteld.
In 1965 werd zij, tijdens een schoolreis te Rome (en op het Italiaanse equivalent van ons ‘zebrapad’) door een auto aangereden en zwaar gewond. Zij moest lange tijden in ziekenhuizen doorbrengen, en de materiële zijde van het ellendige ongeval werd onbehoorlijk bemoeilijkt door geharrewar met verschillende verzekeringen. Onderdeel van de moeilijkheden was dat de Italiaanse politie de getuigenverklaringen van de scholieren (als zijnde van minderjarigen) niet accepteerde.
Toen zij in 1967 eindelijk hersteld was verklaard, had zij eigenlijk haar schooltaak niet meer moeten opvatten. Met ijzeren plichtsbesef heeft zij echter de eindpaal willen halen, moest het tòch iets vroeger opgeven. En in dat laatste schooljaar waren de kinderen en zij - wat nooit eerder gebeurd was - enigszins van elkaar vervreemd.
Voordien was er altijd die sterke (en normale) sympathie die de meerderheid van de leerlingen voelt voor een docent die zich moeite voor hen ge-
troost. Bonger memoreerde dat zij de Arnhemse gymnasiasten veel had meegegeven: ‘stijlgevoel, inzicht in de letterkunde, samenhang van stromingen, critische zin en schoonheidsbesef.’ En het bleef niet alleen bij onderwijs in engere zin. In de jaren na de oorlog, toen ouderen en jongeren bezield waren van een nerveus enthousiasme omdat éíndelijk weer eens leuke dingen mochten en mogelijk waren, hebben de gymnasiasten onder haar leiding verscheidene toneel-uitvoeringen gegeven in de Arnhemse schouwburg. Ikzelf herinner mij met veel plezier een geslaagde vertoning van Mariken van Nimwegen, waarvoor ze mij uitnodigde.
Iedereen wenste en gunde haar na haar pensioenering een goed aantal goede jaren om meer tijd te hebben voor haar letterkundige werk, maar dat is haar in feite toch niet beschoren geweest. Wèl publiceerde zij in 1970 een interessant (school)boek met en over Reien van Vondel, onder de aanlokkelijke titel Met Vondel van de Rode Zee naar de Chinese Muur.
Nu ik tot haar geschriften overga, vind ik het van waarde ze in te delen naar de facetten van haar persoonlijkheid waaraan ze hun oorsprong dankten.
Daar is haar zuiver wetenschappelijke werk, zoals bijv. haar dissertatie en artikelen in De Nieuwe Taalgids en Levende Talen. Op de lijn Neerlandistiek/Didactiek plaatsen zich de al eerder vermelde Reien van Vondel, de uitgave van twee blijspelen uit de achttiende eeuw, en verhalen van Couperus en Aart van der Leeuw (onderscheidenlijk uit 1955, 1965 en 1967).
Veel en geschakeerd werk heeft zij verricht met het doel om belangstelling te wekken voor de Italiaanse letterkunde in ons land. Zij kende Italië door haar vele reizen bijzonder goed; de legende wil dat er niet één stad in Italië is die zij niet bezocht. Zij verdiepte zich ook grondig in de Italiaanse literatuur, vooral de moderne; men is haar grote dank verschuldigd voor de geregelde informatie over Italiaanse nieuwe boeken die zij in Levende Talen publiceerde als onderdeel van de gevarieerde rubriek ‘Wij vestigen de aandacht op...’
Aan haar culturele propaganda dankte zij de door haar hogelijk gewaardeerde vriendschap van de literatuur-historicus Giacomo Prampolini; haar werk bezorgde haar ook de orde Della Republica die haar tijdens haar verblijf in het ziekenhuis te Arnhem werd uitgereikt.
Daarnaast zijn er - kunstzinniger - haar vertalingen van Italiaanse teksten, zowel proza als gedichten. Kenmerkend voor haar eerbied voor het leven van mens en dier (het deed haar streng vegetarisch zijn), is haar
mooie boek Legenden van Sint-Franciscus, tijdens de oorlog ontstaan maar in 1949 uitgegeven (het beleefde een tweede druk in 1954, zoals er ook al een kleine keus was voorafgegaan in 1945). Zij gaf hierin veertig verhalen uit de Fioretti di San Francesco, en zei aan het eind van haar Inleiding dat zij bij de vertaling getracht had ‘het karakter van de Italiaanse tekst als volksboek te handhaven’. In een recensie heb ik toentertijd mijn bewondering daarover uitgesproken: ‘Het rhythme van het Nederlands - dat eenvoudig is gehouden ‘uit rijkdom’, niet ‘van armoede’ - het uiterst afgewogen kiezen van het juist genoeg archaïserende woord om een niet al te moderne nuance te verkrijgen, het karakteristieke overgaan van de verleden naar de tegenwoordige tijd der werkwoordsvormen bij dramatische hoogtepunten (lees eens hardop zo'n p.103, het begin van het bekende verhaal over de ‘wrede wolf’ in de omstreken van Gubbio!), maakt de vertaling een genot om te lezen.’
Een nog moeilijkere opgave stelde zij zich door (in hoofdzaak) moderne Italiaanse poëzie in het Nederlands weer te geven, en niet in proza-vertaling doch met een poging tot behoud van de oorspronkelijke vorm. Buiten de verschillende publicaties die daaruit voortkwamen, zullen wel veel meer teksten, neem ik aan, weerbarstig zijn gebleven en later ter zijde gelegd, want lang niet alle gedichten lenen zich tot een dergelijke omzetting.
Het belangrijkst lijkt mij de bundel Olijven en zilveren populieren uit 1960, zevenenveertig gedichten van veertig Italiaanse dichters na 1875, met een inleiding van Prampolini. Catrien Ypes biedt die prettigste vorm van leesgenot waarbij men naast de vertaling ook de oorspronkelijke tekst kan vergelijken. Kleinere dergelijke uitgaven zijn drie zogenaamde Corvey Modellen uit de jaren 1965-1967, met teksten van Prampolini, Francesco Nicosia en Leonardo da Vinci.
Dan is er nòg een aspect van haar wezen dat Catrien Ypes tot werken aanzette; ik kan dat niet anders noemen dan haar piëteit en haar trouw. Zij werkte mee aan de uitgave van een verzameling artikelen: Keur uit het werk van dr. A. Zijderveld (1953), en hielp dr. Madeleine Prinsen bij de publicatie in 1970 van Varia literaria, Veertien opstellen over literatuur van haar vader (en hun beider promotor) J. Prinsen J. Lz.
Het ontroerendst treft mij evenwel het herdenkingsboek over Jacob Hiegentlich dat het Hoofdbestuur der Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland aan haar toevertrouwde om ‘met deze uitgave van een inleiding tot en een bloemlezing uit de werken van de begaafde schrijver Jacob
Hiegentlich het feit van het honderdjarig bestaan dier vereniging, opgericht in 1849, op sobere wijze te herdenken. Tevens wil het daarmede een eerbiedige hulde brengen aan de nagedachtenis van de talloze Joden in Nederland, die - als Hiegentlich - slachtoffer zijn geworden van de Naziterreur 1940-1945.’
Het is geen groot boek omdat Hiegentlich, ofschoon hij zeer jong begon te publiceren, nog lang niet aan het hoogtepunt van zijn productie toe was. Waarom niet? De eerste alinea van Ypes' Inleiding maakt het op sobere wijze duidelijk. ‘Jacob Hiegentlich behoort tot de Nederlandse schrijvers die in de eerste oorlogsweek afstand hebben gedaan van het leven. Op de avond van de 14de Mei, toen de barbaarse verwoesting van Rotterdam het lot van ons land bezegelde, nam hij vergif in. Enkele dagen bracht hij nog in bewusteloze toestand door, tot hij op Zaterdag 18 mei 1940 in het Wilhelminagasthuis te Amsterdam overleed. Hij was slechts 33 jaar oud geworden.’
Uit die (verdere) inleiding van Ypes heb ik eindelijk iets menen te begrijpen van de opvallende, exotische figuur die wij eerstejaars met grote ogen bezagen tijdens de Nederlandse colleges bij onze Amsterdamse opleiding. Die zeer Joods uitziende dandy met zijn overdreven verzorgde kleding, geaffecteerd sprekend in een zacht en zangerig Limburgs accent, was ons volkomen een raadsel, en wij vermoedden niets van zijn artistieke mogelijkheden.
Dat Catrien Ypes, de Italianiserende Friezin, deze Joodse Limburger in 1950 zo indringend tekenen kon, vind ik uiterst merkwaardig. Zàg ze hem misschien in zijn schrift? Catrien Ypes had namelijk - en dat is een laatste bijzonderheid - grafologische gaven, en ze kon treffend zekere uitspraken doen. Over haar eigen handschrift was ze niet tevreden. ‘Ik zie maar al te goed mijn zwakke kanten,’ zei ze.
Al-met-al, dr. Catharina Ypes was een integere en boeiende persoonlijkheid; zij blijft een gave en goede herinnering voor wie haar kenden.
maartje draak
Petrarca in de Nederlandse letterkunde. Amsterdam, De Spieghel, 1934 (diss. Amsterdam).
Enige oudere Nederlandse gedichten in Italiaanse vertaling in De Nieuwe Taalgids 30, 1936 (Prinsennummer), p.66-78.
Legenden van Sint-Franciscus, uit het Italiaans I Fioretti di San Francesco. Amsterdam, L.J. Veen, 1949.
Jacob Hiegentlich 1907-1940. Een Joods artist tussen twee oorlogen. Inleiding en bloemlezing uit
zijn werk. Amsterdam, L.J. Veen, [1950].
Giov. Papini, De schrijver. [Essay] uit het Italiaans vertaald. Amsterdam, 1954.
Simon Stijl: Krispijn filosoof. De belachelijke gevolgen van het dansen ener menuet (anoniem). Twee blijspelen uit de achttiende eeuw, ingeleid en van aantekeningen voorzien. Gorinchem 1955.
Giovanni Papini 9 jan. 1881-8 juli 1956 in Levende Talen 195, 1956.
Elisabeth Jongejan [Levensbericht] in Jaarboek Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1957-1958, p.42-45.
Olijven en zilveren populieren. Moderne Italiaanse lyriek met Nederlandse vertaling (ingeleid door Giacomo Prampolini). 's-Gravenhage, L.J.C. Boucher, 1960.
Giacomo Prampolini, Uomini, fieno delle guerra. Mensen, oorlogshooi. [Gedichten] Ingeleid en vertaald. Amsterdam 1965.
Couperus: Verhalen, gekozen en ingeleid. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, [1965].
Leonardo da Vinci; Gedachten. Vertaald [uit het Italiaans] en ingeleid. Amsterdam etc., 1966.
Aart van der Leeuw; Najaar [en andere verhalen]. Uitgave verzorgd. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 1967.
Francesco Nicosia: Om een droom. [Gedichten, uitgegeven] vertaald [uit het Italiaans] en ingeleid. Amsterdam etc., 1967.
J. Prinsen: Varia literaria. Veertien opstellen over literatuur, verzameld, ingeleid en bewerkt door M.M. Prinsen en Cath. Ypes. Culemborg, Tjeenk Willink-Noorduyn, 1970.
Met Vondel van de Rode Zee naar de Chinese Muur. Reien uit zijn toneelwerk [gekozen en ingeleid]. Leiden, Sijthoff, 1970.