begin  verder
[p. 1]

Verhandelingen

[p. 3]

‘Wat zal Geel er van zeggen?’*
Door Karel Reijnders

O, die geel! Hoe verveelde my die geel! Alles sprak en schreef my van geel! De een beklaagde my om geel. De andere zette my op tegen geel. Alles werd my geel voor de oogen. De geheele natuur scheen my geelzucht te hebben.1

I

Uw voorzitter heeft een reprimande moeten incasseren omdat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde zich in haar vorige jaarvergadering niet heeft bekommerd om Potgieter, en dat terwijl die in 1975 toch op de kop af honderd jaar dood was. Gelukkig hebben we volgens deze criticus ook iets goeds gedaan: ons medelid prof. Jacob Smit de kans gegeven een tweede druk te bezorgen van zijn uitgaaf van Florence.2 En vanmiddag gaan we - om onze goede wil te tonen - de honderdvijftigste verjaardag vieren van Carel Vosmaer, slechts drie maanden na dato.

Maar zou het wet zo fijnzinnig zijn geweest, Potgieter hier te herdenken? Die hield niet van Maatschappijen, en allerminst van de onze. Ik herinner aan de boze voorwaarde die hij 7 januari 1867 heeft gesteld aan onze toenmalige secretaris, dr. W.N. du Rieu. Potgieter wil hem wel de inlichtingen geven waarom hij gevraagd heeft, ‘als Ge maar eerst mijn naam op de lijst der Leden van de Maatsij doorhaalt.’3

De boze Potgieter verwijst daar naar Jacob Geel, de Leidse classicus en bibliothecaris, die hier aan de overkant heeft gewoond en gezeteld (al zou hijzelf bezwaar gemaakt hebben tegen de plechtigheid van de laatste term,

[p. 4]

wellicht met de opmerking dat hij ook maar weinig zitvlees had). En over Geel wil ik het vandaag wél hebben. Hij althans heeft zich met onze Maatschappij - en met het verschijnsel Maatschappij en de gewassen of uitwassen daarvan - zo vaak en zo behulpzaam ingelaten, dat hij verdient hier van tijd tot tijd te worden herdacht, jarig of niet jarig. Alleen al Potgieters verwijzing naar hem zou daartoe vandaag voldoende aanleiding zijn. Want wat heeft Geel op die plaats over de Maatschappijen van zijn tijd beweerd? Dat ze toen, in de jaren dertig van de vorige eeuw, eigenlijk uitgediend hadden. ‘Het zijn uitgebrande kraters, waarin Jan en alleman, jong en oud, zonder gevaar en op hun gemak kunnen zitten.’ Het zal mede van onze leeftijd en vitaliteit afhangen, g.t., of wat Geel daarop laat volgen, ook voor ons de bedoelde geruststelling inhoudt: ‘Ik zou dáárom evenwel niet wenschen, dat zij geslecht en met den grond gelijk gemaakt wierden: zij zijn physiek nuttig, en leeren klimmen.’4 Dit laatste werd door Potgieter - in 1867 - overigens niet meer geaccepteerd: ‘men blijkt er niet langer in opgenomen van dat men leerde klimmen.’5 Gelukkig is dat sindsdien dan terdege veranderd: vandaag de dag is het niet langer gevaarlijk je in de letterkunde - ik noem maar een zijstraat - te onderscheiden... Of om bij de agenda te blijven: wij spreken vanmorgen, wat de Maatschappij betreft, wel heel negentiende-eeuws over ‘selectiecriteria’,6 maar steken daarbij welwillend een hand uit naar jeugdige klimmers. Van vitaliteit gesproken!7

Wie meer wil weten over Geels strijd tegen de misstanden die het ver-

[p. 5]

schijnsel Maatschappij in zijn dagen aankleefden - ik noem maar de verhandelingszucht, me ervan bewust dat ook deze toespraak als verhandeling zal worden gedrukt - die kan hem daarbij desgewenst aantreffen in de volle ernst der verontwaardiging. Als een auteur zijn boek in tweeën heeft gesplitst - zoals ook ik deze toespraak in tweeën zal splitsen - terwijl de twee behandelde verschijnselen toch alleen samen-en-verenigd voorkomen, barst Geel los: ‘Zoo wij ons niet bedriegen, dan heeft hier al weder die ongelukkige Verhandelingsvorm de stoffe bekneld, of liever slechts een gedeelte kunnen bevatten van hetgeen de Spreker zeggen moest of nog naauwkeuriger beschouwen wilde. O, die Redevoeringen! o dat rhetorische goochelspel der oppervlakkigheid! hoe veel onderwerpen hebben zij niet van eene betere behandeling beroofd! Hoe veel gezag hebben zij hier te lande niet, als bijlagen en bewijsstukken der wetenschap!’8

Maar meer leesgenot verschaffen de teksten waarin Geel zijn humor - of zijn ironie, dat moet nog uitgevochten worden - botviert: het Tafelgesprek over zaken van groot gewigt, waaruit het citaat over die kraters stamt, en de toespraken Over de pligten van een toehoorder9 en Nieuwe karakterverdeeling van den stijl10 de laatste van de drie voorgedragen in een openbare maandvergadering van onze bloedeigen - en nog altijd blakende - Maatschappij, hier te Leiden. Zulk lichtvoetig proza heeft Geel een ereplaats bezorgd in het zwaarwichtig proefschrift over de humorcultus, waarin mejuffrouw Jongejan hem schaart onder, of liever boven, de navolgers van Laurence Sterne (1718-1768).11 Inderdaad, Geel hield van Sterne; hij heeft diens Sentimental journey met liefde vertaald. In een tekst die misschien van zijn hand is en die handelt over zijn voorganger als vertaler van Sterne, Bernardus Brunius, verzekert nicht Truitje haar oom (die dan zou fungeren als een alter en ouder ego van Geel zelf): ‘yorick's Sentimenteele Reis, beste Oom! die gij ieder jaar zeker eens òf in het Engelsch, òf in het Hollandsch leest, en die u, toen gij nog wel uit de stad plagt te gaan, altijd op reis ver-

[p. 6]

gezelde, ken ik bijna van buiten.’12 Elders heeft hij het over ‘het heerlijke boekje van Sterne, waarin meer praktische zedelijkheid is, dan in eene kast vol preken.’13 En inderdaad (zeg ik voor de tweede keer), Sterne heeft zich in Tristram Shandy als humorist - dus met mededogen - uitvoerig ingelaten met vormen van pseudo- en would-be-geleerdheid. Maar tegen Maatschappijen en Genootschappen was hij, als achttiende-eeuwer, toch niet zozeer gekant. Dat was een motief van de negentiende-eeuwse humorcultus, van Geel en zijn minderen. Geel kon weten waarover hij sprak als hij de verhandelingswoede en prijsvragen-zucht op de korrel nam: hij was lid van een indrukwekkende reeks nationale en internationale Genootschappen en Maatschappijen, de meeste overigens van beproefde geleerdheid.14 Maar één ding deed hij, bij al zijn bezwaren en al zijn spot, dan toch niet: hij liep niet boos weg, als Potgieter. Als hij spotte deed hij dat om te amuseren èn - doortrapt didacticus - om te verbeteren. En zeker ook tegelijkertijd - want hij wist in alle bescheidenheid wat hij waard was - als een staaltje van emulatie. Waarbij hij zich, om de verhandelingen te hekelen, bediende van verhandelingen, of van wat hij daarvoor liet doorgaan.15 Want als hooggeleerde heren zoals Siegenbeek of Tydeman of Van der Palm bij hem verhandelend aan het woord leken te komen, als waren ze niet

[p. 7]

van het podium weggeweest,16 dan was alleen de gelijkenis sprekend, maar de parodie zou gevoeliger naturen voorgoed het zwijgen hebben opgelegd.

Vergun me dat ik me bij de demonstratie van Geels spotzucht met wat zich in onze Maatschappij zoal afspeelde, beperk tot één voorbeeld. Het treft daarbij toevallig - zal ik maar zeggen - dat hij in dit geval nu juist zijn ironisch spel speelt met een aspect dat ook ons vandaag nog zal bezighouden: het probleem van de openheid, althans de openbaarheid. Het voorbeeld laat zien dat Geel niet alleen op eigen initiatief min of meer geslaagde grapjes in zijn voordrachten aanbracht (zo bij de hier bedoelde gelegenheid de mededeling over de vergaderingen van de Maatschappij, ‘waarin een spreker, somtijds twee sprekers optreden: de tweede na den eersten17 - maar dat hij ook een geraffineerd gebruik wist te maken van de omstandigheden.

Het voorbeeld in kwestie is de aanhef van de verhandeling Over het reizen. Zaak was dat Geel zijn voordracht eerst, in 1831, had voorgelezen - op de befaamde levendige wijze, mogen we aannemen -18 in een besloten vergadering van ‘de Leidsche Afdeeling onzer Maatschappij’ (ook de onze dus), waar men gezellig onder elkaar was en waar ook de spreker zich aan geen ernst of deftigheid gebonden hoefde te voelen. Hij herhaalt de voordracht in 1834 te Rotterdam, nu in een openbare vergadering, ook van een ándere Maatschappij.19 Maar in plaats van zijn tekst aan te passen aan die openbaarheid doet hij of hij er een beetje ingelopen is, legt even uit hoe dat zit, en begint met een stalen gezicht zijn oorspronkelijke tekst voor te lezen (‘een mijner eigene geheime opstellen’, - het woord geheime alleen al, het is of we een Reve avant-la-date horen!). En daarvan gaat de aanhef juist over de voordelen der beslotenheid: ‘Onze afgesloten bijeenkomsten laten een stijl in huisgewaad toe’; iets wat zowel op de spreker slaat als op zijn hoorders. De laatsten hebben daarenboven de gelegenheid hun pijp te roken en ze moeten dus niet de eis stellen, op de koop toe geboeid te worden. Het is duidelijk: Geel weigert in het openbaar deftiger op te treden dan in intieme, besloten kring, en hij vindt, omgekeerd, voor de openbaarheid goed genoeg wat in die beslotenheid had voldaan. En hij haalt een tactisch voor-

[p. 8]

deel uit het verschil der omstandigheden, die hem de antieke captatio benevolentiae cadeau doen: hij trekt de toehoorders in de sfeer van zijn intimiteit, die van zijn toespraak.20 De hele manoeuvre is een van de subtiele voorbeelden van Geels streven naar losse natuurlijkheid van schrijfstijl en van openbaar gedrag. En van zijn oprechte steun aan het streven naar openheid dat ons allen vandaag bezielt. Al kan het evengoed dienen als argument van de tegenstanders, laat mij dat zeggen voordat zij er zelf mee komen aandragen. En daarmee zijn we tegelijk beland bij een van de bezwaren die je tegen sommige teksten van Geel - niet alleen de ironische - kunt aanvoeren: het is zo moeilijk uit te maken aan welke kant hij nu eigenlijk staat. Bakhuizen van den Brink schrijft aan Beets naar aanleiding van Geels recensie van De maskerade: ‘Na de lezing en herlezing van uw gedicht begrijp ik deze recensie nog evenmin als voor dezelve. Wil Z.H.G. u prijzen en aanmoedigen of laken en waarschuwen?’21 En in zijn befaamde recensie van Geels bundel Onderzoek en phantasie vraagt dezelfde Bakhuizen (het gaat over Bilderdijk en Schiller in Iets opgewondens over het eenvoudige): ‘Beslist de Heer geel ten voordeele der eene of andere rigting?’22 Dit zinnetje kan men bij Geel vaak gebruiken, vooral als hij de dialoogvorm kiest voor zijn opstellen. Het toppunt - een beeld dat hier toepasselijk is - vormt het Gesprek op den Drachenfels, waarvan Geel zelf heeft beweerd dat men het pas over twintig jaar geheel zou begrijpen,23 en waarvan de laatste uitlegger beweert dat men het tot de dag van vandaag niet geheel begrepen heeft. Hier staat het nog eens: ‘Wat bedoelt Geel precies, is een vraag, waar men bij de analyse steeds weer mee geconfronteerd wordt.’24

[p. 9]

II

We hebben Geel onwillekeurig wat gunstig afgeschilderd naast Potgieter, zijn bewonderaar, van wie Bakhuizen vond dat hij aan Geelzucht leed, net als hijzelf trouwens. Overigens heeft dezelfde Bakhuizen het in een brief aan Potgieter over ‘de allergevaarlijkste geele koorts’, terwijl Hasebroek zelfs wijst op ‘vele blijken van Geelhaat’.25 Maar het valt niet moeilijk een dik pak voortreffelijke getuigschriften over hem te verzamelen, van vrienden en leerlingen, van biografen en schrijvers over zijn werk.

Ik volsta met een vrij willekeurig gekozen getuigenis, uit een brief van Bakhuizen van den Brink aan prof. J. Bake, geschreven in Breslau 5 februari 1845:

‘Waar ik in Duitschland eene bibliotheek bezoek, zijn mij altoos twee schimmen vooruit. De eene begroet ik als een goeden genius en accipio omen. Jammer slechts dat ik overal niet de persoon, maar zijn ειδωλον vinde, d.i. eene herinnering van hem aantref en een vriendelijk woord over hem hoore. Het is professor Geel, wien geheel Duitschland niet alleen als geleerde eerbiedigt, maar ook als een voorbeeld beschouwt, hoe een bibliothecaris door humaniteit en liberaliteit op duizenderlei wijzen de wetenschap kan dienstig zijn. De andere’...26 (maar dat doet voor ons niet terzake).

En als men een tegenstem wil horen, dan geeft die enkel een restrictie: ‘Ik verliet G. met grote tevredenheid. Toch is het geen man met wien men op zijn gemak komt.’ Maar hier was de situatie ook wel erg moeilijk. Het is de stem van Beets, die bij Geel op bezoek is gegaan na diens beoordeling van De maskerade.27 Beets verdenkt Geel in diezelfde dagboeknotitie (van 28 maart 1835) van ‘een zekere mate van jaloersheid’, althans hij zegt dat ‘sommige mijner vrienden’ zover gaan, maar zelf is hij op die theevisite getroffen door Geels eenvoud. ‘Ik moet zeggen, dat hij mij gansch niet uit de hoogte behandelde: veeleer op een voet van gelijkheid. Zijn openhartigheid en bonhomie troffen mij zeer. Hij scheen metterdaad belang te stellen in mijn toekomst.’28

Het is buiten kijf: Geel was een beminnelijk, hulpvaardig man, zelfs opofferingsgezind in bijna meer dan menselijke mate (men denke aan de ma-

[p. 10]

nier waarop hij zich het lot van de kinderen van zijn vriend Hamaker na diens dood aantrok), daarbij geleerd, kritisch, scherp van geest; het kan niet op. Want al deze eigenschappen werden dan ook nog gebundeld in een stijl die niet alleen de man zelf gaf zoals hij was - men kent zijn voorliefde voor de kernspreuk van Buffon -29 maar daardoor tegelijk aantoonde hoezeer hij uitstak in zijn tijd.

Het is geen behoefte dit beeld te ontluisteren die me de vraag ingeeft of het niet tijd wordt was vraagtekens te zetten en zelfs was bezwaren bij elkaar te rapen. Het is behoefte aan helderheid. Daarbij gaat het niet zozeer om de raadsels in zijn leven, al hoeven die ook weer niet weggepraat te worden. Opnieuw één voorbeeld. Geel is dan, als gezegd, wel niet boos weggelopen uit de Maatschappij, zoals Potgieter, maar hij heeft die wel tijdig verlaten, overigens na veertig jaar trouwe ‘dienst’.30 Tijdig om een levensbericht te ontlopen, wel te verstaan. Nu mag men dit toeschrijven aan een soort bescheidenheid, zoals voorzitter Robert Fruin deed in zijn jaarrede van het jaar van Geels dood: ‘Zoo zeer hij behoefte had aan hoogachting en ingenomenheid van hen met wie hij omging, zoo schuw, zoo bevreesd was hij voor openlijke lofspraak.’31 Maar als Potgieter moeilijk doet met inlichtingen aan de vader van mejuffrouw Wolters (die toen bezig was aan zijn inleiding tot Onderzoek en phantasie,32 - en als mejuffrouw Wolters zelf concludeert: ‘We kunnen, meen ik, wel aannemen, dat er althans sommige dingen in Geel's leven geweest zijn, die voor goed aan de vergetelheid ten prooi werden. Zoo heeft hij het gewild en zoo zal het zijn,’33 - dan zetten wij toch een vraagteken, al weten we niet bij welke vraag precies. Daar is bijvoorbeeld - om zelf maar iets te noemen waaraan de schrijfster van het bovenstaande niet zal hebben gedacht - die zeer zinnelijke man Geel, die pas op zijn vijfenvijftigste trouwde, ook nog met een ziekelijke vrouw - hoe lief ook -, maar die volgens zijn andere biografe, me-

[p. 11]

juffrouw Hamaker, de bevrediging van zijn liefdesverlangens wist te vinden in zijn huwelijk.34 ‘En daarvóór dan?’, zouden wij vragen. Maar zulke negentiende-eeuwse geheimen kunnen we hem makkelijk gunnen, hoe moeilijk hijzelf het ermee gehad mag hebben.

Voor ons zijn er belangrijker vragen en bezwaren. Trouwens, voor ons alleen? ...‘dat geschrijf scheen mijne zaak niet te zijn: de form van mijne opstellen deugde niet: zij gaf aanstoot en ergernis aan hen die de bedoeling niet abstraheerden. Ik heb dus niet zóó nuttig gewerkt, als ik voorhad, en ik heb er geen berouw van dat ik van dien uitstap onherroepelijk tot mijne oude studieën teruggekeerd ben’, schrijft hijzelf begin 1849.35 Dit slaat op zijn letterkundige kritieken, vooral op die over het vroege werk van Beets; en Geel zal heel bijzonder gedacht hebben aan één van die kritieken, waarop ik nog terugkom. Maar het staat er heel algemeen en in het meervoud: ‘de form van mijne opstellen deugde niet’. En ook de praktische gevolgtrekking was heel algemeen: Geel keerde terug naar de klassieken, naar zijn wetenschappelijke studie, weg van de letterkunde van zijn dagen, waarin hij een rol had gespeeld van belang. En waarin hij een nog veel grotere rol had kunnen spelen, als hij was ingegaan op de uitnodiging van de mannen van De Gids, zijn bewonderaars.36

Was hij toch het slachtoffer geworden van zijn stelling dat een criticus een plaats moet innemen ver boven die van degene wiens werk hij bespreekt?37 Aan Potgieter, op wie hij de methode nog in 1840 heeft toegepast, schrijft hij: ‘Die manier van zien is mij eene behoefte: wie het aan trotschheid toeschrijft, zou mij, hoop ik, miskennen, en toch...’38

Mij dunkt dat er in ieder geval duidelijke aanwijzingen zijn van frustratie, en dat die zijn oorsprong heeft gevonden in de beroering omtrent een bepaalde kritiek: die op Beets' - volgens de auteur ‘losweg geschreven’ - opstel De vooruitgang, dat in 1837 was verschenen in De Gids. Geel heeft zijn kritiek - merkwaardig genoeg - geserveerd als voorrede van zijn eigen bundel Onderzoek en phantasie, en hijzelf sprak later van ‘een harden

[p. 12]

zweepslag’39 toegediend aan een over het paard getilde jonge auteur die - en daarom ging het - niet mee wilde met de vooruitgang waarin hijzelf, als erfgenaam van de Verlichting, heilig geloofde. Ik zal de kwestie zelf niet opnieuw uit de doeken doen, dat is al herhaaldelijk gedaan.40 Maar ik zal twee aanwijzingen citeren waaruit men kan opmaken dat deze wederwaardigheid - de narigheden met de voorrede die een reactie was op het opstel van Beets - Geel diep gebeten heeft. De eerste verwijzing laat zich aflezen uit zijn brief aan de redactie van De Gids uit oktober 1838. Hij schrijft daar: ‘Wat mij betreft, als holl. schrijver kan ik niet blijven optreden: in de kunst kan ik niets leveren, mijne natuur drijft mij steeds tot het didaktische [overigens het genre dat hij tot dusver met grote creativiteit had beoefend; dáár kon de reden om op te houden niet liggen. kr]; zoo ik, door één enkel zaad te strooijen, iets mede toegebracht heb tot ik weet niet wat, dan ben ik reeds tevreden.’41 Welnu, wat had hij in januari van datzelfde jaar aan dezelfde redactie geschreven, toen man en paard noemend? ‘Mijn voorrede is een zaadje, dat ik diep in den grond gelegd heb.’42 Bewust of niet bewust, door de keus van hetzelfde beeld verraadt hij het verband. De tweede verwijzing lees ik af uit een latere brief, nu aan Potgieter, als hij in de crisis van De Gids tegen deze vriend de zijde heeft gekozen van de uitgestoten andere vriend, Bakhuizen van den Brink. De brief dateert van 29 oktober 1843. Geel stelt zich daar een alternatief tijdschrift voor, beter dan De Gids, en onder leiding van Bakhuizen. En in welke bewoordingen presenteert hij dat orgaan? Het moet zijn ‘een Tijdschrift, dat vooruitgang, stilstand en teruggang weet te beoordeelen.’43 Zo'n woordkeus kan geen toeval zijn.

En wat de frustratie betreft komen we opnieuw uit bij Beets, als mejuffrouw Hamaker tenminste gelijk heeft met haar gissing. Zij veronderstelt dat Potgieter in zijn voorstel aan Geel, omtrent augustus 1840, om ‘geschriften van B. en H.’ voor De Gids te recenseren, doelt op de Camera en op Proza en poëzie van Beets, verschenen in 1839 en 1840 (en op Waarheid en droomen van Hasebroek, verschenen in 1840).44 Het antwoord van Geel, 4 september 1840, is overduidelijk: ‘Waartoe zou ik hunne hoogst prik-

[p. 13]

kelbare eigenliefde kwellen met diepsnijdende aanmerkingen, die het publiek niet begrijpen en God weet, hoe uitleggen zou? Ik heb leergeld gegeven: mijn partij is genomen en ik zwijg.’45

Wat nu die vooruitgang betreft, de vraag dringt zich op of Geel zelf in zijn tijd wel in elk opzicht zo voorlijk is geweest. Zeker, in zijn Tafelgesprek tekent hij in de persoon van Scaevola de karikatuur van een anti-liberale reactionair à la Bilderdijk. En Thorbecke, die hem als schrijver bewonderde maar die hij als hoogleraar te Leiden helemaal niet als zijn vriend beschouwde, heeft hij in de politiek tenslotte ondubbelzinnig gevolgd.46

Maar ik weet werkelijk niet of en hoe voorlijkheid in de politiek samenhangt met voorlijkheid in de literatuur. Laten we dus terugkeren naar die literatuur, en wel naar Geels opzienbarende prestatie daarin: het Gesprek op den Drachenfels. ‘Geel heeft de bedoeling gehad als auteur van dit geschrift buiten schot te blijven’, zegt degene die tot dusver de meest minutieuze analyse van het Gesprek heeft ondernomen, W. van den Berg.47 En noodgedwongen met veel slagen om de arm (‘Ik beweeg mij op het gevaarlijkst terrein bij mijn derde conclusie’) geeft deze toch als zijn gevolgtrekking ‘dat het Geels bedoeling is behalve de devaluatie van de term [romantisch] en de onhoudbaarheid van de antithese [klassiek/romantisch] ook de eigentijdse literaire stromingen die men gewoon is als de Europese romantiek te bestempelen te attaqueren, en wel met name de Duitse en Franse romantiek.’ En: ‘met betrekking tot het meest wezenlijke aspect van zijn Gesprek lijkt hij niet uit te komen boven de heersende vooroordelen en eerder in een conservatief Nederlandse traditie te staan dan als nieuwlichter te fungeren.’48 Of minder voorzichtig geformuleerd: ‘alle knappe presentatie ten spijt, verraadt het Gesprek een conservatief standpunt.’49 Dat klinkt anders dan wat Bakhuizen van den Brink honderdvijfendertig jaar eerder van de hele bundel Onderzoek en phantasie vond: ‘Het boek is revolutionnair in de kunst.’50 Maar het past uitstekend bij een aan Geel toe-

[p. 14]

geschreven stuk waaruit ik al eerder geciteerd heb. Oomlief maakt zich daar boos over een recensie in de Vaderlandse Letteroefeningen over Geels vertaling van A sentimental journey, en hij vertrouwt nicht Truitje toe: ‘Had ik zóó iets gevonden in een onzer jongere Maandschriften, in den Gids, b.v., [nota bene het tijdschrift waarin hij dit schrijft] ik zou het over het hoofd gezien hebben, denkende, die jongeluî studeren slechts in Romantische Schriften, of, zoo zij in die van vroegeren tijd het oog slaan, dan doen zij het in Moeder de Gans of in de Heemskinderen.’51

Van den Berg moet concluderen dat Geel, door het ridiculiseren van de Franse en Duitse romantiek, meer kwaad heeft gedaan dan goed, dat zijn Gesprek eerder verlammend dan bevrijdend heeft gewerkt op onze letterkunde, en dat Geel in feite een behoudzuchtig classicist is gebleven, voor wie het ideaal van de kunst gelegen was ‘in een verfraaide navolging van de werkelijkheid’.52 Dat is toch andere taal dan het verwijt (of de verontschuldiging) van mejuffrouw Hamaker dat Geel - gekant tegen definities - geen nieuwe stellingen kon geven, maar wel zuiverend heeft gewerkt door zijn kritiek.53 Al ontkent ook Van den Berg niet dat hij vooroordelen heeft ontmaskerd, juist in zijn Gesprek.

Kwalijker klinkt het als dezelfde auteur Geels talent om met taal en tekst te manoeuvreren - waarom wij hem geprezen hebben - volgens hedendaags taalgebruik vertaalt in manipuleren. Volgens hem manipuleert Geel in zijn Gesprek links en rechts: niet alleen zijn personages54 - alle drie, dus ook de ik, wat wellicht nog te verontschuldigen valt bij hun status van fictief persoon - maar ook de term romantisch,55 en hoogstwaarschijnlijk zelfs de lezer op de koop toe.56 Misschien wordt men wantrouwig van zo'n modeterm, maar Van den Berg gebruikt ook een invectief van beproefde verdiensten: marionetten57 en dat laat zich zetten naast het woord pion van de zachtmoe-

[p. 15]

dige Brandt Corstius, al gebruikt die het inzake een ander geval (maar dan toch van hetzelfde Gesprek).58

Nu is er aan heel deze laatste reeks berispingen één merkwaardig aspect: door het fictioneel maken van zijn personages en van zijn ik-verteller, en door het manipuleren van zijn stof en van zijn lezer (waarin ik Van den Berg gelijk moet geven59 ontpopt Geel zich als iets wat hijzelf nooit dacht te kunnen zijn: een creatief kunstenaar. ‘In de kunst kan ik niets leveren’, we horen het hem nog zeggen. Wat dacht men trouwens van de functionele wijze waarop hij zijn meeslepende natuurbeschrijvingen een rol laat spelen in zijn stuk, om van zijn oorspronkelijke vergelijkingen nog te zwijgen? En van de in-komische inventiviteit waaraan we tafereeltjes te danken hebben als dat van het drietal - Diocles, Charinus en de ik - die tussen hun benen door het berglandschap beschouwen en deze houding uitbuiten voor hun contemplatie? En dan hebben we het nog niet gehad over zijn dialogen. Wie zou er vandaag nog zo genieten van een Gesprek over voorbije problemen, als dat Gesprek op den Drachenfels niet allereerst een voortreffelijk verhaal was, een literair kunstwerk van een niveau dat in de vorige eeuw nauwelijks geëvenaard is in onze letterkunde, dat in zijn soort trouwens niet eens een rivaal heeft?

Laten we wel wezen: bij alle bezwaren die in het voorgaande bij elkaar zijn gezet - en er zijn er meer te bedenken - is en blijft Geel in onze letterkunde..., ‘doch waartoe zouden wij ons uitputten in den lof van het schoone proza des Heeren geel?’60 En daarmee heeft de goede Bakkes het laatste woord. Hij verdient het.

*De titel van deze toespraak is ontleend aan Bakhuizen van den Brink, die deze vraag stelt in het ontwerp van zijn herinneringswoord na Geels dood, bestemd voor De Nederlandsche Spectator. Zie Martha J. Hamaker, Brieven van Geel: 1836-1846 in De Gids 70, 1906, deel iii, p.177-206 en p.418-446, voortaan aangeduid als Hamaker, Brieven. Citaat p.183.
1Dit motto komt uit een brief van Beets aan Kneppelhout d.d. 28 december 1837; zie G. van Rijn, Nicolaas Beets, i, Rotterdam z.j., p.323.

2Standje en lof beide in Harry G.M. Prick, Twintig zangen van Potgieter in Hollands Diep 1; nr.3, 31 januari 1976, p.17.
3Jacob Smit, De volledige briefwisseling van E.J. Potgieter en Cd. Busken Huet, i, Groningen 1972, p.348 en de noot op p.736. De inlichtingen betroffen publikaties van Bakhuizen van den Brink in de eerste jaargang van De Gids, en de boosheid was gewekt door een sneer aan het adres van Huet in een bijdrage aan de Levensberigten van 1866.
4Aanhef (waarschijnlijk nooit voorgedragen) van Tafelgesprek over zaken van groot gewigt in Onderzoek en phantasie 1838. Ed. C.G.N. de Vooys, Amsterdam [1911], p.29-50; citaat op p.29. Naar de laatstgenoemde editie wordt voortaan verwezen met de aanduiding O. en Ph., die ook staat voor het boek in het algemeen.
5Jacob Smit, De volledige briefwisseling van E.J. Potgieter en Cd. Busken Huet, i, Groningen 1972, p. 348. De editeur acht de plaats bij Geel blijkbaar ook nu nog zo bekend, dat hij niet aangeeft waar die moet worden gezocht.
6Vergelijk ‘In hoe verre, in andere opzigten [dan dat van de prijsvragen] de maatschappijen als onderwijzende ligchamen uitgediend hebben, kunnen wij, ‘Qui ne sommes rien/Pas-même Académiciens’ niet beoordeelen. Wij moeten den Heer geel op zijn woord gelooven, en ons hieruit de reden verklaren, waarom zoo vaak invalides in haren schoot worden opgenomen.’ Bakhuizen van den Brink, recensie O. en Ph. in De Gids 2, 1838, deel i, p.461-473 en p.521-535; citaat op p.524. Ook ‘Langzamerhand zinkt hun aanzien, en het jongere geslacht is er over het geheel kwalijk jegens gezind’, dit namelijk wegens ‘een letterkundig conservatismus’ dat er heerst. Aldaar op p.526.
7Voor de toekomstige historicus van de Maatschappij: het bestuursvoorstel in kwestie werd door de jaarvergadering teruggewezen ter herformulering. Zie de notulen elders in dit Jaarboek.
8Recensie, ondertekend geel, in De Gids 3, 1839. Boekbeoordelingen p.29-37; citaat op p.34. Betreft J.W. Elink Sterk, Over den schrik en het medelijden in het Grieksche treurspel, Leiden 1838.
9Uit 1831 of 1832. O. en Ph., p.51-65.
10Uit 1837. O. en Ph., p.105-121.
11E. Jongejan, De humor-‘cultus’ der romantiek in Nederland, Zutphen 1933. Zie de onderdelen Persiflage van dwaas geleerdheidsvertoon, Hekeling der genootschappen en maatschappijen, Spot met het etymologiseeren en definieeren, Parodieering der dichtgenootschappen, Verhandelingparodieën, Parodieering der wetenschappelijke indeeling enzovoort, p.297-330.
12In B. Brunius. Mededeeling aan één' recenserend geleerde, ondertekend met het initiaal C. [zetfout voor G.?] in De Gids 2, 1838, deel ii, p.71-78; citaat op p.72. De toeschrijving aan Geel bij mijn weten alleen bij F.L.W.M. Buisman-de Savornin Lohman, Laurence Sterne en de Nederlandse schrijvers van c.1780-c.1840, Wageningen 1939, p.127, overigens zonder argumenten voor de toeschrijving. Ik kan me hier niet begeven in een discussie over het auteurschap, vooral ook omdat vroegere en latere opstellers van lijsten der werken van Geel dit opstel eenvoudig niet noemen, zonder specifieke opgaaf van redenen. Zelf heb ik mijn twijfels. In elk geval pretendeert het stuk de visie van Geel weer te geven.
13In Mededeeling aan alle recenserende geleerden in ons vaderland, Amsterdam 1837; nu opgenomen in Mengelwerk van Jacob Geel met inl. en aant. door J. de Rooij, Zutphen [1974], p.106-111; citaat op p.111.
14Zie de opsommingen bij Johanna A. Wolters, Een en ander over Geel in Noord en Zuid 23, 1900, p.465-512, i.c., p.472 e.v.; p.481 en p.500. Over Geel en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde aldaar p.499 e.v. In het werk van F.K.H. Kossmann, Opkomst en voortgang van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, Leiden 1966, komt Geel natuurlijk niet voor, want dat loopt tot het eind van de achttiende eeuw.
15Ik weet niet of opgaat wat mevrouw Buisman-de Savornin Lohman in haar proefschrift (zie noot 12) zegt over Geel in vergelijking met anderen die spotten met het verschijnsel verhandeling: ‘het element van camouflage, de bizarre toevoegsels, zijn bij hem geheel vervallen.’ (p.89). Geheel?
16In de Nieuwe karakterverdeeling van den stijl heeft men de stijlen van onder andere de hier genoemden herkend. Vergelijk Beets in een brief aan Potgieter Hamaker, Brieven, p.181). Vergelijk ook de aantekeningen van De Vooys, ed. O. en Ph., p.201-203.
17Over het reizen (1831; aanhef 1834), O. en Ph., p.1 (cursivering van mij, kr).
18Zie de brief van Hasebroek aan Potgieter [d.d. 25 januari 1838) bij Hamaker, Brieven, p.181. Ook bij J.H.J. Willems, Joh. Petrus Hasebroek, Eindhoven 1939, p.xxviii.
19De plaatselijke afdeling van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen. Zie De Vooys, ed. O. en Ph., aantekeningen op p.191 e.v.
20Men vraagt zich af welke namen de classicus Geel bij deze knappe variant van de parvitas-formule allemaal door het hoofd hebben gespeeld. Bij Ernst Robert Curtius vindt men er heel wat opgesomd, christenen naast heidenen. (Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter. 7. Auflage, Bern-München 1969, p.412-415).
21H.E. van Gelder, Nicolaas Beets en Jacob Geel in Maatstaf 4, 1956, p.451-460; citaat op p.454. De hele brief van Bakhuizen aan Beets, d.d. 21 maart 1835, is afgedrukt bij L. Brummel, De studietijd van R.C. Bakhuizen van den Brink door brieven toegelicht, 's-Gravenhage 1969, p.128-131; citaat op p.128 e.v.
22In Mengelingen, De Gids 2, 1838, p.461-473 en p.521-535; citaat op p.472. Over Geels duisterheid aldaar p.463.
23Brief aan J.W. Holtrop, d.d. 13 februari 1836, bij Hamaker, Brieven, p.194.
24W. van den Berg, De ontwikkeling van de term ‘romantisch’ en zijn varianten in Nederland tot 1840, Assen 1973, p.419.
25Hamaker, Brieven, p.183 en p.189; de brief aan Potgieter bij Brummel, Studietijd Bakhuizen (zie noot 21), p.186.
26Briefwisseling van Bakhuizen van den Brink met zijne vrienden gedurende zijne ballingschap (1844-1851). Uitgeg. door S. Muller Fz., Haarlem 1906, p.77 e.v.
27Geels beoordeling is opgenomen in De Rooij, Mengelwerk (zie noot 13), p.129-131.
28H.E. van Gelder (zie noot 21), p.455.
29Zie over de foute interpretatie van deze kernspreuk: J.E. van der Laan, Buffon, Geel en de stijl in De Nieuwe Taalgids 25, 1931, p.256-260.
30In de Lijst van vroegere leden, opgemaakt in 1866, staat over Geel: ‘benoemd 30 Juni 1819; heeft bedankt in 1856’ (vergelijk Bijdragen tot de geschiedenis van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het eerste eeuwfeest, Leiden 1867, p.20). Johanna A. Wolters geeft abusievelijk als jaartal van bedanken 1849 (zie noot 14), p.500.
31Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. [...] 18 Junij 1863 [...], p.11.
32O. en Ph. Derde druk, verzorgd door W.P. Wolters, 1871.
33Artikel genoemd in noot 14, p.465.
34Monografie genoemd in noot 30, p.140 en p.211.
35Brief van Geel aan Beets, d.d. 1 januari 1849, gedeeltelijk bij Hamaker, Brieven, p. 189; volledig bij Van Gelder (zie noot 21), p.459 e.v.
36Voor de manieren waarop Geel de boot afhield vergelijk Hamaker, Brieven, p.179; p.180; p.194; p.204 en p.206.
37Zie onder andere Hamaker, Brieven, p.187; p.191 en p.205.
38Hamaker, Brieven, p.205. Het gaat over Geels recensie van Het Noorden in het oktobernummer van De Gids 4, 1840 (Boekbeoordeelingen p.533 van dat jaar); nu in J. de Rooij, Mengelwerk (zie noot 13), p.136-139.
39Hamaker, Brieven, p.199.
40Zie de inleiding van Hamaker, Brieven, en haar monografie; en bij Van Gelder (zie noot 21).
41Hamaker, Brieven, p.202 (tweede cursivering van mij, kr).
42Hamaker, Brieven, p.199 (cursivering van mij, kr).
43Hamaker, Brieven, p.435 (cursivering van mij, kr).
44Hamaker, Brieven, p.205, noot 2.
45Hamaker, Brieven, p.205.
46Hamaker, Jacob Geel (zie noot 30), p.133; vergelijk in de catalogus Thorbecke in Leiden, Leiden 1972, het artikel Thorbecke en zijn Leidse ambtsgenoten door Th. J. Meijer op p. 54-57.
47In zijn dissertatie (zie noot 24), p.418. Voortaan aangeduid als: Van den Berg.
48Van den Berg, p.420.
49Van den Berg, p.417 en volgende.
50In een brief aan J. ter Meulen Hzn., d.d. 22 maart 1838, afgedrukt bij Brummel, Studietijd Bakhuizen (zie noot 21), p.173-176; citaat op p.174. Vergelijk Bakhuizens recensie in De Gids van dat jaar (zie noot 21).
51Het artikel over Brunius (zie noot 12) citaat op p.72. De steek is onder andere bedoeld voor Beets, die in het Gids-artikel Vooruitgang van het jaar tevoren Moeder de Gans verdedigd had, wat Geel hem in zijn Voorrede voor de voeten had geworpen.
52Van den Berg, p.421. Vergelijk de drie eisen die Geel aan de literatuur laat stellen ‘Orde, noodzakelijkheid, eenvoudigheid!’ in Iets over den smaak, 1826, nu in J. de Rooij, Mengelwerk (zie noot 13), p.80-92; citaat op p.88, herhaald op p.89. Overigens laat Geel natuurlijk ook de tegenpartij aan het woord, en voelt hij zichzelf daarna in onzekerheid gebracht; het oude liedje!
53Zie de inleiding van Hamaker, Brieven, p.182.
54Van den Berg, p.398; p.402; p.411 en p.415.
55Van den Berg, p.419.
56Van den Berg, p.410.
57Van den Berg, p.418.
58Uitgave Gesprek. [Tweede druk], Amsterdam 1968, p.56, noot 26.
59De scherpzinnige opmerkingen van prof. Margaretha H. Schenkeveld, waarbij zij concludeert dat de ‘ik’ - hoewel desnoods fictioneel - toch ondubbelzinnig kan worden geïdentificeerd met de auteur, en dat die ‘ik’ niet aan vaagheid laboreert, hebben mij tóch niet kunnen overtuigen. (Zie haar recensie-Van den Berg in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 91, 1975, p.299-305, i.c. p.300-303; natuurlijk stelt de recensente de zaak met meer aspecten en nuances aan de orde dan ik hier kan laten blijken). Volgens mij is - dat zal uit deze toespraak gebleken zijn - het Gesprek symptomatisch voor de even kundige als listige wijze waarop Geel keer op keer weet te vermijden zijn nek uit te steken of het achterste van zijn tong te laten zien.
60Bakhuizen van den Brink, bespreking O. en Ph. in De Gids 2, 1838 (zie noot 22), p.534.
 begin  verder