Het is met veel genoegen, dat de Historische Commissie prof. dr. B.H. Slicher van Bath voordraagt voor de meesterprijs.
Slicher van Bath studeerde in Groningen en Utrecht en promoveerde, door de oorlogsomstandigheden vertraagd, in 1945 te Amsterdam op een dissertatie over Mensch en Land in de Middeleeuwen. Bijdrage tot een geschiedenis der nederzettingen in Oostelijk Nederland. In deze tweedelige studie komt zijn vermogen om verspreide gegevens, aan velerlei disciplines ontleend, tot een samenvattend beeld te verenigen reeds duidelijk uit. Het uitgangspunt vormde de plaatsnaamkunde, maar archeologie en rechtsgeschiedenis leverden een niet minder belangrijke bijdrage tot het eindresultaat. Een tweede kenmerk van Slichers werkwijze vinden we eveneens reeds in deze dissertatie: het streven naar zo groot mogelijke volledigheid en naar een statistische vorm, om zich te wapenen tegen de verleiding van voorbarige theorieën.
Inmiddels had Slicher een loopbaan bij het archiefwezen gekozen, die hem van 1946-1948 als Rijksarchivaris naar Overijsel bracht. Hier zag hij ‘welke nog ongekende schat van gegevens de rekeningen van de Overijselse ontvangers en rentmeesters bevatten’ en op grond van deze bron, die hij wel niet ontdekt had, maar waarvan hij het belang had gezien, beschreef hij in Een samenleving onder spanning (Assen 1957) de geschiedenis van het platteland van Overijsel. Voor het eerst in de Nederlandse geschiedschrijving werd hier een analyse gegeven van een plattelandssamenleving, met sterke nadruk op quantitatieve aspecten en op lange-termijn ontwikkelingen.
Nog voor dit werk voltooid was, had Slicher het archivariaat verwisseld voor een hoogleraarschap in Groningen, weldra gevolgd door een benoeming aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Hier vormde hij de Afdeling Agrarische Geschiedenis, waar de demografische, landbouwkundige, economische en sociale aspecten van de plattelandssamenleving in hun onderling verband bestudeerd worden. De statige rij aag Bijdragen legt getuigenis af van het vele en originele werk dat hier onder zijn leiding en inspiratie verricht werd. Speciale vermelding verdient het rapport over Population changes and economic developments in the Netherlands van 1965 (aag Bijdragen 12).
Naast dit op grondig bronnenonderzoek berustende werk schreef Slicher een overzicht over een ruimer gebied: De agrarische geschiedenis van West-
Dit korte overzicht, waarin wij slechts het belangrijkste hebben kunnen vermelden, toont dat Slichers werk door de combinatie van grondigheid van onderzoek en breedte van blik een allure heeeft, die hem een unieke positie geeft onder de Nederlandse historici en waardoor hij een zeer belangrijke representant van de Nederlandse geschiedwetenschap in het buitenland geworden is. In menig opzicht kan zijn werk als baanbrekend pionierswerk worden beschouwd. In het bijzonder ten aanzien van de historisch-statistische aanpak van het beschikbare, door hem nauwkeurig op eigen waarde en betrouwbaarheid getoetst archiefmateriaal, heeft hij voor de geschiedenis van West-Europa in het algemeen en van Nederland in het bijzonder talrijke bijdragen geleverd, die onze kennis omtrent de landbouw, de demografie, de sociale verhoudingen, de beroepsgeledingen in het verleden, zowel op de kleine schaal van streek en van beperkte periode als op het generaliserend niveau van geografische ruimten en van eeuwen, zeer hebben verrijkt en tot voortgaand historisch onderzoek van hemzelf en anderen stimuleren.
Gaarne wil de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dit meesterschap officieel erkennen.
Commissie voor geschied- en oudheidkunde