terug  begin  verder
[p. 154]

Anton George Kloppers
Semarang 31 januari 1919 - Grächen 23 december 1974

Twee korte romans, enkele verspreide gedichten en prozastukken - het is geen omvangrijk oeuvre dat Ton Kloppers naliet, wanneer we althans de vele journalistieke bijdragen buiten beschouwing laten die verscholen liggen in de leggers van de Nieuwe Rotterdamse Courant. Bovendien is zijn werk weinig opgevallen, en dit geldt eigenlijk ook voor zijn persoon: een rustige, introverte, nogal eens bouderende maar bijzonder beminnelijke journalist. Het was hem bekend dat er in deze wereld wantoestanden en wanverhoudingen voorkwamen, maar ook dat hij er weinig aan veranderen kon, zodat hij zich bepaalde tot de rol van sceptisch toeschouwer. Uit een overmaat van bescheidenheid placht hij zich, naar hij steeds weer zei, te ‘drukken’ als dat kon. Wanneer er iets aan hem opviel dan was het zijn onopvallendheid, maar wie hem kende wist, dat er onvermoede gaven van geest en gemoed in hem schuilgingen, en vele talenten.

Anton George Kloppers werd in Semarang geboren, op 31 januari 1919. Hij was de zoon van een technisch ambtenaar bij de ptt en bracht zijn jeugd op Java door; nog even bezocht hij de hbs te Bandoeng. Vrijwel nooit sprak hij over zijn Oostindisch verleden; wel maakte hij er toespelingen op in het autobiografisch aandoende verhaal Angst voor de toeschouwer (De Gids 1953), maar nostalgie naar het land van herkomst was hem vreemd. Uit genoemd prozastuk valt op te maken dat hij zich daar als Nederlander al vroeg een vreemdeling voelde.

Gerepatrieerd vestigde het gezin zich in 1932 te Schiedam, waar Ton de hbs afliep. In 1939 deed hij zijn eindexamen, waarna militaire dienst hem wachtte. Een gemakkelijke leerling schijnt hij voor zijn docenten niet te zijn geweest: hij was intelligent maar toonde meer belangstelling voor andere zaken dan voor het gebodene. Met zijn vriend en klasgenoot L. Th. Lehmann werkte hij mee aan de schoolkrant Confetti, waarin hij onder meer over schilderkunst schreef; hij werd zeer geboeid door de surrealisten. Zelf beoefende hij met bekwaamheid de tekenkunst. Ook voor de jazz toonde hij meer dan gewone interesse; in het artikel Meneer Dinges weet niet wat swing is (Gastenboek van Singel 262, 1964) haalde hij herinneringen op aan de tijd toen hij met zijn vriend Louis (Lehmann) grammofoonplaten verzamelde van de toenmalige groten - een met veel kennis van zaken geschreven stuk. Zijn verzamelwoede op dit gebied bleef hij behouden.

[p. 155]

Samen met Lehmann kwam hij in contact met zijn stadgenoot Adriaan van der Veen, die in 1939 met Hoornik, Daisne en Schepens het nieuwe tijdschrift Werk redigeerde. Dit was een gezamenlijke uitgave van Manteau en Leopold, en het had geen andere pretentie dan de jongeren een kans te geven. In het ene jaar dat het bestond - het zou opgevolgd worden door Criterium - waren er naast de redacteuren toch medewerkers als Achterberg, Anna Blaman, Den Brabander, Debrot, Dubois, Hella Haasse, Van Hattum, Hoekstra, Lehmann, Marja, Mok, Morriën, Nord, Vasalis en vele anderen. Kortom de generatie van veertig die wat in de schaduw zou blijven van haar grote voorgangers en ten dele uit de aandacht zou worden verdrongen door het meer spectaculaire optreden der Vijftigers. De oorlog heeft hun normale ontwikkeling stellig in de weg gestaan.

Dit ondervond ook Ton Kloppers, die in het februari-nummer debuteerde met het sonnet De vis, en het strofische gedicht Séance: naar vorm en taalgebruik typische poëzie van zijn door het tijdschrift Forum beïnvloede generatie. Toen Lekkerkerker in hetzelfde jaar 1939 de bloemlezing In aanbouw samenstelde uit ‘letterkundig werk van jongeren’, nam hij twee nieuwe gedichten van Kloppers op (Verzwegen nachtbraak; Karavaan): evocerende, min of meer anekdotische poésie-parlante, intelligent en met treffende vondsten. Typisch werk van een veelbelovend talent dat zich had aangediend en voorlopig erkenning vond: het sonnet De vis werd nog opgenomen in Twee recht twee averecht, een bloemlezing moderne dichtkunst, samengesteld door Anthony Bosman en C. Buddingh', en (zonder jaartal) verschenen in 1942 als deel van de Plejaden-reeks.

En daarbij bleef het dan voorlopig. Van 1943 tot 1945 bevond Kloppers zich als krijgsgevangene in Duitsland. In 1946 vinden we hem in Rotterdam, waar hij als corrector in dienst trad bij de Nieuwe Rotterdamse Courant; in hetzelfde jaar trouwde hij met Nel van Wagtendonk, een klasgenote nog uit zijn Schiedamse tijd. Bij de nrc zag hij Adriaan van der Veen terug, die na zijn Amerikaans intermezzo het redacteurschap letteren aanvaard had, en spoedig zijn vroegere stadgenoot als medewerker aanwierf voor boekbesprekingen. Kloppers' eerste recensie is te vinden in de nrc van 15 oktober 1947: Bij een handvol proza. De nog geringe plaatsruimte maakte gecombineerde besprekingen noodzakelijk, en zo kreeg Kloppers tot taak, Elsschots Dwaallicht in één artikel te combineren met werk van de jongeren Jan Spierdijk, B. Roest Crollius en Rein Blijstra. Als een volwaardig journalist vond Kloppers de formule: het was voor jonge schrijvers van belang als zij zich eens niet aan elkander spiegelden, maar dat hun werk

[p. 156]

geconfronteerd werd met het beste wat op letterkundig gebied tot stand was gebracht!

Opmerkelijk in verband met zijn eigen werk was deze terechtwijzing: ‘Verder had Spierdijk wat meer afstand tot zijn bijfiguren uit de bohême moeten nemen: wat zij in hun gesprekken te berde brengen, dat gezwets, deze intellectuele krompraat, had niet rechtstreeks, dus zonder gelouterd te zijn door 's schrijvers ironie, uit de werkelijkheid gelicht en opgeschreven mogen worden.’ Het afstand bewaren, het door ironie gelouterde realisme zou zijn eigen romans een fijne humor verlenen.

Maar aan een roman was hij nog niet toe. Hij werkte op de correctie, recenseerde op zijn tijd en behaalde tevens de akte a voor Engels mo. In 1953 trad hij als secretaris tot de kunstredactie toe, waar zijn taak bestond uit het voeren van correspondentie, het ter zetterij bevorderen van binnengekomen persberichten en andere kopij, het links en rechts telefoneren met klagende uitgevers, medewerkers, lezers, en velerlei zaken meer waar hij niet onderuit kon, terwijl hij dan tevens lezingen en andere manifestaties moest verslaan, boeken bespreken en toneelredacteur Zalsman vervangen als dat nodig was. Het bureauwerk lag hem minder en routinekarweitjes ging hij graag uit de weg, maar aan zijn boek- en toneelrecensies besteedde hij veel zorg. Wat hij schreef was goed en gedegen, een enkele maal wat zwaar op de hand maar altijd helder, en geheel in de stijl van de oude nrc: welwillend waar het kon, terechtwijzend en kritisch als het moest, maar zonder grofheid of scherpslijperij.

In 1959 verscheen zijn eerste roman: Rennen zonder richting, de geschiedenis van een gewone man die zich, met een onverwachte erfenis achter de hand, in het avontuur stort met een dure sportauto om zelf de discrepantie te ervaren tussen de geniale techniek en de zinledige toepassing ervan, waardoor hij geobsedeerd blijft. Een origineel gegeven, en in het algemeen knap uitgewerkt door een auteur die nooit met een auto zou omgaan. In 1963 werd het gevolgd door Hoeden en petten, gebouwd op een dubbel motief: een mislukt ‘avontuurtje’ van een oppassende, niet erg ondernemende huisvader, en de onoverbrugbare sociale afstand tussen fabrieks- en kantoorpersoneel - een idee, bij de auteur opgekomen door de twee werelden die hij op de krant meemaakte: die van de zetterij en van de redactie.

Beide verhalen zijn gefantaseerd op het thema van de gewone man die uit de dagelijkse sleur treedt, in het eerste geval bewust, in het tweede door een toeval; steeds leidt het tot avonturen die op een nederlaag of op niets uitlopen. Door de hoofdpersoon zelf zijn belevenissen en overwegingen te

[p. 157]

laten vertellen met intelligentie en zelfironie, heeft de auteur een eigen vorm van ware humor gecreëerd. Het relaas der gebeurtenissen wordt nogal eens onderbroken wanneer de verteller zijn gedachten de vrije loop laat of aanleiding vindt, met zijn herinnering in een soms ver verleden te duiken. Het blijkt doorgaans wel degelijk functie te hebben in het verdere verloop van het verhaal, dat evenwel aan tempo verliest. Maar beide romans zijn tegen herlezen bestand en winnen erbij. En dan blijken het voortreffelijk geschreven boeken te zijn, getuigend van een eruditie, een wijsheid en een taalbeheersing waaraan menig auteur niet toekomt. Kloppers heeft er dan ook veel zorg aan besteed; hij kon heel lang bezig zijn met een enkele zin, voordat deze hem voldeed.

Ik herinner mij gesprekken waarin Adriaan van der Veen en ik hem aangespoord hebben, vooral op de ingeslagen weg voort te gaan, en anderen moeten dit ongetwijfeld ook hebben gedaan, maar of hem nu al voorgehouden werd dat hij méér kon dan hij zelf dacht, het bleef bij een: ‘Misschien heb je wel gelijk maar er komt niet van.’ Hij miste nu eenmaal elke eerzucht; Van der Veen heeft hem later terecht getekend als een man met een ondoorgrondelijke behoefte zichzelf weg te cijferen en te reduceren tot de nul die hij zo duidelijk niet was.

Daar kwam bij dat hij zich moest inwerken in een andere materie, toen G. Zalsman in 1965 met pensioen ging en Kloppers hem als toneelredacteur opvolgde. Hoewel hij niet als zijn voorganger van het toneel bezeten was, bleek hij in staat eveneens kritieken te schrijven waar de lezer vertrouwen in kon hebben. Lang voor de première van een belangrijk stuk placht hij zich grondig te documenteren, en na afloop van de voorstelling kon hij urenlang werken om zijn bedoeling zo juist en duidelijk mogelijk te formuleren. Men heeft getuigd dat hij vaak nachtenlang doorwerkte en bij het aanbreken van de dag nog op de krant te vinden was.

Na de krantenfusie van 1970 werd hij van deze taak ontheven en aan het maken van allerlei reportages gezet, hetgeen goede en interessante journalistiek opleverde; een van zijn laatste stukken gold het leven in Indonesië, waarvoor hij zijn land van herkomst nog eenmaal kon bezoeken.

Onder zijn vrienden en collega's genoot hij door zijn vriendelijk karakter veel sympathie. Vooral te Rotterdam - waar hij uiteraard deel uitmaakte van de toenmalige plaatselijke auteurskring rondom Anna Blaman - stond hij in aanzien, en hoewel hij zich voor geen functies placht te melden, werd hij benoemd tot bestuurslid van de Rotterdamse Kunststichting.

Bij zijn twee romans is het gebleven. Hij had nog wel ideeën en vage

[p. 158]

plannen, maar - zoals hij het placht te zeggen - er kwam niet van. Zijn werk voor de krant en andere dingen namen hem te veel in beslag, en daarbij kwamen in zijn laatste jaren nog spanningen in zijn privé-leven. Hij heeft zijn vele mogelijkheden maar ten dele gerealiseerd. Een nawoord bij Rotterdam gefotografeerd in de 19e eeuw (1974) was zijn laatste publikatie buiten de krant.

In zijn autobiografisch werk Blijf niet zitten waar je zit (1972) heeft Adriaan van der Veen van hem getuigd: ‘Met veel geld en geen werkverplichting zou hij het best tot zijn recht gekomen zijn. [...] Op zijn eigen manier heeft hij eerder dan voor het schrijven van boeken een leven gekozen dat zelf ongeveer neerkwam op een ongewoon gecompliceerd kunstwerk. Hij schept verplichtingen om daaraan zo lang mogelijk ingenieus te ontkomen [...] maar hij steekt door wat hij potentieel is ver uit boven de meeste journalisten en schrijvers die ik heb leren kennen. Als hij zijn eigen roman blijft leven in plaats van die op te schrijven moet iemand anders het voor hem doen.’

Niemand had kunnen voorzien dat het einde van de roman toen zo nabij was. Geheel onverwachts stierf Ton Kloppers op 23 december 1974 te Grächen in Zwitserland, waar hij met zijn gezin de kerstvakantie hoopte door te brengen.

 

g.w. huygens

terug  begin  verder