begin  verder
[p. 1]

Verhandelingen

[p. 3]

Louis Couperus, een leugenaar uit wellust
Door Karel Reijnders

Je zou kunnen zeggen dat Couperus twee soorten brieven geschreven heeft: ‘echte’ brieven en feuilletons. Over de echte brieven wordt door Couperianen nogal geklaagd: er zijn er betrekkelijk weinig en het merendeel daarvan is dan ook nog gericht aan één adres, dat van zijn uitgever; vele zijn zoekgeraakt en wie weet wel zoekgemaakt; en de meeste die ons resten munten niet uit door openhartigheid of door een persoonlijke toon.1 Zelf heb ik als mogelijke verklaring voor dit laatste gewezen op pijnlijke ervaringen die Couperus in zijn korrespondentie heeft opgedaan, vooral in die ongelooflijke affaire met Van Deyssel.2

In elk geval liggen daar dan nog die andere brieven, net nog níet of net nog wél ego-dokumenten, die zich laten vatten onder de noemer feuilletons. Het feuilleton is, zo tegen 1910, voor Couperus de redding, nu hij oordeelt dat zijn romans niet voldoende meer aanslaan bij het lezerspubliek. Natuurlijk formuleert hij het algemener: de roman als zodanig is eenvoudig uit de tijd. Maar wat erachter zit is duidelijk: ‘En waarom zoû ik niet liever feuilletons schrijven dan romans? Tenminste waarom zoû ik niet liever feuilletons publiceren dan romans?? Een feuilleton leest iedereeen, een roman... Wie leest nog een roman?’ ‘Mijn feuilletons? Iedereen leest ze! In den trein, in de tram; ik ben nooit nog zoo populair geweest als sedert ik feuilletons schrijf.’3 Hij levert wekelijks trouw zijn zes bladzijden kopij voor het zaterdagnummer van Het Vaderland (en later ook voor De Haagsche Post), als een gewoon journalist. Maar hij weet wat hij waard is. Een vriend werpt hij toe, ‘in het volle bewustzijn van mijn loomen hoogmoed’: ‘Kan jij de kunst van het woord? Kan jij ‘een praatje maken’ in het Hollandsch? Kan jij... een feuilleton schrijven?’4 ‘De journalistiek is, efemeer

[p. 4]

en broos, de moderne vorm van de literatuur, en de schrijver hoeft zich niet te schamen dat hij een amuzeur is: dat zijn in wezen alle artiesten.’5

En wat de vergelijking met zijn ‘echte’ brieven betreft: ‘Ik schrijf feuilletons veel beter dan intime brieven. De laatste roffel ik af, zelfs de dankbare; de eerste verzorg ik als de Florentijnsche fioraio zijn boeketjes viooltjes verzorgt.’6

Maar één ding is duidelijk: van voorzichtige distantie en afwering kan nu geen kwestie meer zijn. In een feuilleton zoals Couperus dat beoogt - een gedrukte brief naar huis, als het ware - moet de auteur om doel te treffen zijn ‘lezer en vriend’ in vertrouwen nemen, hij moet honderd uit praten, niet het minst over zichzelf en de zijnen. Dat doet Couperus dan ook, zo overvloedig zelfs dat zijn vrouw hem een keer een schrijfverbod over zijn intimi moet opleggen. Zégt hij.7

De vraag rijst of deze openhartigheid nu wel in de aard lag van iemand als hij. Couperus is er in feite toch de man niet naar om zich bloot te geven, daarvoor is hij veel te kwetsbaar en te vaak gekwetst.8

En er is nog een kwestie. Is de werkelijkheid, onversierd en onversneden, altijd wel voldoende om de lezer te boeien? Het feuilleton mag dan een journalistieke kunst zijn, het is niet zonder meer op journalistieke verslaggeving uit. De feuilletonist à la Couperus zal graag uitgaan van zijn eigen werkelijkheid, maar hij kan er zich niet door laten bepalen en beperken.

Hier komt, in beide gevallen, de leugen te hulp. Zeg dat wat je vertelt gelogen is, en je mag de werkelijkheid verder naar je hand zetten. Je kunt je zelfs veroorloven de waarheid te vertellen, want als leugen opgedist is ook de hachelijkste waarheid-over jezelf bijvoorbeeld-onschadelijk. En het kan nog verwarrender als op de koop toe de ironie wordt ingeschakeld. E. d'Oliveira had Couperus als onhollandse spotvogel door, toen die hem inplaats van een-voor hem gevaarlijk, want mogelijk onthullend-interview naar zijn boeken verwees: ‘U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig

[p. 5]

leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in interview.’9 Men raadt de pret van de briefschrijver als hij daar in onbewogen ernst en zeer hulpvaardig aan toevoegt: ‘En vindt u dat overlezen een ‘mer à boire’, dan zoû ik u willen raden, begin met te lezen mijn feuilletons in het ‘Vaderland’-reeds in enkele bundels uitgegeven-en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult.’ D'Oliveira zou in de krant zelf waarnaar hij hier door Couperus verwezen wordt, in een nummer van geen vier jaar tevoren-gemakkelijker natuurlijk in de bundel waarin dat feuilleton hetzelfde jaar 1910 werd afgedrukt: in de eerste bundel Van en over mijzelf en anderen10-de Bekentenis hebben kunnen vinden die zijn wantrouwen op uitdagende wijze zou hebben bevestigd. Het stuk verdient in zijn geheel gelezen te worden, maar ik beperk me tot de meest saillante passages:

‘[...]laat mij het u dan maar dadelijk zeggen, en u de zonde van mijn ziel bloot leggen, en laat mij dan u verzekeren, dat mijn grootste ondeugd, de wellust van mijn zondige ziel, déze is, dat ik volgaarne lieg! Begrijpt ge het? Dat, als ik lieg, de leugen mij een zaligheid is, een wellust, een extaze kan worden! Dat ik altijd gelogen heb! dat ik nooit anders zàl dan liegen! Dat de zalige leugen mij zóo werd ingeboren, dat ik gelogen heb van klein jongentje af.’

‘Vertrouw mij nóoit als ik u iets vertel. Ik heb het métier gekozen van leugenaar, ik meen romancier, van verteller en vinder, en ik heb u al vele, heel lange verhalen verteld, die woord voor woord leugen zijn, die of niet gebeurd zijn, of anders gebeurd. Wees overtuigd, dat, indien ze zóo waren gebeurd, als ik ze u heb verteld, ik ze u anders verteld zoû hebben. De leugen is mijn satanisme, voor de leugen kniel ik devotelijk neêr, en aanbid haar als de heerscheres der wereld.’

‘Ik lieg altijd, ik kan niets anders dan liegen: leugen is mij te groote zaligheid. Ik lieg zelve en ik wil, dat men mij liegt. Ik verafschuw de bloote, bleeke waarheid,11 met haar anemieke, schrale ledematen, afgevast, door

[p. 6]

alle kastijdingen misvormd, uitgeput door alle ontbering. Mijn Leugen is onder haar plooiende mantels van damast en goudlaken weelderig als een vrouw van Titiaan of Veronese.’

‘[...]ik lieg altijd. Vertrouw zelfs niet mijn proza-woord, ook al klinkt het mat en bleek van waarheid: mijn proza-woord is een leugen. Ik beroem er mij op, dat ik u nooit iets gezegd heb, dat waar was, dat ik u altijd heb voorgelogen.’

‘Ik waarschuw u alleen van daag. Ik waarschuw u nooit meer. Ik zal u voortaan altijd met al de verleidingen van mijn woord, met al den klank en kadens van mijn stijl, pogen te bedriegen, en te beliegen, en als ik slaag-als ik bespeur, dat ge ontroerd wordt, geschokt, dat ge lacht of weent, omdat ge u verstrikt in het kunstig warnet van mijn leugens, en de fantasmagoriëen van mijn klankbeelden aanneemt voor een afspiegeling van de Waarheid, die ik haat,-heb ik mijn doel bereikt en acht ik mij volkomen gelukkig...’

Het lijkt me duidelijk wat Couperus eigenlijk wil: hij wil gewoon, net als iedere roman- en verhalenschrijver van zijn tijd, de lezer boeien. En hij wil het ook op een manier die gangbaar was in zijn tijd: door die lezer te betoveren en hem te verstrikken in mysteries, door hem te begoochelen en te hullen in de sluiers van zijn verhaal. En het lijkt me óók duidelijk dat hij in dit stuk badineert, doordraaft als u wilt. Verder heeft hij het hier over zijn verhalend werk in het algemeen; maar dan toch voor zover daarin over (al dan niet) gebeurde zaken en (al dan niet) echte feiten wordt verteld, want hij heeft het over het waarheidsgehalte ervan. Hemzelf gebeurd? Hij zegt het toch maar in zoiets persoonlijks als een feuilleton, zelfs nu net in de tijd dat hij zich niet lang tevoren van de roman bekeerd heeft tot het feuilleton.12 Het lijkt me dan ook hoogstwaarschijnlijk dat wat hij wil versluieren niet de ‘waarheid’ der gebeurtenissen in het algemeen is, maar de waarheid over zichzelf. Maar als hij inderdaad mede op zijn feuilletons doelt, zitten wij

[p. 7]

toch met die bewering: ‘Ik beroem er mij op, dat ik u nooit iets gezegd heb, dat waar is, dat ik u altijd heb voorgelogen.’13 Welnu-om naar Multatuli te verwijzen-het is duidelijk dat ook dit niet geheel waar kan zijn; wellicht is het dat voor het grootste deel niet, en daarmee is de verwarring groot genoeg om de schrijver de vrije hand te geven. Als de bevriende nederlandse Romein, de beeldhouwer Pier Pander ook ‘in de courant’ moet, wordt als troost vermeld dat Couperus meer over zichzelf in de krant zet dan over zijn omgeving. ‘-Ja, zegt Pier nu; en dan... hij zet nooit het eigenlijke ‘in de courant’, zelfs niet over zichzelf...’14 Dat heeft ook Couperus zelf herhaaldelijk geschreven. ‘Wij, schrijvers, spelen immers altijd komedie. Dit is ten minste ons dartel spel: we doen of we onze psyche voor u blootleggen, maar we doen het heelemaal niet, hoor. Want we leveren altijd copie en litteratuur, en heusch, die moet ge niet al te naïef vertrouwen. Wij zijn de grootste voor-den-gek-houders, die er bestaan.’15 Dat wil nu dus ook weer niet zeggen dat er in zijn werk, en met name in zijn feuilletons, geen waarheid te vinden is, enkel dat die er heel knap en heel verraderlijk in is verborgen. Erin is versluierd, om nogmaals het beeld te gebruiken dat de symbolisten graag gebruiken, en dus ook Couperus zelf: ‘En ik wilde mijn emotie niet verraden, want wat ik verraad in het geschreven woord is niet meer dan mijn ziel, door mijn kunst gesluierd, maar wat ik verraden zoû in het gesproken woord... ja, misschien in het dichte waas over mijn oogen, zoû de naakte waarheid zijn en zij is misschien wel móoi... maar nooit betamelijk!!’16 Zo spreekt hij immers ook in de geciteerde Bekentenissen: de leugen

[p. 8]

gaat in brokaat en gesluierd, gehuld in schemer, en achter haar wemelt het mysterie.

Het zou intussen tragisch zijn voor degenen die over Couperus geschreven hebben met behulp van gegevens uit zijn feuilletons, als de ‘waarheden’ die daarin door de auteur over hemzelf en de zijnen verwerkt zijn, inderdaad allemaal afdoend in sluiers van leugen verborgen waren. In ieder geval zal het langzamerhand duidelijk zijn dat men, om deze waarheden te onthullen, wel zeer zorgvuldig te werk moet gaan, onder andere door over elke kwestie alle plaatsen waar Couperus erover geschreven heeft, naast elkaar te leggen en zorgvuldig met elkaar te vergelijken, liefst samen met gegevens van externe herkomst. Aldus laat zich volgens mijn overtuiging nog een aardig kwantum ‘waarheden’ aflezen.

Laat mij dit toelichten met een minuskuul detail. Bekend is de kontroverse over Orlando Orlandini: heeft hij echt bestaan of is hij een produkt van Couperus' verbeelding? Marc Galle zegt: verbeelding (‘Voor hem [Couperus] was hij de incarnatie van wat en hoe hijzelf had willen zijn.’), en hij beroept zich op mevrouw Elisabeth Couperus-Baud.17 Albert Vogel laat deze in dit geval onbetrouwbare getuige tegenspreken door Couperus' zuster, mevrouw Mies Vlielander Hein (en door zijn eigen lezersintuïtie).18 En nu mijn minuskuul detail. U weet dat Orlando op de vele plaatsen waar hij in de feuilletons optreedt wordt omgeven door een hele huishoudelijke stoet: zijn zuster Elettra, de knecht Salvatore, en het vrouwelijk personeel, de meisjes Pia en Brigida. Maar het is geen wonder dat de blik van Couperus herhaaldelijk met biezonder welgevallen rust op Vico, ‘het aardige chauffeurtje’. Welnu, deze Vico komt-op last van Orlando-zijn chauffeursdiensten aanbieden als er een moeilijk bereikbare stad-Ostia-optreedt in het programma van Couperus' kunst-ekskursies. En zo treffen we het chauffeurtje aan in een reeks feuilletons waarin hij niet zou thuishoren als hij verzonnen was, in de niet-fiktionele rondtocht langs de kunststeden en kunstschatten van Italië, verzameld in de twee bundels Uit blanke steden onder blauwe lucht, waarin Couperus fungeert als een ijverige en nauwgezette cicerone en tijd noch zin heeft ons-naast al dat kunstschoon-ook nog met

[p. 9]

mensen in kennis te brengen.19 Behalve met Vico dus, die mevrouw Couperus belooft voorzichtig te rijden, ‘nèt zoo kalm [...] als de signore het doet...’20 Want hij weet natuurlijk dat bij een andere gelegenheid Orlando zelf chauffeert, en dat hij, Vico, dan aan de voeten van Couperus zit.21

Ik heb het al bekend: een minuskuul detail. En op zichzelf natuurlijk niet helemaáál overtuigend. Gelukkig maar dat professor Bastet intussen twee ‘echte’ brieven ontdekt heeft, waaruit onomstotelijk blijkt dat Orlando bestaan heeft.22 En met de feiten daaruit kan hij dan weer bewijzen dat de mededelingen in de schets Ter uwer verjaring ‘geheel met de waarheid overeenstemmen’.23 Wat niet wegneemt dat er, ook inzake Orlando, problemen genoeg overblijven, en dat Bastet de mogelijkheid moet openlaten dat de literaire figuur Orlando heel goed een kontaminatie kan zijn van meer dan één persoon in Couperus' leven.24 Zeg wél: inlegkunde. Eigenlijk heeft Vogel het nog het veiligst geformuleerd, maar die voegt een faktor in die wij juist wilden elimineren, de verbeelding: ‘Hoe dan ook, of Orlando in werkelijkheid bestaan heeft of dat hij een schepping van Couperus is, de rol die hij in ‘Het Verbeelde Leven’ van Louis Couperus

[p. 10]

speelde was er niet minder om.’25 Maar zelf schrijft hij ‘het levensverhaal’ van Couperus, niet ‘het verbeelde levensverhaal’. Dat is juist het verschil met Kees Fens, die dan ook als eerste stuk van zijn Louis Couperus in eigen woorden de brief opneemt waarin Couperus d'Oliveira om de tuin tracht te leiden door hem voor waarheid te verkopen wat fiktie is, of althans met fiktie doorweven waarheid.26 Fens vindt klaarblijkelijk dat ook iemand die liegt over zichzelf, daarmee heel wat van zijn diepste werkelijkheid blootgeeft. En dat is een waarheid die ik graag wil onderschrijven. Je kúnt Couperus, de mens die hij geweest is, leren kennen uit zijn geschriften, autobiografisch getint of niet, ook al was hij een leugenaar uit wellust. Maar met de feiten moet je oppassen.

1H.W. van Tricht, Louis Couperus als briefschrijver in Maatstaf 11, 1963, p.145 en p.150; Frédéric Bastet, Louis Couperus en de klassieke oudheid in De Revisor 2, 1975, p.2.
2Couperus bij Van Deyssel, Amsterdam 1968, p.104 vlg., 168 vlg. en p.175 vlgg.
3Uit het feuilleton Een interview in Het Vaderland (Vad), 18 juni 1910 (ook in Korte Arabesken, Amsterdam 1911, p.259-270 en in Verzamelde Werken (vw) 7, Amsterdam-Antwerpen 1952-1957, p.522-528.
4Uit Midzomerloomtes in Het Vaderland, 26 augustus 1911 (ook in Van en over alles en iedereen (veoa) ii, dl. i, Amsterdam 1915, p.65-71 en in vw 8, p.363-368).
5Dit zegt niet Couperus zelf, maar zijn alter ego Lot in Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan 1, Amsterdam [1906], p.87-89 (ook in vw 6, p.57 vlg.).
6Uit Open brief van Louis Couperus aan Marchesa A.V., te Napels in Vad, 30 maaat 1912 (ook in Van en over mijzelf (veom) ii, dl.2=veoa ii, dl.2, p.73-78 en vw 8, p.429-433).
7In Aan boord van het meer in Vad, 15 juli 1911 (ook in veoa ii, dl. i, p.29-34; niet in vw).
8Vergelijk onder andere mijn opstellen over de literaire dandy, onder meer Couperus in Onder dekmantel van etiket, Amsterdam 1972.
9E. d'Oliveira, ‘De jongere generatie’, Amsterdam [1914], p.xv vlg; over het door hemzelf wel (later door anderen niet) onderkende ‘spotduiveltje’ zie aldaar p.xiv en xvii.
10Bekentenissen 1 in Vad, 15 januari 1910 (ook in veom i, Amsterdam [1910], p.58-60; niet in vw).
11Natuurlijk zou de betekenis van dit woord waarheid bij Couperus (nog afgezien van vragen als: is waarheid wel te kennen, is zij enkelvoudig, is zij strijdig met onwaarheid?) onderzocht moeten worden, willen wij zekerheid hebben wat hij bedoelt. Hij gebruikt het graag als synoniem van werkelijkheid, en bakent dat woord af door ernaast (niet altijd: ertegenover, zoals hier wel de leugen) te zetten begrippen als illuzie, verbeelding, fantasie, visioen, droom en, (vooral in latere fazen) ironie. Een onderzoek naar deze woordrelaties is nog niet geheel afgerond, zodat het te vroeg is om er hier al over te rapporteren.
12Al in 1906 wil hij ophouden in het Nederlands te publiceren (zie brief aan L.J. Veen bij Van Tricht in Maatstaf 11, 1963, p.205; vergelijk voor 1912 aldaar p.212). Eind 1909 zoekt hij het dan bij de feuilletons. Van oude menschen dateert van 1906, pas in 1913 zal weer een grote roman verschijnen: Herakles. In die tussentijd publiceert hij, wat romans betreft, enkel Aan den weg der vreugde (1908) en Antiek toerisme (1911). ‘Ons’ feuilleton, Bekentenissen dateert zoals gezegd van januari 1910.
13Men vraagt zich af of bijvoorbeeld Albert Vogel van deze bewering niet geschrokken is. Merkwaardigerwijs vermeldt hij de Bekentenissen wel, maar hij negeert het eerste part, waaruit hierboven geciteerd wordt, totaal: hij geeft de inhoud van part ii (over het motief der verwachting) alsof dat de hele inhoud was van deze Bekentenissen) (De man met de orchidee, Rotterdam [1973], p.164). Overigens heeft hij het elders in zijn boek wel over Couperus' afkeer van de onverbloemde waarheid en van een eerlijkheidspoze (Orchidee, p.55 en 125).
14Uit Bij Pier Pander in Vad, 11 februari 1911 (ook in veoa i, dl. i, p.26-33 en vw 8, p.277-283).
15Dus toch een tweede waarschuwing! Uit Intieme impressies xiii in Vad, 20 mei 1923 (ook in Proza iii, Amsterdam [1925], p.192-197; niet in vw). Vergelijk ook mijn Couperus bij Van Deyssel, p.569 vlg.
16Uit De Hollandsche schilders in Vad, 26 april 1911 (ook in veoa i, dl.2, p.53-61 en in vw 8, p.306-313). Later zal hij twee interviewers in Londen ook waarschuwen (!) voor de onbetrouwbaarheid van zijn gesproken woord: ‘maar toen ze mij beiden hetzelfde vroegen-sport, hobby en wat dies meer zij-waarschuwde ik, dat ik niet altijd op deze zelfde vragen hetzelfde antwoordde, zoodat ze gevaar liepen elkander tegen te spreken, als ze mij vertrouwden.’ (uit Klaargemaakte tafelspeeches-Zomersch week-end in De Haagsche Post, 13 augustus 1921; ook in Proza ii, Amsterdam 1924, p. 290 en in vw 12, p.217).
17Marc Galle, Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan; het noodlot in het werk van Louis Couperus, Hasselt [1973], p.105, noot 153. Galle zegt daar; ‘Enkele nieuwsgierige biografen, die graag artistieke vinding op het reële leven van de kunstenaar betrekken, lieten zich [...] misleiden.’ Precies het probleem dat ons bezig houdt.
18Albert Vogel, De man met de orchidee, p.158.
19Het is opvallend hoevaak wendingen als deze volgende in deze bundels voorkomen: ‘Laat mij u eerst voeren in deze erezaal, die’ (i, p.119) en: ‘Maar wenden wij het oog naar boven en beschouwen wij nu de Ontzettingen, die de schilder verbeeldde en uitbeeldde’ (ii, p.43). Significant in samenhang met ons onderwerp is dat hij zijn lezers herhaaldelijk aanspoort monumenten te zien die niet meer bestaan, iets wat Couperus' verbeelding vaak en makkelijk presteert (bijvoorbeeld ii, p.103 en p.109).
20Uit blanke steden onder blauwe lucht [ii], Amsterdam [1913]. p.172 vlg. (het feuilleton Ostia eerder in Groot-Nederland 1911 ii, p.135-151; ook in vw 8, p.724-741). Natuurlijk komen er in deze twee bundels wel dán levende mensen voor, niet alleen monumenten (en kunstenaars uit vroegere tijden). Maar die mensen zijn ófwel mede-toeristen, met wie Couperus niet in kontakt treedt (‘geleerden en toeristen, cosmopolitische ijdelaars en naar levensbelang zoekende Engelsche dames’ bijvoorbeeld: i, p.103); ofwel inwoners die als het ware dienen om landschap en steden te stofferen (venters, muzikanten, kantwerksters, glasblazers, straatjongens, bedelaars, een herder e tutti quanti); ófwel zelf gidsen en rondleiders (een stok-oude kerkbewaarster en een al even oude custode bijvoorbeeld); ófwel net als Vico vervoerders: gondeliers, een koetsier. Van hen dragen alleen de custode en de koetsier een naam (ik wed: hun werkelijke naam), resp. Ferruccio (ii, p.31) en Riverito Velluti (ii, p.51). En Vico dus, de enige-en daar gaat het om-die ook in de andere feuilletons van Couperus herhaaldelijk voorkomt, en wel als de chauffeur van Orlando.
21Naar Rome in Vad, 21 januari 1911 (en in veoa i, dl. i., p.1-9 en in vw 7, p.269-276).
22Bastet, in noot 1 aangehaald artikel, p.7.
23Aldaar, p.14.
24Aldaar, noot 88.
25Albert Vogel, De man met de orchidde, p.159.
26Kees Fens, Zo ik íets ben...Louis Couperus in eigen woorden, [Amsterdam 1974], p.8.
 begin  verder