terug  begin  verder

19. Uitreiking van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs

Het jury-rapport voor de toekenning van deze prijs (zie Bijlage ii) wordt voorgelezen door dr. J.P. Guépin, lid van de Commissie voor schone letteren. De voorzitter wenst de bekroonde auteur van harte geluk met de prijs.

In zijn dankwoord zei Frank Martinus Arion: ‘Ik voel me bijzonder vereerd door de prijs die zo juist aan mij is uitgereikt. Ik weet hoe hoog hij staat aangeschreven. Mijns insziens terecht. De reden is niet dat hij door zeer hooggeplaatste personen pleegt te worden uitgereikt, de koningin of de prins bijvoorbeeld, maar dat de lijst van degenen die hem ontvangen hebben uit zeer illustere namen bestaat. Hoe verschillend men over de boodschappen van deze schrijvers mag denken, ze hebben zich vaak meer dan bewezen. Ik voel me dan ook, om in de sfeer van het wereldkampioenschap te blijven, even vereerd als de voetballer, die voor het eerst mag meespelen in een team, waarin de grootsten zitten, een Pele, Cruyff etcetera, mensen die hij zijn hele jeugd heeft bewonderd.

‘Een dergelijke voetballer zal waarschijnlijk zeggen: ‘Ik zal m'n uiterste best doen, u allen te tonen, dat ik deze eer waard ben.’ Ik neem zijn woorden graag over.

‘Ik dank de juryleden voor de lovende woorden in het juryrapport. Ik zal er weinig over zeggen, omdat ik het er in grote trekken mee eens ben, terwijl het hier niet de plaats is om naar aanleiding van dit rapport met de juryleden in discussie te treden. Men discussieert bovendien niet met scheidsrechters, tenminste als men geen prijs stelt op een gele kaart. Ik wil hier alleen enkele opmerkingen maken, wellicht bij wijze van aanvulling, naar aanleiding van de voorlaatste zin in hun eindconclusie: ‘De ingenieuze opzet van Dubbelspel en de verteltrant zijn waarschijnlijk meer geïnspireerd door de Latijns-Amerikaanse dan door de Nederlandse literatuur.’

‘Ik zou deze zaak gemakkelijk kunnen afdoen door hier alle nadruk op het feit te leggen, dat ik Antilliaan ben en dus ook Latijns-Amerikaan. Dan kan ik ook trots zijn op het feit, dat ik met Dubbelspel heb meegewerkt aan het

[p. 192]

beëindigen van een eenrichtingsverkeer dat al veel te lang heeft geduurd.

‘Ja, dat heb ik inderdaad ook willen doen, zeer doelbewust zelfs, namelijk, de Antillen zonder vooroordelen, dat wil zeggen van binnenuit aan de wereld tonen, niet in het minst aan Nederland. Ik heb het Papiamentu inderdaad door het Nederlands heen of vanonder het Nederlands uit willen laten klinken, zoals de juryleden ook zo spontaan hebben opgemerkt. Ja, ik heb het veelal zelfs grappig gevonden het Nederlands te Antillianiseren en ben maar m'n weg gegaan. En waarom niet?! Nog steeds is het Nederlands op de Antillen bezig het Papiamentu te vernederlandsen!

‘Ik vind het dan ook een grote voldoening, dat de juryleden dit facet, dit ‘latijnsamerikaniseren’ van het Nederlands, dit Antillianiseren van Nederland als iets positiefs voor de Nederlandse literatuur hebben ervaren en mede daardoor het boek hebben bekroond. Vooral ook omdat dit feit kan bijdragen tot een groter cultureel zelfbewustzijn van de Antillen, wat ze in de vóór-jaren van hun onafhankelijkheid niet genoeg kunnen gebruiken.

‘Toch moet ik dit alles nog in een breder kader brengen. Belangrijker namelijk dan het feit dat het in Dubbelspel gaat om Antillianen of Zuidamerikanen, is voor mij het feit, dat het Antillianen uit de lagere sociale klassen zijn. Ik heb me dan ook inderdaad nooit kunnen en willen laten inspireren door de Nederlandse literatuur, door een groot deel van de literatuur die ik ken in het algemeen. Eerder neem ik tegenover deze literatuur een polemische, protesterende houding aan, omdat deze literatuur zich voornamelijk laat inspireren door de hogere maatschappelijke klasse; omdat in deze literatuur het vooroordeel bestaat, dat de lagere klassen niets interessants te bieden hebben. Achter dit vooroordeel ligt de schijnbaar logische gedachtegang, dat als de lagere klassen aan de literatuur iets te bieden hebben, zij ook wel in staat zouden zijn zich uit hun nadelige positie te bevrijden.

‘Welnu, het gaat er om deze vooroordelen met het artistieke middel en het wapen literatuur te lijf te gaan: Mensen uit de laagste klassen moeten niet gezien worden als onvolkomen, al of niet grappige, maar in ieder geval zielige wezens, maar als complete mensen, dat wil zeggen: intelligent, worstelend, zoekend, scheppend, kortom als mensen die potentieel tot het hoogste in staat zijn wanneer hun materiële omstandigheden hun daartoe de kans bieden. Wanneer het de literatuur die ik voorsta gelukt deze vooroordelen te doen wegvallen, waaronder in laatste instantie ook het racisme behoort, bereikt ze waarschijnlijk ook dat de hogere klassen, de bourgeoisie, aan haar vastgeroeste waarden gaat twijfelen. Daardoor wordt verandering mogelijk, althans iets gemakkelijker.

[p. 193]

‘De vorm waarin dit moet gebeuren vindt men gaandeweg wel. Het kan daarbij strategisch juist zijn uit te gaan van oude vertrouwde vormen om de niets vermoedende brave burger als het ware eerst binnen te lokken om hem daarna te torpederen met de rijkdommen ‘van onderen’ waartoe horen, zeer beeldende vormen van taalgebruik, zeer interessante vormen van filosoferen en zeer grote zin voor dramatiek. De strategie is overigens beproefd, want zowel Reinaert de Vos als de held van de Antilliaanse diersprookjes, de spin Ananzi, passen hem steeds met succes toe. Men vindt er in de literatuur trouwens reeds enkele aanzetten daartoe. Ik denk bijvoorbeeld aan de Zuidamerikaanse roman Cien Años de Soledad van Garcia Marquez, aan de manier waarop Gerard Reve in betrekkelijk korte tijd door zijn niet te miskennen stijlkwaliteiten de vroeger verborgen homosexualiteit zo openlijk in de literatuur heeft doen binnendringen. Men kan denken aan Mensje van Keulen's held Bleeker, die mij gefeminiseerd lijkt, zij het dat hier waarschijnlijk niet gesproken kan worden van een bewust hanteren van strategisch schrijven. Wel lijkt het me mogelijk voor feministen in het algemeen dit wapen in de toekomst met succes te hanteren. De mannen zijn gewaarschuwd!

‘Deze bekroning acht ik dan ook vooreerst een soort bewijs, dat het wapen Dubbelspel, dat ik in dit geval gehanteerd heb, voldoende efficiënt is geweest. Ik nodig andere auteurs uit om met mij aan de verfijning ervan te blijven werken. Het enige dat daarvoor nodig is, is dat zij zo avontuurlijk zijn om te gaan pionieren in de onbekende en miskende leefruimte van de lagere klassen. Om als het ware spelenderwijs het ware karakter te demonstreren van al die spelen waarmee men het volk zoethoudt of waarmee het zichzelf helaas zoet moet houden, omdat er nog steeds brood te weinig is of omdat het aanwezige brood zo slecht is verdeeld. En het maakt geen verschil uit of het om domineren, voetballen of klaverjassen gaat.

‘Rest mij nog enkele woorden over de materiële kant van deze prijs, de duizend gulden. Ik heb heel toevallig ontdekt - maar zo toevallig is het misschien niet omdat ik me bezighoud met historische letterkunde - dat de stichter van deze prijs aan het begin van deze eeuw een boek heeft geschreven over de boerenoorlog in Zuidafrika. Het is ironisch te weten dat er voor de Boerenoorlog op de Antillen is gecollecteerd (voor de Boeren wel te verstaan) terwijl tegenwoordig Antillianen om den couleure allesbehalve welkom zijn in Zuidafrika. De titel van het boek doet, gezien de huidige politiek die de afstammelingen van de Boeren in Zuidafrika voeren, zeer ironisch aan: A Century of Injustice. Ik sta het materiële gedeelte van mijn

[p. 194]

bekroning dan ook gaarne af aan de Boycot-Outspan Actie en aan de Anti Apartheidsbeweging in Nederland om de strijd tegen de typisch Zuidafrikaanse injustice te helpen continueren.’

terug  begin  verder