terug  begin  verder
[p. 16]

Bij het erelidmaatschap van Maurice Gilliams
Door Pierre H. Dubois

In dit gezelschap de persoon en het werk van Maurice Gilliams nader toe te lichten zou van een vermetele lichtvaardigheid getuigen, wanneer Gilliams niet vaak beschouwd was als een ‘outsider’, en zelfs wel als ‘een spreekwoordelijke afwezige in de literaire actualiteit’. Maar Karel van de Woestijne merkte in hem in 1925 al een dichter op ‘die zich op de achtergrond houdt waar zijn plaats niet is’. Profetische woorden die in 1975 geen bewijs meer nodig hebben.

Maurice Gilliams is een zeer belangwekkend, zeer gecompliceerd mens en schrijver: opgewekt en somber, enthousiast en zonder illusies, teruggetrokken en strijdbaar. Maar deze contrasten versmelten in zijn persoon en zijn werk tot een onalledaagse aristocratische allure, hautain tegenover het vulgaire, superieur tegenover het lage en karakterloze. In het kader van de Zuidnederlandse literatuur vertoont zijn verschijning weinig overeenkomst met het traditionele beeld en ongetwijfeld is hij binnen die literatuur een van de meest introverte schrijvers.

Er wordt wel eens gedacht dat het oeuvre van Gilliams niet zeer omvangrijk is. Wie kennis neemt van de onlangs verschenen honderdvijfenzeventig bladzijden tellende Proeve van bibliografie van en over de dichter Maurice Gilliams, door Firmijn VanderLoo, zal moeten erkennen dat het daarmee nogal losloopt: een tiental bundels gedichten, een vijftiental prozawerken, roman, novelle, essay, dagboekbladen, een groot aantal ongebundelde beschouwingen, teksten van uiteenlopende aard, vormen er de kern van. En ik behoef hier slechts enkele titels te vermelden om duidelijk te maken hoeveel van dit werk niet slechts de geschiedenis van de moderne Nederlandse letterkunde reeds is ingegaan, maar ook van vernieuwende betekenis is gebleken, bundels als De fles in zee, Het Maria-leven, Het verleden van Columbus en Gedichten 1919-1958, proza als Elias of, Het gevecht met de nachtegalen en Winter te Antwerpen, essays als De man voor het venster, Een bezoek aan het prinsengraf en De kunst van de fuga, - grote momenten in een oeuvre waarvoor hij onder meer bekroond werd door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, met de Driejaarlijkse Staatsprijs en de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. De reputatie van een moeizaam werkend en daarom spaarzaam

[p. 17]

publicerend auteur is overigens niet geheel onbegrijpelijk of onjuist.

In een verhaal dat de dichter voor het eerst publiceerde in 1959 in het vierde deel van zijn verzameld werk Vita brevis, maar dat werd geschreven in 1927, komt een jong dichter voor die zeven bloeddruppels afstaat als dagelijkse brandstof voor een soort leugendetector die alle onechte kunst ontmaskert. Het is een symbool dat duidelijk onthult op welk niveau Gilliams de poëzie plaatst en welke eisen hij aan haar stelt.

Het verklaart misschien ook waarom het aantal gedichten dat hij aan de openbaarheid heeft prijsgegeven verhoudingsgewijze zo gering is. In de laatste afzonderlijke verzameling die hij in 1965 liet verschijnen, behield hij over een periode van 1919 tot 1958, van veertig jaar dus, een keuze van slechts drieënzestig gedichten.

Dat wijst op een zelfkritiek die uiterst zeldzaam is, maar die de bijzondere verdienste heeft dat dan ook elk gedicht dat behouden bleef in het raam van dit dichterschap een eigen afzonderlijke waarde bezit.

Het in woorden benaderen van het meest wezenlijke dat men als mens en dichter ervaart, van een werkelijkheid die machtiger, indringender, maar tegelijkertijd ook onbereikbaarder is dan alles wat men buiten zichzelf waarneemt - en toch dáárin en in onszelf herkenbaar is - is een bezigheid die alleen gepaard kan gaan met een ascese, die afwerend staat tegenover alle sensatie en luidruchtigheid en gericht is op de stilte. Dat dit voor Maurice Gilliams een conditio sine qua non is, blijkt, als hij het al niet uitdrukkelijk had geformuleerd, uit vrijwel elk woord.

Al geloof ik dus niet dat Gilliams zo weinig schrijft, als men soms beweert, hij publiceert slechts zeer behoedzaam. Maar iedere schriftuur van zijn hand is zowel zelfexpressie als zelfverkenning.

Tussen die beiden moet men bij hem onderscheiden zonder te scheiden. De accenten liggen anders naargelang de poëtische aandrang, de creatieve drift in zijn gedichten of in zijn proza overheerst, dan wel de analytische intelligentie, waaruit de notities en de essayistische bespiegelingen resulteren. Over deze laatste gaat het thans niet. Maar de wijze waarop de beide vermogens, de creatieve drift en de analytische intelligentie, versmolten raken, verleent aan het werk van Gilliams, en met name ook aan zijn poëzie, dat zo bijzondere, onverwisselbare en aangrijpende geluid dat men onder alle literaire uitingen in een taalgebied als het onze aanstonds als het zijne - én als uniek - herkent.

Het onderscheid dat ik bedoel heeft misschien nóg een aspect dat de aandacht waard is.

[p. 18]

Schrijven is een poging tot communicatie. Het is in laatste instantie het vaak wanhopige trachten om de boeien van het individueel isolement te doorbreken. Dit element dat feitelijk schuilt in elk door een dichter neergeschreven woord, schuilt ook in dat van Gilliams. Maar wellicht sterker nog dan die drang tot communicatie bespeurt men bij hem ook de behoefte aan dat isolement, als twee elkaar paradoxaal tegenstrevende krachten. Paradoxaal, omdat in de behoefte aan isolement bij hem het zich afsluiten van de anderen niet een voorropgezet doel is, maar een onvermijdelijke consequentie. In een van zijn notities in De man voor het venster zegt hij het expliciet: ‘Schrijven is: het alleronzegbaarst kleinste willen bewijzen. Ik werk moeilijk. Het is niet een kwestie van dikwijls hetzelfde te herschrijven, van over een stijldetail niet tevreden te zijn. Het onmogelijke kan in geen honderd mensenlevens geschieden, en enkel het onuitspreekbare heeft waarde omdat de gevoelige, denkende mens van jongsaf naar verlossing snakt. Het ene in mij wil voor het andere niet onderdoen. Ik werk moeilijk, omdat ik voor iets in mij niet wil onderdoen.’

Het is deze ‘hoge moed’, om met de uitdrukking van Multatuli de schijnbare hoogmoed in haar werkelijke betekenis te definiëren, die de dichter naar de tragiek der zo volledig mogelijke zelfkennis toevoert en hem afsluit van de menigte, die wellicht na jaren zijn eenzame inspanning zal herkennen als de zingeving, of een van de zingevingen, aan haar eigen, ongeweten, gemeenschappelijke hunkering. De zelfverkenningen van Maurice Gilliams in zijn aantekeningen en essays, in zijn van elegische lyriek doordrenkt proza, en vooral in zijn poëzie, zijn emanaties van een kunst die hem in zo hoge mate eigen is en die hij terecht als titel aan een van zijn verzamelingen heeft meegegeven: de kunst van de fuga.

Wie nader toeziet, staat verbaasd over het complex van weerstanden en spanningen die hij in op het eerste gezicht heldere en doorzichtige formuleringen weet onder te brengen. Maar die woorden hebben hun echo's, die zich op hun beurt weer vertakken in eindeloze resonanties, verijlend en tenslotte nauwelijks meer hoorbaar, maar diep doordringend in schemeringen, in de ongeëxploreerde verborgen grotten van het innerlijk.

Ik wil hier nog het volgende aan toevoegen. De selectiecriteria voor het lidmaatschap spreken van ‘personen, die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en zich als verdienstelijke beoefenaars der schone letteren of bevorderaars der Nederlandse taal- en letterkunde, geschied- en oudheidkunde hebben doen kennen.’ In dit verband herinner ik eraan dat Maurice Gilliams, lid van de Koninklijke Vlaamse Academie, daarvan tot zeer on-

[p. 19]

langs gedurende jaren vast secretaris is geweest en in die functie niet alleen zeer actief was en tal van voordrachten heeft gehouden, maar ook uitgaven door anderen heeft gestimuleerd en bezorgd, waaronder bijvoorbeeld de tekstuitgave en analytische bibliografie in drie omvangrijke delen door Werner Waterschoot van de Poétische werken van jonker Jan van der Noot, en in ander verband ook veel heeft gedaan voor de schilderkunst, onder andere door zijn verzorging van het Album Henri de Braekeleer, de catalogi van Rik Wouters en Constant Permeke, enzovoort.

Het zijn vele redenen die niet alleen het erelidmaatschap dat onze Maatschappij hem vandaag wil toekennen rechtvaardigen, maar die de Maatschappij omgekeerd ook aanleiding geven tot gerechtvaardigde trots, nu zij een zo gewaardeerde persoonlijkheid in haar gelederen mag begroeten.

terug  begin  verder